Op 27 november publiceerde Geert Mak ‘een kleine geschiedenis van november‘ over Nederland van en na Van Gogh. Een zeer interessant en lezenswaardig stuk vooral als je in ogenschouw neemt dat het zo snel na de moord is geschreven. Goed, er zaten wel wat missers in, en niet iedereen deelde zijn kritiek op de term ‘moslimterrorisme’, maar ik vond het een goed stuk. Juist ook vanwege de kritiek op de term ‘moslimterrorisme‘.

Mijn verbazing was dan ook groot toen zijn pamflet Gedoemd tot kwetsbaarheid verscheen. Ongekend veel fouten (met groot enthousiasme gezocht door velen en gevonden dus ook)en zeer boude vergelijking tussen Submission en ‘Der ewige Jude’. Dat Mak stelt dat het hier om een technische vergelijking gaat en hij beide films niet op het zelfde plan plaatst, ok daar ga ik in mee aangezien dat ook wel mijn indruk was bij het lezen van dat (overigens zeer kleine) deel. Probleem is natuurlijk dat hij daarmee de schijn wekt dat het een neutrale vergelijking is en dat is het niet. WOII en de nazi’s vormen een soort moreel ijkpunt, een brandpunt van alles wat slecht is en iedere vergelijking krijgt dat automatisch mee.

Nu is er dan eindelijk zijn reactie o p schrift en bij het programma Rondom Tien. Oordeel zelf maar:

NAGEKOMEN FLESSEPOST – GEERT MAK

In het begin van de jaren dertig publiceer­de de Oostenrijkse schrijver Robert Musil een persoonlijke geschiedenis van de Donau­monarchie die wereldberoemd zou worden: De man zonder eigenschappen. Daarin beschrijft hij, het is een van de vele hilarische scenes, hoe in het voormalige Oostenrijks-Hongaarse leger de oefening ‘bevel doorgeven’ – een zachtjes uitgespro­ken order moest van de ene ruiter naar de ander worden doorge­fluis­terd – altijd weer in de soep liep. Werd vooraan de colonne bevolen: ‘De wacht­meester moet voorop rijden,’ dan kwam er achteraan steevast iets uit als: ‘Acht wachtmees­ters voor de kop schie­ten.’

Een dergelijk lot dreigde de afgelopen weken ook mijn pamflet ‘Gedoemd tot kwetsbaarheid’ te treffen. Natuurlijk wist ik wel zo ongeveer wat er ging gebeu­ren, in dat opzicht was ik een weerman die zijn weerscheepje bewust naar de door hemzelf beschreven storm had gestuurd. In bepaalde kringen werd mijn ge­schrift de hemel ingeprezen, anderen stortten as en schillen over me heen.

Er waren er die de gebeurtenissen tijdens het najaar van 2004 met volstrekt andere ogen bekeken. Ze zagen in mijn pamflet het starre denken uit de jaren tachtig en negentig alweer terugkomen, ze vonden mijn vergelijkingen met de jaren dertig onge­past, voelden zich zelfs beledigd. Dat valt te begrijpen, het ging hier perslot om een klassiek schotschrift, en ik was ook niet altijd even aardig.

Soms had ik echter ook de indruk dat er krachten speelden die niets meer te maken hadden met intellectuele en professio­nele kritiek. Met een publieke geseling werd simpelweg een nieuwe grens afgeba­kend, een nieuwe politieke correct­heid. Het blikveld deze critici beperkte zich vrijwel zonder uitzondering tot Neder­land en de Nederland­se situatie. Gaande­weg bekroop me zelfs het gevoel dat er in sommige kringen wellicht een misdruk van mijn pamflet circuleer­de waaruit enkele tientallen pagina’s waren weggeval­len. Het waren de passages waarin ik uitvoerig inging op de internatio­nale contekst van de moord op Van Gogh, de merkwaardige moderniteit van zijn moordenaar Mohammed B., de mondiale cultuur­breuk tussen platteland en stad, de slachtoffer­cultuur en de zuiverheids­idealen die radikali­serende islamiti­sche groepen gemeen hebben met de ultra-rechtse bewegin­gen in de jaren dertig, de privatise­ring van religie en met name de islam, de gevaren van terrorisme in combinatie met moderne wapentech­nieken, de manier waarop andere landen met de psychische schok­ken van publiek geweld plegen om te gaan, de eigensoorti­ge tolerantie en Verlich­ting van de Neder­landse cultuur, onze stokoude pacifice­rende traditie, enzovoorts, enzo­voorts. Als ik bepaalde critici las, leek het wel of ik de helft van mijn verhaal nooit had geschre­ven.

Van een pamflet moet iedereen vooral het zijne denken, dat is immers de bedoeling van zo’n geschrift. Doorgefluisterde onzin moet echter geen eigen leven gaan leiden.

Allereerst is er de mythe dat mijn pamflet ongeloof­waardig zou zijn omdat het ‘boordevol feitelijke onjuistheden’ zat. Nu valt er, in de vroegste drukken, inderdaad het nodige te corrigeren. Ik had de verkiezing van Pim Fortuyn gedateerd in het najaar van 2001. Moest zijn: begin 2002. Ik schreef: ‘Een maand later sprak een van de populistische leiders tegenover HP/De Tijd openlijk over zijn plannen: “Het beste voor een land is een goede dictator.’ Moest zijn: “Het beste voor dit land…” De gouden tondeuse voor grootste ‘landverra­der’ was niet door Van Gogh zelf uitgeloofd maar door een medewerk­ster van zijn website, Berna­dette de Wit. Goghs smakelijke verwensing jegens Paul Rosemöller – ‘Mogen de cellen in zijn hoofd zich tot een juichende tumor vormen…’ – vond niet plaats na de moord op Pim Fortuyn maar na de kwestie Tara Singh Varma. Najib en Julia was geen film maar een televisieserie. In Submission Part 1 trad Ayaan Hirsi Ali niet zelf op, maar werden haar teksten voorgelezen door een actrice. ‘”Nederland brandt!” riepen sommige kranten de ochtend na de moord.’ Twee­maal fout. ‘Nederland brandt!’ was de opening van Het Jour­naal, en het was kleine week na de moord. En inderdaad: Theo van Gogh lag niet dood op straat ‘in zijn blauwe jackje’ maar in zijn blauwe t-shirt.

Dat was het. Boordevol met, als ik me niet vergis, negen fouten. Haast. Ik heb mijn oppo­nenten ongetwijfeld een paar aangename uren bezorgd. Ze kregen immers een uitgelezen kans met dit afvalhout een vuurtje te stoken, een rookgor­dijn te scheppen, en zo de kern van mijn betoog aan het oog te ontrekken. Voor mijn lezers buig ik nederig het hoofd.

Er waren ook een paar dingen die me pas naderhand duidelijk werden – bijvoor­beeld rond het gedwongen verblijf van Ayaan Hirsi Ali in het buitenland. Ik beschreef Mohammed B. en zijn geestverwan­ten als een onderdeel ‘van een internationaal netwerk dat beschikte over de mankracht, het fanatisme en de organisatie om over heel Europa aanslag na aanslag te plegen.’ Dat zou ik nu niet meer zo stellig beweren. Aan de ene kant was er inderdaad sprake van een buitenlands contact, aan de andere kant duikt uit de nu vrijgekomen processtuk­ken niet bepaald het beeld op van een gezelschap professionele terroristen. Maar tegelijk was daar de brief die Moham­med B. op het lichaam van zijn slachtoffer had achtergelaten. Pas gaandeweg werd bekend hoe onversne­den antisemi­tisch die tekst was. De jodenhaat van deze islamofascisten had ik absoluut moeten signale­ren.

