Het succes van Marokkaanse meisjes

ISIM in Leiden verricht en stimuleert wetenschappelijk onderzoek naar sociale, politieke, culturele en intellectuele ontwikkelingen in hedendaagse moslimsamenlevingen en –gemeenschappen. Het instituut is opgezet door de Universiteit van Leiden, Universiteit van Amsterdam, Radboud Universiteit Nijmegen en de Universiteit Utrecht. (http://www.isim.nl)
IMES in Amsterdam is een interdisciplinair onderzoeksinstituut van de Universiteit van Amsterdam. In het onderzoek worden diverse perspectieven gecombineerd door samenwerking tussen verschillende afdelingen. (http://www2.fmg.uva.nl/imes)
ISIM/IMES Lecture Series
ISIM en IMES organiseren een serie lezingen met als doel wetenschappelijke inzichten over islam in de Nederlandse multiculturele samenleving en relevante maatschappelijke vraagstukken bij elkaar te brengen. Gisteren was al weer de 3e ISIM/IMES lezing:

Het succes van Marokkaanse meisjes
door
Leen Sterckx en Carolien Bouw (SISWO)

Leen Sterckx studeerde ociologie aan de KU Leuven. Zij mag zich ook Europees Master in de Arbeidswetenschappen noemen na verdere opleiding aan de UC Louvain-la-Neuve en aan het Instituto Superior de Ciencias do Trabalho e da Empresa in Lissabon (1999). Haar interesses liggen vooral op het gebied van arbeid, sociaal beleid en etnische minderheden. Carolien Bouw organiseerde en beheerde netwerken en werkgroepen op onder meer het terrein van vrouwenstudies, gezinsonderzoek en huishoudtechnologie en organiseerde debatten over criminologische kwesties. Zij redigeerde verschillende bundels, waaronder, samen met Ruth Oldenziel, Schoon genoeg : huisvrouwen en huishoudtechnologie in Nederland 1898-1998 (Nijmegen : SUN, 1998). Daarnaast publiceerde ze artikelen over meisjes en misdaad. Daarnaast heeft ze, samen met anderen, onderzoek verricht naar het het succes van Marokkaanse meisjes en naar stadskinderen. Gezamenlijk hebben zij het onderzoek ‘Een ander succes’ geschreven, waarover de lezing ging. Het beeld bestaat dat Marokkaanse meisjes het beter doen in de Nederlandse samenleving dan hun broers en neven. Samen met het SCP onderzocht SISWO in hoeverre deze beeldvorming klopt met de werkelijkheid. In het onderwijs zijn de Marokkaanse meisjes hun achterstand op de jongens en andere groepen op spectaculaire wijze aan het inlopen. Maar in weerwil van het populaire beeld doen ze het nog steeds niet beter. Bovendien is hun succes op de arbeidsmarkt niet eenduidig. Hun arbeidsparticipatie neemt toe, maar zoals vele jonge vrouwen worstelen ook Marokkaanse meisjes met de combinatie van werken met die andere ambities: huwelijk en moederschap.

Voorzitter was ondergetekende en discussant was Marjo Buitelaar van de Rijksuniversiteit Groningen. Marjo Buitelaar is antropologe en verbonden aan de vakgroep algemene godsdienstwetenschap van de Rijksuniversiteit Groningen. Zij doet onderzoek naar hoogopgeleide Marokkaanse vrouwen van de tweede generatie. Zij schreef onder andere het boek Ramadan, sultan van alle maanden en recentelijk het voorwoord in de Nederlandse vertaling van het boek van Amina Wudud De Koran en de vrouw.

Opvallend in het verhaal waren enkele dingen:
* Marokkaanse meisjes doen het helemaal niet beter met CITO-toetsen, maar juist slechter dan jongens;
* Na het derde jaar voortgezet onderwijs, halen zij de jongens in
* Op de arbeidsmarkt verliezen zij hun voorsprong omdat er zich dan ook andere prioriteiten aandienen zoals trouwen en kinderen krijgen.

Wat telkens terugkwam in het verhaal en ook in de uitvoerige en zeer beeldende reactie van Marjo Buitelaar (die putte uit haar onderzoek naar levensverhalen van succesvolle hoogopgeleide Marokkaanse vrouwen; die qua leeftijd net boven die van het Sterckx/Bouw onderzoek zitten), was dat de verhalen van de vrouwen heel erg het karakter hebben van opwaartse sociale mobiliteit. Daarmee zijn de verhalen ook erg herkenbaar voor autochtone vrouwen (en ook mannen hoor) die geemancipeerd zijn. Anja Meulenbelt wees later in de discussie op de dubbele emancipatie die decennia geleden voor autochtone vrouwen plaatsvond: emancipatie als vrouw, maar ook emancipatie van lagere klasse naar hogere klasse. Dezelfde vaak ambivalente gevoelens (succesvol maar ook enigszins vervreemd van de eigen achtergrond/familie, maatschappelijk succesvol maar moeilijk ‘aan de man’ kunnen komen) zijn bij zowel autochtone als allochtone vrouwen terug te vinden. Die ambivalentie vinden we eigenlijk ook terug in het onderzoek van Sterckx en Bouw. Buitelaar wees er daarbij, terecht, op dat het vraagstuk van de sociale mobiliteit een verschijnsel is dat zich dus niet beperkt tot één bevolkingsgroep. Met name het gevoel van veel mensen die hogerop zijn gekomen vanuit een lagere klasse dat ze een eenling zijn en er nergens echt bijhoren, is zeer herkenbaar en dat bleek ook wel uit de reacties van het publiek. Een andere zaak die meespeelt is de vaak beschermende houding ten opzichte van meisjes. Een gegeven dat ook niet typisch is voor Marokkaanse meisjes, maar kenmerkend is voor groepen in een migratiesituatie waar dan ook. Met name wanneer het gaat om de reputatie en toekomst (huwelijkskandidaat) is men erg beschermend (in sommige gevallen zo erg dat meisjes het als verstikkend kunnen ervaren). Speelt de etnisch en religieuze achtergrond geen rol? Toch wel. Zowel uit het commentaar van Buitelaar als Sterckx en Bouw kwam naar voren dat die ambivalente gevoelens door autochtonen worden benoemd als consequentie van die sociale stijging of als iets dat nou eenmaal zo is, terwijl Marokkaanse meisjes en vrouwen dat gevoel van er niet bij horen, toewijzen aan hun religieuze en culturele achtergrond. Dat komt omdat ze er door anderen op worden aangesproken en door wat Buitelaar ‘nestgeur’ noemt. Uit een artikel in De Volkskrant:

‘Vertrouwd is prettig, vreemd kan verwarrend of bedreigend zijn’, zegt massapsycholoog dr. Jaap van Ginneken (Universiteit van Amsterdam). ‘Vanaf het meest basale, chemische, dierlijke niveau – de eigen nestgeur stelt gerust terwijl vreemde geuren door onbekende eetgewoonten of andere lichaamsgeuren onrustig maken – tot de voorstelling over hoe de wereld zou moeten zijn, samengebald in ideologieën als zou de christelijke samenleving het toppunt van beschaving zijn en de islamitische barbaars.’ (mijn curs.)

De nestgeur en het aanspreken van anderen op de religieuze of culturele achtergrond, maakt dat er een soort denkschema wordt geactiveerd waardoor men gevoelens, handelingen gaat verklaren uit één bepaald repertoire; in dit geval een religieus of etnisch repertoire. Voor andere verklaringen is men blind; iets wat we tegenwoordig zowel bij moslims als niet-moslims kunnen terugvinden. Bijna alles wordt verklaard vanuit de islam en Buitelaar doet dan ook een beroep op mensen dat we ons er niet toe moeten laten verleiden ambivalente gevoelens te verklaren door reli/ethno overwegingen, maar dat we ook moeten kijken naar meer algemene sociologische fenomenen zoals mobiliteit en migratie.

Ik mag dan wel van het ISIM zijn, maar ik ondersteun dat van harte.

UPDATE:
Anja Meulenbelt heeft op haar weblog ook een verslag (met foto’s): De keuzes van Marokkaanse meisjes (1)

Ook zij wijst op het feit dat er weinig nieuws onder de zon is:

Een bijeenkomst die me veel bevestiging gaf voor de gedachten die ik door de contacten met moslima’s al aan het vormen ben, en die me ook weer terugvoerde naar veel van de ontwikkelingen en de vorming van inzichten destijds, aan het begin van de vorige emancipatiegolf, dertig, vijf en dertig jaar geleden. Alsof alle grote thema’s in een wat andere vorm weer terugkomen.

UPDATE 2:
Anja Meulenbelt heeft een vervolgverslag op het eerste geschreven. Zij richt zich daarin onder andere op de partnerkeuze:

Er was, kortom, een scheefgroei op de ‘partnermarkt’. Aan de bovenkant goed opgeleide noderne vrouwen die geen gelijkwaardige partner konden vinden, aan de onderkant laag opgeleide en traditioneel ingestelde mannen die ook geen partner konden vinden. Voor dat laatste probleem was een oplossing: je zag de opkomst van de huwelijksbureau’s die bruiden gingen halen uit de Filipijnen en Polen. Importbruiden kortom, voor autochtone mannen.
Niets nieuws onder de zon dus.

De dilemma’s, ook hierboven al geschetst, komen terug:

Met de opleidingen van de meiden gaat het goed, zei Leen Sterckx. Ze halen nog niet het gemiddelde van autochtone jongeren, maar het gaat snel. Na drie jaar voorbereidend onderwijs doen de meisjes het beter dan de jongens. Maar dan. Dan breekt een nieuwe fase aan waarin de spanning tussen de twee idealen gaat spelen, het ideaal van een goede opleiding en baan, en het ideaal van een goed huwelijk en kinderen. Dan komt de vraag: doorleren of de huwelijksmarkt. Doorstuderen is een legitieme manier om een huwelijk nog even uit te stellen, maar hoe langer je wacht, hoe moeilijker het gaat worden om een geschikte partner te vinden.

En ook hier:

Wat de Marokkaanse meiden meemaken is dus veel meer en veel gecompliceerder dan alleen ‘integratie’, gezien als een rechte lijn van een ‘achterlijke’ cultuur naar een ‘progressievere’. Door elkaar spelen een aantal thema’s: die van sekse (partnerkeuze), die van klasse (migrantengezin), die van een plaats moeten vinden in een dominante cultuur (etniciteit en religie). Elke stap voorwaarts gaat gepaard met dilemma’s, met een spanning tussen eigen vrijheid en de loyaliteit aan de ouders en de gemeenschap, met keuzes tussen huwelijk en baan, met keuzes tussen traditie en een nieuwe vorm, al of niet met behoud van religie. En met de vraag bij wie je hoort, waar je bij hoort. En dus: wie je zelf bent, wie je zijn wilt en wat je daar voor over moet hebben.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*
*
Website