Voor sommige critici was dit lang niet genoeg. Dat leverde soms bizarre situaties op: ze waren zo gretig op jacht dat ze in hun ijver zelf weer in de fout gingen en hun onjuistheden nog eens bovenop die van mij stapelden. Nooit heb ik bijvoor­beeld de toestand in november 2004 vergeleken met Kris­tallnacht – de vergelijking is afkomstig uit een commen­taar van het Deense dagblad Politi­ken, en daar waar­schuwde men alleen maar voor ‘een scenario van de Kris­tallnacht’, wat echt iets heel anders is. Nooit heb ik de situatie van de Nederlandse moslims gelijkgesteld aan de vervolging van de Duitse joden aan de vooravond van de Tweede Wereld­oorlog, het is me echt niet in het hoofd geslagen – ik heb alleen bepaalde aspec­ten, met name uit de beginfase, vergeleken met de huidige situatie. Nooit heb ik ook willen beweren dat Theo van Gogh een antisemiet was – ik vind dat, ondanks zijn uitlatingen werkelijk niet, hij was een provo­cateur, geen jodenha­ter, dat zijn twee volstrekt verschillen­de dingen. Zo waren er nog een paar van die kwesties, maar, met alle respect voor mijn critici, zo vreselijk relevant was het verder nu ook weer niet.

Ingrijpender was de bewering dat ik de film Submission Part 1 ‘één op één’ (VVD-prominenten Luuk van Middelaar en Kees Berghuis in de Volkskrant) zou vergelijken met Der Ewige Jude van Joseph Goebbels. Volgens de schrijver Joost Zwagerman (Vrij Nederland) zou ik daarmee zelfs suggereren dat ‘de artistieke voel­hoorns’ van de makers van Submission ‘die van de bruin­hemd, de nazi, de fascist’ zouden zijn.

Waarover ging het in de passages waarop deze auteurs doelden? Niet om de vervol­ging van joden en andere minderheden op zich, maar om een eerdere fase, om de radicalise­rings­processen in taal en beelden dat daaraan vooraf gingen. De meeste voorbeelden betrok ik uit het Servië rond 1990 en de Weimar­republiek rond 1930 – zonder overigens te impliceren dat Nederland anno 2005 daar in alle opzichten mee te vergelijken valt, integendeel zelfs. In dát verband zag ik in Submission part 1 een narratief procédé aan het werk dat me sterk deed denken aan twee scenes uit Der Ewige Jude. Vervolgens schreef ik, en ik drukte me zo voor­zichtig mogelijk uit, juist om Theo van Gogh en Ayaan Hirsi Ali níet in een hoek te plaatsen waar ze helemaal niet thuishoren: ‘Zonder dat de makers dat waar­schijn­lijk beseften hanteerden ze, bijvoorbeeld, hetzelfde schema dat Joseph Goebbels in 1940 toepaste in zijn beruchte film Der Ewige Jude: het tonen van weerzin­wek­kende beelden van het jodendom met daarnaast – in dit geval ook nog eens gefingeerde – citaten uit de talmoed. Met de excessen van een handvol figuren kunnen zo in één klap alle aanhangers van een religie te kijk worden gezet. Het is en blijft een simpele en zeer effectieve propagandatruc.’

Dat was alles. Ik had het dus over één vormovereen­komst tussen beide films, en het enige wat ik zei was: kijk daarmee uit. Als je excessen en heilige teksten aan elkaar koppelt ontstaat immers maar al te gemakkelijk de suggestie dat alle aanhangers van zo’n godsdienst zich zo mogen of zelfs moeten gedragen. Natuur­lijk stelde ik Submission inhoude­lijk niet op één lijn met Der Ewige Jude – Submission is, ondanks alle mogelijke bezwa­ren, een wonder van bescha­ving in vergelijking met de smeer­troep van Goebbels. En geen seconde haalde ik het in mijn hoofd om beide makers van eerstge­noemd filmpje te vergelij­ken met Goebbels zelf, alleen al het idee is te dwaas voor woorden. Zelfs met een flinke dosis kwade wil kon nergens uit deze alinea een dergelijke conclu­sie worden getrokken. Het ging me enkel en alleen om een vormschema.

Daarbij kom ik op een andere vraag: mag je zulke vergelijkingen sowieso maken?

Mag je een film, gemaakt door en voor daders, vergelijken met een film die gemaakt is door en voor slachtoffers? Een aantal lezers schreven dat Ayaan Hirsi Ali toch vooral probeert om onrecht tegen moslimvrouwen te bestrijden. Ze doet dat met een onhollandse hartstocht, maar ze strijdt niet tegen een volk vanwege een vermeend ras, laat staan dat ze oproept tot hun uitroeiing. Daar zit veel in. Hirsi Ali mag de orde binnen de Neder­landse politiek verstoren, voor een gedeelte is dat wel degelijk een gezonde onrust. Enkel door haar aanwezig­heid, door de perma­nente bedreiging waarin ze moet leven, is ze midden in het Nederlandse politieke centrum, dag na dag, een levende demonstra­tie van de intimidaties waaronder moslimvrouwen en -meisjes in de achterkamers van Geuzen­veld soms moeten leven. Ze is werkelijk een slachtoffer. Maar tegelijk is ze ook een lid van de Tweede Kamer, en niet zomaar een Kamerlid. Ze loopt vooraan, ze doet krachtige uitspraken en ze draagt daarmee bij aan een stem­ming waarvan anderen – onbedoeld, daar twijfel ik niet aan – het slachtoffer kunnen worden. En in die rol kan en moet ze worden aange­spro­ken. Trou­wens, ook slachtoffer­schap geeft geen vrijbrief om maar van alles te suggere­ren.

Veel hangt samen met in de verschillende manieren waarop je naar het verleden kunt kijken. Is de geschiedenis vooral een verhaal van moraliteit, van het geven van rekenschap, van het goede en het slechte door alle tijden heen? Of is de geschiedenis bovenal een verhaal van mensen, van politieke en sociale processen, van het dagelijkse bestaan, van menselijke kracht, zwakheid en kwaadaardigheid? Anders gezegd: blijven we demoniseren, of beginnen we langzamerhand ook te historiseren?

Zo’n rolverdeling in daders en slachtoffers moet ook in dat licht worden gezien. Die is namelijk van nú, van achteraf. De joden vormden geen enkel probleem binnen de Duitse samenleving, in tegenstelling tot sommige immigrantengroepen in het huidige Nederland, maar de toeschou­wers van deze nazi-films beschouwden zichzelf wel degelijk als slachtoffer. De propagan­da joeg die gevoelens verder aan. Voortdurend werden de joden beschouwd als een economi­sche en sexuele bedreiging voor de westerse beschaving – en in sommige propa­gandafilms werd die opvatting ondersteund met allerlei statistieken over drugs, prostitutie en crimina­liteit. In 1939 werd zelfs het woord ‘anti-joods’ in de ban gedaan, en vervangen door de term ‘verdediging tegen joden’. Dat gevoel van slachtoffer­schap was, opnieuw, volstrekt ten onrechte, maar voor het bestuderen van deze propaganda­tech­nieken maakt dat niet uit. Daarvoor moet je beelden en taalgebruik juist voortdu­rend in de eigen tijd zetten, in de stemming die toen heerste, hoe bizar en weerzinwek­kend soms ook in onze ogen. Waar het immers werkelijk om gaat is de altijd nog brandende vraag: hoe was het in hemelsnaam mogelijk dat niet alleen idioten en schoften, maar ook aardige, redelijke, fatsoenlijke mensen, brave burgers van het land van Schiller, Kant, Bach, Brecht en Rathenau, betoverd werden door dit bederf.

Van alle kanten wordt, zeker in deze tijden van herden­king, bena­drukt dat we onze lessen moeten trekken uit de geschiedenis. Dat is waar, al moet daarbij altijd de nodige voorzichtigheid worden betracht: het gaat soms om gevoelige zaken en de verschil­len tussen heden en verleden blijven gevaarlijk groot. Weimar rond 1930 en Servië rond 1990 waren oneindig veel instabieler dan de oude Nederland­se burgerdemocratie rond 2005, en de mate van gewelddadigheid was onvergelijk­baar groter. Maar tegelij­ker­tijd moet je, al wordt je dat niet in dank afgeno­men, soms alarm slaan wanneer zich sociale en politieke ontwikke­lingen voordoen die onaangename gelijkenissen beginnen te vertonen met soortgelijke processen in het verle­den: het toeschrijven van de misdragingen van enkelingen aan alle leden van een minder­heids­groep, het herleiden van alle tegenstellin­gen te herleiden tot religieuze kwes­ties, het uithollen van de rechtsstaat, het exploiteren van angst. Niet om bepaal­de publieke figuren zwart te maken, niet om de valse suggestie te wekken dat alles precies weer zo zal verlopen, wel om op te roepen tot alertheid.

In het Neder­lands Dagblad van 26 maart j.l. vergeleek de oerdege­lijke Britse histori­cus Richard Overy het Ameri­kaanse vijandbeeld ‘terro­rist’ in Irak met de nazi-propaganda over de bolsjewisti­sche terreur tijdens de Duitse opmars in 1941 door de Sovjet-Unie. Daarmee stelde hij de beestachtige oorlog aan het Oostfront geens­zins op één lijn de Ameri­kaanse strijd in Irak, laat staan dat hij in George W. Bush een soort Adolf Hitler zag. Hij trok deze vergelijking enkel om, zoals hij zelf zei, eenzelfde methode van argumente­ren duidelijk te maken: met terroristen mag je alles doen, ze zijn ontmenselijkt.

Iets soortgelijks gold voor de voorbeelden die ikzelf noemde. Als dit soort parallel­len niet kunnen of mogen worden getrok­ken uit angst voor ‘demoniseren’, als het taboe blijft bestaan om te wijzen op bepaalde overeen­kom­sten, dan wordt ieder leerpro­ces uit deze periode geblok­keerd. Sterker nog: het tijdvak 1930 – 1945 wordt zo als het ware uit de historie gelicht, als een unieke situatie die goddank nooit meer zal terugko­men. Die geruststellende opvatting deel ik niet.

‘De strijd tegen het antisemitisme moet uitgroeien tot een onderdeel van de strijd tegen alle soorten racisme, of die nu gericht is tegen de moslims in Europa, de zwarten in Amerika, de Koerden in Turkije, de Palestijnen in Israël of de buitenlandse arbeiders die overal zijn,’ schreef het voormalige Israëlische parle­mentslid Uri Avnery onlangs bij de zestigste herdenking van het einde van de Holocaust. ‘De lange geschiedenis van de joden als de slachtoffers van een moordadige vervolging moet niet tot gevolg hebben dat we ons hullen in een deken van zelfmedelijden, maar moet ons, integendeel, stimuleren om het voortouw te nemen in de wereldwijze strijd tegen racisme, vooroordelen en stereotypen die beginnen door de aanhitsing van kwaadaardige demagogen, en die kunnen eindigen in genocide.’

Avnery zet het hier zwaar aan, zo hoeft het lang niet altijd af te lopen. De nazi’s zullen niet meer opstaan, Goebbels en de zijnen waren typisch mensen van hun tijd, dat komt allemaal nooit meer terug, althans niet in de toenmalige vorm. Maar bepaalde politieke en maatschappelijke proces­sen kunnen zich wel herhalen, altijd weer: de radicalise­ring van het debat, de stigmatise­ring van bepaalde minderheden, de koortsige sfeer waaruit de ene hype na de andere voortvloeit – in Weimar maakte men zich zorgen over ‘de verslaving aan onrust in de publieke sector’ – het gevoel van onmacht en rechte­loos­heid dat daaruit voort­vloeit bij de slachtof­fers.

Er bestaat, kortom, een fundamen­teel verschil tussen het demoniseren van tegenstanders, en, aan de andere kant, het analyseren van gedragspatronen van leiders en volge­lingen, het bestuderen van de contekst van hun woorden en daden, en het zoeken naar de mogelijke betekenis van dit alles in de huidige tijd. Het eerste mag nooit gebeu­ren, tot het tweede blijven we ver­plicht, ieder op zijn eigen wijze.

‘De geschiede­nis herhaalt zich nooit,’ schreef ik letterlijk in mijn pamflet. ‘Wat we wel weten, uit onze bittere ervarin­gen als Europeanen, is dat zulke radicalise­ringsprocessen alle kanten op kunnen vliegen.’ Dát is de essentie. Wat alle doorfluisterende wacht­meesters ook verder roepen.

***

Mijn Belgische vriend Pierre belt op uit Kreta: ‘Welke wending heeft uw zinloos bestaan nu weer genomen?’ Zijn schaterlach schalt door de telefoon. Via de satelliettelevisie dringen Nederlandse beelden zelfs tot zijn kluizenaarsrots door. ‘Wat is er in hemelsnaam bij jullie aan de hand? Wat maakt jullie zo anders dan ons?’ Hij somt de Belgische problemen op: ook grote hoeveelheden nieuwko­mers, ook een afkalven­de verzorgingsstaat, plus nog eens een veel sterker georganiseerd extreem rechts. Wat maakt het verschil? ‘Wij hebben niet alleen problemen met de immigratie, we hebben ook problemen met onszelf,’ aarzel ik. ‘We moeten onszelf hervin­den. Jullie zijn een paar decennia geleden al door die fase heenge­gaan, toen België bijna uiteenviel tijdens de taal- en schoolstrijd. Dat was jullie vuurproef. Wij zijn nu aan de beurt.’ ‘Hou toch op,’ zegt Pierre. ‘Jullie grootste probleem is jullie eindeloze woor­den­gymnastiek. In Frankrijk steken ze elkaar dood, om de haverklap heb je daar te maken met een racistische moord. Maar jullie zijn dol op godsdiensttwis­ten, theologische ruzies, daar kunnen jullie niet genoeg van krijgen, dat houdt bij jullie nooit op.’

Precies daar ligt mijn probleem met de open brief die Leon de Winter, schrijver en adjunct fellow bij het Amerikaanse Hudson Institute, in NRC/Han­delsblad publiceerde. Zijn visie komt erop neer dat we in de kern niet te maken hebben met een reeks vraagstukken van immigratie en integratie, maar met een godsdien­stig conflict. Terwijl ook moslims roepen om moderni­sering van de islam, propageer ik, zo meent De Winter, precies het tegenovergestelde: ‘Je houdt de schuld van de problemen waarmee de grootste meerderheid van de moslims kampt bij het westen, en daarmee houd je onze eigen moslims in hun achterstand gevangen, doordat je het bezigen van kale, harde zelfkritiek – het begin van elk veranderingsproces – ontmoedigt.’

Hij citeert daarbij met instem­ming de vooruitstrevende Canadese moslima Irshad Manji, die de moslims in het Westen de elementaire vraag voor de voeten gooit: ‘Blijven we geestelijk infantiel, toegevend aan de culturele druk om je mond te houden en je te conformeren, of zullen we rijpen tot volwaardige burgers die de pluriformiteit verdedigen die ons toestaat in dit deel van de wereld te leven?’ En vervolgens houdt De Winter een uitvoerig betoog over de starheid waartoe de islam in veel landen heeft geleid, met cijfers die ik maar al te goed ken, en die er inderdaad niet om liegen: ‘Het is niet niks wat Manji in die ene zin stelt: moslims zijn geestelijk infantiel, zijn bang om hun mond open te doen en bezwijken onder culturele druk.’ Het ziet er, kortom, in de ogen van De Winter niet best uit, en dat komt allemaal door de moslims die monomaan in hun verouderde denkwereld blijven ronddraaien, zoals bedevaartgangers in Mekka ‘in verheven aanbidding in cirkels rond een zwarte steen lopen’.

Nu is Irshad Manji heel bewust moslim gebleven, ze noemt zichzelf Muslim-Re­fusenik en ze heeft een hoogst interessante ontwikkelingsgang achter de rug. Manji is, in haar moslim-moderniteit, dus een wandelend voorbeeld van het tegendeel van wat De Winter beweert. De Winter volgt in werke­lijkheid dan ook de gedachten­lijn van iemand anders: de invloedrijke histori­cus Bernard Lewis, die de culturele stagnatie van de Arabische wereld groten­deels verklaart uit de islam. In zijn ogen is dat altijd een starre, intolerante, totalitaire agressieve en antiwes­terse gods­dienst geweest, die nooit in staat zal zijn tot enige vorm van modernise­ring.

Die visie is in strijd met de histori­sche werke­lijkheid. Denk maar aan de schoon­heid en de intellectuele kracht van de vroege islam (Grenada, Cordoba), de snelle modernise­ring van het Ottomaanse rijk aan het eind van de 19e eeuw, de indivi­dualisering van de hedendaagse islam, de begin­nende ontwik­keling van een typisch Europese islam, de moderniteit waarin miljoenen ontwikkelde moslims in Indonesië, Maleisië, Turkije, Iran en de Arabische wereld allang hun weg hebben gevonden. Hier gebeurt iets heel anders, hier wordt – Michiel Leezen­berg signaleert het terecht in zijn recente bespre­king van Lewis’ werk in NRC/Handelsblad – de Koude Oorlog simpelweg voortgezet met andere middelen: de islam speelt voor publicisten als Lewis en de Winter eenzelfde rol als vijand van het moderne liberale westen als eerder het communis­me.

Het wordt in de huidige tijd echter wel heel moeilijk om het idee van een eeuwige verstarring vol te houden. In de Arabische wereld is op dit moment van alles in bewe­ging. Satellietzenders als Al-Arabia en Al-Jazeera, met zo’n 40 tot 60 miljoen regelma­tige kijkers, stellen dag in dag uit openlijk kwesties ter discussie die nog maar een paar jaar geleden niemand durfde opperen. Zwaar gesluierde Saoedische vrouwen zien hoe elders vrouwen vrij op straat lopen en in auto’s rijden, en niet in het verderfelijke westen, maar het nabije Dubai. Syriërs en Egyptenaren merken dat echte verkiezingen niet alleen kunnen plaatsvinden in Europa, maar ook in hun buurlanden Irak en Palestina. Overal worden op dit moment vaste patronen doorbroken – en het einde is nog niet in zicht.

Of dat trouwens voor het westen allemaal even gunstig zal uitpakken is de vraag. Algerije, waar vrije verkiezingen uiteindelijk leidden tot een halve burgeroorlog, is en blijft een schrikbeeld. Bij werkelijke vrije verkiezingen is het goed mogelijk dat de islamisten het ook prima zullen doen in landen als Libanon, Egypte, Jordanië en de Pale­stijnse gebieden. Niet omdat de bewoners van deze landen zulke fanatieke moslims zijn, maar omdat de religie voor miljoenen ontrechte en vergeten burgers als enige uitdrukkingsmogelijkheid is overgebleven.

‘Reli­giekritiek helpt niet,’ concludeerde Elsbeth Etty trefzeker. Voor moslims betekent hun geloof namelijk iets anders dan verouderde normen en waarden: devote toewij­ding en broeder­schap. ‘In dezelfde trant kun je tegen rooms-katho­lieken zeggen: jullie geloof in de onfeilbaarheid van een zieke oude man in een jurk, hoe kunnen jullie ooit democraten zijn? Maar zij zullen terug­zeggen: God is liefde.’

Dat is het niet alleen. Er vallen namelijk ook vragen te stellen bij de aard van onze eigen, verlichte, westerse samenleving. Ik zie de problemen van een radikalise­rende islam en slecht integrerende immigranten net zo scherp als De Winter. Volgens mij ligt het de oorzaak echter niet bij de godsdien­stige verschil­len, maar vooral in de cultuur­breuk tussen platteland en stad – de meeste moslim-immigranten uit Istanbul integreren in Amsterdam vrijwel even snel als katholie­ken uit Milaan of Rome. Ik proble­ma­ti­seer boven­dien onze eigen samenle­ving. Niet om ‘met de ultieme dooddoener vernedering’ (De Winter) de gemak­zucht van sommi­ge immigranten te veront­schuldi­gen – nergens valt dat uit het pamflet en mijn andere beschouwin­gen over dit onderwerp af te leiden -, wel om een paar vragen te stellen bij al onze vanzelf­sprekendheden. Ook het westen heeft immers met aanpas­singsproblemen te kampen, ook Nederland is niet meer een roestvrij­stalen zekerheid.

De Amerikaanse terrorisme-expert Jessica Stern, die een aantal religieuze terroristen – christelijke fundamentalisten in Oklahoma, islamitische jihadi in Pakistan, gewelddadige joodse messianisten – uitvroeg over hun motieven, sprak van een permanent patroon. In vrijwel ieder gesprek kwam één woord telkens weer terug: vernedering. ‘Verne­dering – op nationaal of individu­eel niveau – blijkt een van de grootste risicofacto­ren te zijn,’ zo concludeert ze in haar studie ‘Terror in the Name of God’. Het grootste probleem is volgens haar de verleide­lijkheid van religieuze radicali­sering, als alternatief voor alle problemen, ontwor­teling en eenzaamheid van de huidige westerse samenleving. ‘Het martelaar­schap – de extreme daad van heldendom en overgave aan God – brengt de ultieme ontsnap­ping aan de dilem­ma’s van het leven, in het bijzonder voor individuen die zich intens ver­vreemd en verward voelen, en vernederd of wanho­pig.’ Om Mohammed B. in een van zijn brieven te citeren: ‘Geen discussie, geen demon­stratie, geen optocht, geen petities, slechts de dood zal de Waarheid van de Leugen doen scheiden.’

Het terrorisme en radikalisme waarmee we in deze jaren worden geconfronteerd lijkt dus in niets meer op het politieke radikalisme van de jaren zestig en zeven­tig. Het is nu, schrijft Stern, vooral een antwoord op het ‘grote gat in de vorm van God’ (Sartre) dat in de seculiere westerse cultuur is ontstaan. Radikale godsdien­stige groepen reageren op die leemte in de westerse levenshouding met woede, vooral jegens uitingen van moderniteit: tolerantie, gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen, moderne wetenschap, geestelijke vrijheid. Hun zondebokken varieren van anti-abortusartsen tot moderne theolo­gen en voorvechtsters van vrouwen­emancipatie. Amerikaanse homo-activisten krijgen regelmatig doodsbe­dreigin­gen van christe­nen, die zwaaien met Leviticus 20:16: homo’s ‘begaan een gruweldaad’ en moeten ter dood worden gebracht. Maar het kan ook de vreemde­ling zijn, die staat voor het kwade. In de Verenigde Staten neemt bijvoorbeeld onder diezelfde miljoenen fundamen­talis­tische christenen ook de vijandschap tegen moslims snel toe. De New York Review of Books (24/3/2005) citeerde een paar van hun leiders: ‘De islam is een intolerante godsdienst – en het is duidelijk aan wiens kant we moeten staan in het Midden-Oosten.’ ‘Allah en Jehova zijn niet dezelfde God. De Islam is een Satanische religie.’ ‘Wordt wakker, wordt wakker. Moslims zullen hun godsdienst uiteinde­lijk aan ons allen opleggen!’ Voor deze christenen is het overduidelijk dat de Eindtijd nadert, dat de grote eindstrijd zal plaatsvinden in het Midden-Oosten, en dat moslims daar een centrale rol in zullen spelen.

In West-Europa vinden dergelijke opvattingen, ook onder de meest orthodoxe protestanten, nauwelijks weerklank. Integendeel. Ondanks het onbegrijpelijke zwijgen van de Raad van Kerken is er een groeiende solidariteit voelbaar. Christenen begrij­pen, vanuit hun traditie, de onderliggende waarden van de islam veel beter dan niet-gelovi­gen, en de dilem­ma’s van moslims binnen de moderne samenleving zijn hen maar al te goed bekend.

Nederland heeft vanouds een grote religieuze pluriformiteit gekend – in tegenstel­ling tot de landen met één protestant­se staatskerk zoals Zweden, Dene­marken, Engeland en Schotland. Tolerantie was altijd al het smeermiddel van onze samen­leving – zelfs al was die fameuze eigenschap in werkelijkheid vaak weinig anders dan verpakte lafheid en onverschilligheid. Katholieken, lutheranen, doopsgezinden en calvinisten in alle soorten hebben, ondanks hun diepe geloofs­verschillen, elkaar altijd een plaats geguind. Alleen degenen die dat systeem zelf aanvielen – zoals de wederdopers in de zestiende eeuw en de radikale moslimfun­damentalisen nu – werden zwaar ver­volgd. Dat verzet tegen radikale uitwassen mag echter nooit leiden tot de vorming van een nieuwe staatsgodsdienst, een algemene godsdienstige moraal die in deze tijd vooral ‘verlicht’ en ’seculier’ van karakter zou moeten zijn. De roep daarom is volstrekt in strijd met onze plurifor­me religieuze traditie. In orthodox-christelij­ke kringen maakt men zich zelfs al bezorgd over het ontstaan van een ’seculiere theocra­tie’. Of, zoals een redacteur van een orthodox dagblad tegen me zei: ‘Vandaag lokt de minister van Integratie een handdruk-incident uit met een orthodoxe moslim, over een jaar kakelt ze erdoorheen als ik even voor mijn boterhammetje wil bidden.’ Het gaat hier, kortom, niet meer om een botsing tussen de waarden van het westen en de islam, maar tussen seculariteit en religie in haar algemeenheid.

Deze zelfde Irshad Manji sprak in dit verband over het ontstaan van een nieuwe ‘post-Verlichtings moderni­teit’ in West-Europa. Ze begreep heel goed dat seculiere Europea­nen zich zorgen maakten over het voortbestaan van de grond­waarden van het seculiere humanis­me, die sinds de Verlich­ting in Europa de toon hadden gezet. Maar aan de andere kant, schreef ze, was het wel zo logisch en terecht dat de seculieren zich, in deze nieuwe situatie, nog altijd lieten leiden door hun oude trauma’s met het het Vaticaan en de protestantse staatskerken? In haar woorden: ‘Ook het secularis­me kan dwepe­rig zijn, missionair – durf ik het te zeggen, religieus’?

Ondertussen zijn de gevolgen van deze heilloze polarisatie voor iedereen merk­baar. Er wordt gepraat over ‘Nederlanders’ en ‘moslims’ terwijl het maar al te vaak gaat om mensen die hier geboren zijn, de Nederlandse nationali­teit hebben, met een Zwols of een Leids accent spreken, mannen en vrouwen die hier al hun leven lang werken, leven, gezinnen stichten, wijn en pils drinken, en soms zelfs literaire prijzen binnensle­pen. Op scholen vormen zich weer groepjes, jongeren uit immigranten­gezinnen klitten opeens samen, kinderen uit volstrekt seculiere, anti-fundamenta­lis­tische gezinnen praten plotseling vol sympathie over Moham­med: ‘Mo is cool’. ‘Nooit heb ik enige sympathie gevoeld voor de islam,’ zegt een vriend uit Iran. ‘Ik ben uit mijn land gevlucht voor de ayatollah’s, ik heb alle fundamentalistische ellende aan den lijve meegemaakt. Maar ik ben opgegroeid in een warm huis, vol goede, waardi­ge en fatsoenlij­ke mensen. Moslims. Mijn ouders, mijn ooms en tantes. Als mensen hier praten over ‘achterlijk’ en ‘infan­tiel’ gaat het wel degelijk ook over hen. Ik zie hen voor me. En ik, totale seculier, voel me toch diep gekwetst.’ Hij voelt vlijmscherp aan waar het uiteindelijk om gaat: niet om de gods­dienst, maar om de uitstoting van de niet voldoende aangepaste nieuwkomer, om het eeuwige brandmerk ‘vreemdeling’.

***

In de schaduw van het nieuws promoveerde, diezelfde winter, de klimatoloog Henk van den Brink op het verschijnsel super­storm. Hij doelde daarmee op de zeldzame combinatie van twee stormde­pressies, een verschijnsel dat in toene­mende mate kan optreden als het klimaat verder verandert en waartegen zelfs onze perfecte zeeweringen mogelij­kerwijs niet zijn opgewassen. Vooral als tegelijk ook nog eens de zeespie­gel stijgt, onze bodem daalt en de rivieren ook niet al het regen­water aankunnen. Immigran­ten, moslim of niet, zullen vermoe­delijk sneller met de Nederlandse polderpro­blemen te maken krijgen dan hen – en ons – lief is. Samen op de dijken, het meest klassie­ke Nederlandse inburge­ringsmo­del, het kan zo weer uit de kast.

Dat neemt niet weg dat we de afgelopen winter ook met een soort superstorm te maken hadden, een samengaan van twee stormdepressies, eentje binnen de media en eentje binnen de politiek. Want waar ging het om?

Rond de jaren zeventig was in Nederland, net als elders in Westeuropa, een enorme beleidsfout gemaakt. Zonder een deugdelijke selectie, zonder een goede begeleiding, zonder programma’s om alle nieuwkomers in de Nederlandse gemeenschap te verwelkomen, was een enorme migratiestroom in gang gezet vanuit het Turkse en Marokkaanse achterland naar de Nederlandse grote steden binnenge­stroomd. De situatie was nog eens verergerd doordat de Neder­landse politici en bestuurders jarenlang weigerden te erkennen dat het hier ging om een permante toestand. Ook de meeste immigranten bleven hun verblijf hardnekkig beschouwen als een jaar na jaar uitgesteld vertrek. Dat vroeg om problemen, en die kwamen dan ook.

Toch kon, volgens het rapport van de parle­mentaire enquete­com­mis­sie onder leiding van de VVD-er Blok, uiteinde­lijk bij vier van de vijf nieuwko­mers gespro­ken worden van een redelijk succes­vol integra­tieproces. Bij een op de vijf verliepen de zaken minder voor­spoe­dig. Dat is twintig procent. En dat is veel, als je bedenkt dat het om grote groepen gaat die vooral in stedelijke concentraties leven.

De mate van inburgering was daarbij nog niet eens het grootste probleem, en de religie al helemaal niet. Als een immigrantenfamilie hard werkte, zichzelf bedroop en geen overlast veroorzaakte was hun aanwezigheid voor niemand een punt. Nogal wat Chinese winkeliers bij mij om de hoek woonden al decennia in Nederland, spraken nauwe­lijks de taal, leefden volko­men afgeslo­ten in de eigen gemeenschap, maar klachten hoorde je zelden.

Twee factoren vormden echter een zeldzaam ongelukki­ge combinatie, en dat gold vooral voor Marokkaanse Nederlanders: de anti-statelijke dorpscul­tuur waaruit veel voorma­lige Berberfa­milies afkomstig waren, en, aan de andere kant, de tolerante traditie van het postmoderne Neder­land. Het resultaat was – en is – niet zelden een samenge­pakte koek van familieproble­men die in de loop der jaren alleen maar groter was gewor­den: volstrekt onbenader­bare gezinnen die geen enkele band voelden met Neder­land, kostwin­ners die al decennia in het uitkerings­circuit rondhingen, kinderen die dezelfde weg opgingen, mannen die zich volkomen mislukt en miskend voelden, vaders en zoons die het als hun levenstaak zagen om hun dochters en zusters te bewaken, enzovoorts. In iedere eerste wereldstad bevindt zich zolangzamerhand een derdewereldstad waarvan de bewoners, in de woorden van de Britse diplo­maat Paul Schulte, ‘emotioneel heel ver teruggetrokken leven van de nationale publieke ruimte die hen omringt’, en waar gevaarlijke extremistische sekten in ontwortelde jongens en meisjes een gemakkelijke prooi kunnen vinden. Nederland kreeg ook zijn deel van dit mondiale vraagstuk.

In die contekst slachtte een Nederlands-Marokkaanse moslim-extremist op klaarlichte dag, midden in een drukke Amsterdamse straat, op beestachtige wijze een zeer bekende publieke figuur af.

Hoe reageerden de Nederlandse media en politici op deze schokkende gebeur­tenis? Op het geheugen wat op te frissen heb ik nog eens nagelopen wat er zoal uit de kranten­kiosken puilde, die eerste weken van november. Natuurlijk waren er De Telegraaf – ‘Afgeslacht!’; ‘Duizenden moslims juichen terreur toe’ -, HP/De Tijd – ‘Tijd om te emigre­ren?’; ‘Blije Marokkanen in de Linnaeusstraat’ – en nog zo wat uitschieters. Maar voorname­lijk werd die eerste dagen feitelijk nieuws gebracht. In de meeste kranten en nieuwsru­brieken was, net als onder grote delen van het publiek, direct al een duidelijke tendens tot mati­ging en pacifica­tie zichtbaar. Gelijk al werd erop gewezen dat het hier niet ging om een simpel geval van mislukte integratie. Integendeel, Mohammed B. was tot voor kort een voorbeeldig ingeburgerde jongere geweest en de stijl zijn brieven was die, in de woorden van koran-expert Fred Leemhuis, van ‘een Hollandse polderjongen’, die zijn funda­mentalistische teksten schreef ‘zoals wij Sinterklaas­rijm­pjes maken’. Leemhuis: ‘En dan realiseer je je dat het niet iemand is die tot de ‘zij’ behoort. Het is iemand die onderdeel uitmaakt van onze gemeenschap, die door en door Neder­lands is.’

Toch ging, in alle verwarring, de meeste aandacht al snel naar een kleine groep opinie­makers, degenen met de scherpst gekruide opvattin­gen. Dat gold met name ten aanzien van de moslim-minderheden in Nederland. Ons land kent niet zo’n sterke oriëntalistische traditie als bijvoorbeeld Frankrijk en Groot-Brittanië, en het werd al snel merk­baar. Met name de radio- en tv-makers hadden grote moeite om goedgebekte en tegelijk goed geïnfor­meer­de islam-kenners te vinden. Voortdurend traden dezelfde figuren op, merendeels uit de eerder genoemde school van Bernard Lewis, zodat een buitengewoon eenzijdig beeld van de islam werd geschapen.

In de normale rolverdeling tussen pers en politiek is het meestal de pers – nieuws! adrenaline! – die een kwestie aanjaagt, en zijn het de politici die de zaken nuanceren en sussen. De VVD-ers Berghuis en Van Middelaar suggereerden in hun Volkskrant-essay dat dit klassieke samen­spel tussen media, publiek en politiek zich ook de afgelo­pen winter voltrok: ‘Burgers zijn niet angstig. De samenle­ving als geheel reageert gematigde, constateerde de voorzitter van dee grootste liberale fractie op 11 november in de Kamer. Burgers zijn wel bezorgd over een aantal fundamentele bedreigingen van hun samenleving, en terecht. Gelukkig zijn er politici die daarnaar luisteren en zich de vraag stellen: hoe veel verder moet het nog komen, voordat onze liberale democratie haar weerbaarheid toont?’ Mijn pamflet vonden ze, in dat licht, ‘karaktermoord op politici die de Nederlandse samenleving in het juiste spoor willen krijgen.’ En moest ik er nu echt ‘de bruine jaren’ bijhalen?

Het probleem was echter, en daarmee ontstond dit jaar rond de Nederlandse moslims een publici­taire superstorm , dat de klassieke balans tussen adrenaline en pacifica­tie juist vanuit de politiek voortdu­rend weer werd verstoord. Binnen de VVD bestaat een geestelijke kloof die zolangzamerhand moeilijk is te overbrug­gen – en wellicht heeft de felle toon van mijn beide liberale opponenten daarmee te maken. De VVD is immers de partij van minister Verdonk, maar ook van de enqêtevoor­zitter Blok. Het is de partij van de bedachtzame stijl van het Liberaal Manifest, maar ook van voorlieden die een volstrekt andere toon aansloegen.

Een paar voorbeel­den. Het begon met minister Gerrit Zalm, die na de minister­raad van vrijdag 5 november voor RTL-Nieuws en Het Oog op Morgen zich de term ‘oorlog’ liet ontvallen. (Voor de liefhebbers van het mier­kleine detail: níet in het Journaal, en níet op 2 november, zoals Joost Zwagerman in Vrij Nederland beweerde. Zie de recon­structie in NRC/Han­delsblad 13/14 novem­ber 2004.) In de media was op dat moment de ergste storm alweer aan het luwen, maar uiteraard werd de ‘oorlogs­verklaring’ van de vice-premier gretig opgepakt. De openingskop van het Algemeen Dagblad, die zater­dag­ochtend: ‘Zalm: we zijn in oorlog’. In het programma Buitenhof, die zondag, refereerde VVD-voorman Frits Bolkestein lustig aan diezelfde ‘bruine jaren’. Hij vond de term ‘heilige oorlog’ wel op zijn plaats. Als ‘iemand die de Duitse bezetting heeft meegemaakt’ zag hij het als een onheilspel­lende ontwikke­ling dat ‘de moslims’ in de vier grote steden binnenkort de grootste bevolkings­groep zouden gaan vormen. Met, aldus Bolkest­ein, ‘alle gevoelens van intimidatie en onvrijheid van dien.’ Er werden datzelfde weekend door het hele land branden gesticht in moskeeën en islamiti­sche scholen, later ook in kerken. Die maandag probeerde een boze premier Balkenende de schade zoveel mogelijk te beperken, maar de toon was gezet.

Op woensdag 10 november belegerden, na een mislukte arrestatie, speciale eenheden van leger en politie veertien uur lang een pand in het Haagse Laakkwar­tier waarin zich een militant groepje moslim-radikalen had verschanst. Een aanzienlijk deel van de wijk werd ont­ruimd. De aktie werd live uitgezonden door de landelijke omroep. De lokale politici, van links tot rechts, deden alles om een verdere escalatie tegen te gaan, wellicht omdat ze dicht op de werkelijke proble­men zaten. Tegelijkertijd leken sommige landelijke politici het gevoel voor hun rol en positie te hebben verloren. De eerste dagen na de moord op Van Gogh trad VVD-minister Verdonk bijvoor­beeld nog rustig op. Met de haar eigen robuustheid waarschuwde ze dat de vreedzame meerder­heid van de moslim­bevolking niet de dupe mocht worden van de dagen van deze terroristen: ‘We zullen niet toestaan dat de moslimgemeen­schap wordt beschul­digd en buitengeslo­ten.’ Maar na twee weken ging het weer volop los. De Telegraaf bracht op maandag 15 november, over de hele voorpagina, de boodschap: ‘Moslims moeten niet zeuren. Minister Verdonk is slachtof­ferrol minderheden beu.’

Die dubbele stormdepressie was ook in de daarop volgende weken en maanden merkbaar. Toen een radikale Tilburgse moslim – na daartoe uitgelokt te zijn door de televisiepresenta­tor Andries Knevel – verklaarde dat hij het Kamerlid Geert Wilders wel graag dood had gezien, besloten een paar nieuwsredakties – onder andere van het Oog op Morgen – om de kwestie niet verder aan te blazen. Er was al turbu­lentie genoeg in het land. Het waren de politici die van het incident tot onont­koom­baar nieuws maakten, door de volgende ochtend, mede onder aanvoe­ring van de VVD, met een unieke solidari­teitsverkla­ring jegens Wilders te komen. Iets soortgelijks vond plaats rond een fatale confrontatie waarbij een Amsterdams/Ma­rokkaanse tasjes­dief het leven liet. Onmiddellijk mengde minister Verdonk zich op krachtige wijze in de meningsvorming: dit was volgens haar geen moord. Tegelijkertijd plaatste ze het hele incident in de contekst integra­tie/niet-integra­tie, Nederland/Marokko, onschuld/schuld. De vrienden van het slachtoffer deden dat ook, maar voor een verantwoordelijke bewindsvrouw was het in de gespannen situatie van dat moment hoogst onverstandig. En wat moet ik denken van de goedbedoelde maar zeldzaam onhandige opmer­king van diezelfde minister in Venray, waarbij ze onder andere zei dat ze ook eens ging kijken of ze Lonsda­le-kleding leuk vond? Voor jongeren, die ongelofe­lijk gevoelig zijn voor kledings­ymbolen, heeft zo’n opmerking immers een enorme betekenis. Of van VVD-minister Hooger­vorst, die tijdens een debat over orgaantransplanta­ties verklaar­de: ‘Met name moslims weigeren op religieuze gronden hun organen af te staan, maar willen die wel ontvangen als ze ziek zijn. Dat wringt.’? Als hij hetzelfde over orthodoxe joden had gezegd was de rel niet te overzien geweest. Of van zinsneden als van Berghuis en Van Middelaar zelf: ‘Hoeveel antisemitis­me, hoeveel homohaat, hoeveel jihadre­kruteringen, hoeveel afgebrande kerken en moskeeën kunnen wij verdra­gen?’

Woorden hebben een enorme kracht, maar hoe stond het met de daden? Opval­lend is hoe deze regering – de VVD-ministers voorop – met twee tongen spreekt. Aan de ene kant harde taal over eerwraak, uithuwelijking, vrouwenmis­handeling en andere excessen die in verband werden gebracht met de islam. Aan de andere kant steunt het huidige beleid nauwelijks de (vrouwen)groe­pen die daarbij in de frontlinie staan – en beknot hun werk soms zelfs, door hun subsidies af te bouwen in het kader van de zoveelste reorganisatie. Wat moet ik denken van stichtin­gen als Oemnia (die Marokkaanse vrouwen uit hun isolement proberen te halen) en Het Spiegelbeeld (steun aan Marokkaanse meisjes), broodnodige organisaties die van vrijwilli­gers aan elkaar hangen, maar nauwelijks het hoofd boven water kunnen houden? Of van de Vereniging Atalanta (bestrijding van handel in vrouwen, georga­niseerd door de slachtoffers zelf) waarvan deelnemers vaak in buitenge­woon moeilijke omstandig­heden leven en die vrijwel zonder een cent moet werken? Of van de stichting Kezban (tegen huiselijk geweld in moslimkrin­gen) waar de gangmaak­ster ontslagen is vanwege een of andere bezuinigingsronde in het welzijnswerk? En van al die soortgelijke gevallen?

Laten we wel wezen: hier wordt nauwelijks een beleid ontwikkeld, uitgaande van en gericht op de praktijk. Hier wordt bovenal een vijandbeeld geschapen. En een vijand schept angst. En angst schept macht.

We zijn er daarmee niet. Deze houding valt namelijk niet zo op, omdat er ook iets met onze samenleving aan de hand is. Kijk eens terug naar het verleden. In diezelfde jaren zeventig werd Nederland geconfronteerd met paar zeer ernstige terreurakties. Hele treinen en school­klassen werden langdurig werden gegijzeld, overheidsgebouwen werden be­stormd, het gebeurde herhaalde malen en er vielen meerdere doden. De schok was groot, maar van paniek was vrijwel nergens sprake, en toen alles voorbij was ging men al snel weer over tot de orde van de dag. De afgelopen winter bleef, na de gruwelijke moord op Theo van Gogh, de beroering maar doorgaan. De redactie van het Algemeen Dagblad smeekte, op de voorpagi­na, zelfs de koningin om het volk toe te spreken. ‘Haat verspreid zich als een veen­brand over het land. Moskeeën, kerken en scholen zijn doelwit van aansla­gen. Neder­land dreigt af te glijden naar een land van wij en zij, een land waar de angst regeert.’ Zoiets zou in de jaren zeventig ondenkbaar zijn geweest. De contekst waarbinnen deze terreurdaden plaatsvon­den, toen en nu, was duide­lijk veran­derd.

Een ander voorbeeld. Een maand geleden, op de 12e april, was het exact zesti­jaar geleden dat president Franklin Delano Roosevelt overleed. Dat die datum zo ongemerkt passeerde had, naar mijn gevoel, niet alleen van doen met de slijtage van de tijd. Het had ook te maken met een groeiende afstand in mentali­teit. Roosevelts denken is uit, voorbije tijden, beschimmelde idealen uit de vorige eeuw.

Toch is het de moeite waard zijn ‘State of Union’ van 11 januari 1944 nog eens na te lezen. Zijn gezondheid was toen al slecht, hij zat in een rolstoel, hij was de opperbe­velhebber in een oorlog die op dat moment op tientallen fronten over de hele wereld werd uitgevochten, en hij sprak over de vrede, over de wereld die er moest komen als alles voorbij was. Hij schetste daarbij een ‘Second Bill of Rights’, die voor iedereen zou gelden, iedere Amerikaan, maar liefst ook iedere wereldburger. Hij schetste rechten als: het recht van iedere familie op een behoorlijk huis; het recht op om genoeg te verdienen voor voldoende voedsel, kleding en ontspanning; het recht op bescherming tegen de financiële zorgen van de oude dag, ziekte, ongelukken en werkloosheid. En ook: ‘Het recht van iedere zakenman, groot en klein, om handel te drijven in een sfeer van vrijheid, zonder de oneerlijke concurrentie en dominantie van monopolies, thuis of elders.’

De Amerikaanse columnist Bob Herbert, aan wie ik het voorgaande ontleen, liet de tekst aan een jeugdige kennis lezen, opgegroeid in de wereld van Microsoft, Halliburton, Enron en George W. Bush. Ze was totaal verbluft: ‘Wow, ongelofe­lijk dat een Amerikaanse president zoiets ooit zou kunnen zeggen!’

Roosevelt sprak vanuit de geest van zijn tijd, eenzelfde geest die een handvol idealisten ertoe bracht om onder leiding van Jean Monnet het meest drieste vredes- en moderniseringsproject van na de oorlog aan te vatten: de vorming van een Europese Unie. ‘Er zijn,’ meende Monnet, ‘altijd twee soorten dyna­miek. De dynamiek van de hoop, en de dynamiek van de angst. Die laatste dynamiek leidt uiteindelijk altijd tot onder­drukking, geweld en zelfs oorlog. We hebben dus geen keuze.’

De laatste jaren bekruipt me soms het angstige gevoel dat we druk bezig zijn om die draad van hoop kwijt te raken, sterker nog, dat die dynamiek van optimisme ergens onderweg is omgeslagen in een cultuur van angst. En dat we daar zolang­za­merhand al zo aan zijn gewend dat we het niet eens meer merken. Neem de rede die minister Donner vorige maand hield voor een CDA-bijeenkomst over een nieuwe grond­wet, en waarin hij waarschuwde voor een Balkanisering van Europa als we niet voor de constitie zouden stemmen. Ik begrijp wat onze minister van Justitie bedoelt, de Europese Unie is inderdaad een vredesproject, het gaat me vooral om zijn toon: ‘Wie de toekomst op het spel wil zetten moet vooral tegen­stemmen.’ Monnet’s dynamiek van hoop is hier nergens meer te bekennen. Het is een toon van angst. ‘Het is oorlog.’ ‘De integratie is mislukt.’ ‘Een miljoen – in werkelijk­heid is het een kwart – moslims’. ‘De toegeno­men onveilig­heid.’ ‘Bezuinigin­gen.’ ‘Con­trole­ren.’ ‘Afrekenen.’ ‘Terroris­ten.’ ‘Nederland is een “failed state”‘ ‘Tijd om te emigre­ren?’

In werkelijkheid is er alle reden tot hoop, vooral als je achteraf bedenkt wat er in het afgelopen najaar allemaal níet is gebeurd. Er heeft zich een reeks racistische en anti-moslim incidenten voorgedaan, maar níet in de grote steden, waar de problemen het grootst zijn. Het land is níet in oorlog geraakt. Ultra rechts is níet doorgebroken – in de huidige peilingen scoren de groep-Wilders en navenante groepen opvallend laag, zeker gezien de omstandigheden. De integratie is níet mislukt – integendeel, het drama van het afgelopen najaar bracht nieuwe visies, mogelijkheden en kwalitei­ten naar boven. Nederland is níet een ‘failed state’, het is, ondanks alles, een welvarende, oerdegelijke burgers­amenle­ving waarvan de leden, zo bleek de afgelopen winter weer, zich niet snel gek laten maken.

Toch is, als je erop gaat letten is onze taal, ook mijn eigen taal, ook die van de overheid, volgeslo­pen met vrees, zorg en soms ronduit paniek. Ons eigen, positieve verhaal lijken we te verliezen. Inplaats daarvan duikt een negatieve variant op, dat van de machtige tegenstander, van de medo­genloze vijand, waartegenover we ons moeten aaneen­scharen, tot elke prijs.

Het voornaamste product van iedere terreurdaad – het woord terror zegt het al – is, behalve schade, bloed en dood, angst en nog eens angst. Iedere terrorist wil het liefste dat vanaf de plek van zijn daad golven van angst de stad inspoelen, en daarna het land, en dan het liefst de wereld. De grootste uitdaging, voor politie- en veiligheidsdiensten, maar ook voor burgers en politiek, is om die angstgolven te zoveel mogelijk beperken. Mohammed B. mag niet tevreden in zijn cel zitten. Het probleem is echter dat terreurdaden een almaar grotere, negatieve weerklank vinden, omdat ze als het ware resoneren in een al bestaande angstcultuur. Dat is niet een specifiek Nederlands vraagstuk, en het is ook niet iets van de laatste tijd. Een Britse socio­loog, de Kentse hoogleraar Frank Furedi, turfde het gebruik van de term ‘at risk’ in de nationale Britse pers tussen 1994 en 2000. In 1994 trof hij 2018 vermeldin­gen. In het jaar 2000 werd de term bijna negenmaal zo vaak gebruikt, 18003 vermel­dingen. De eerste versie van Furedi’s studie, ‘Culture of Fear’, werd al gepubliceerd in 1997. In Neder­land kwam de filosoof René Boomkens een jaar eerder al met een soortgelijke analyse: ‘De Angstmachi­ne’, uit 1996. De schokken­de gebeurtenis­sen van de laatste jaren, zoals de elfde septem­ber, Madrid, Fortuyn en Van Gogh, veroor­zaakten de gevoelens van angst dus niet, maar vielen in een al bestaand patroon, en verstrek­ten dat vervol­gens op allerlei manieren.

Angst heeft, kortom, in de moderne westerse samenle­vin­gen vreemde, ongrijpba­re propor­ties aangenomen. De angsten van vorige generaties waren dikwijls heel concreet, gebaseerd op per­soonlijke ervaringen met ziekte, dood, crisis, oorlog. Veel van onze angsten in de huidige tijd staan echter los van welke persoonlij­keervaring ook. Furedi spreekt over een almaar groeiende obsessie met veilig­heid, een angst voor het nemen van risico’s, waaruit een intellectuele, ideologi­sche en maatschappelij­ke verstarring ontstaat. Die nadruk op de gevaarlijke kant van het leven, schrijft hij, ‘dwingt de samenleving en de individuele burgers daarbinnen voortdurend om aspiraties te beteugelen en aktief handelen te beper­ken.’ Dat permanente terug­schroeven van verwachtingen heeft, uiteraard, grote gevolgen voor de levenshou­ding van jongeren, en voor onze toekomst in zijn algemeenheid. Er ontstaat zo een samenleving waarin slachtofferschap belangrij­ker wordt gevonden dat intiatief, moed en heroïek.

Wat heeft ons zover doen komen? Allereerst is daar de invloed van de allesom­vattende globalisering, de techniek, internet, televisie. We beleven de ontknoping van een gijzelingsaktie in Rusland alsof het om de hoek gebeurt, maar met de emoties die dat oproept kunnen we geen kant op. Wat blijft is een ondefinieerbaar gevoel van onveiligheid. Er is het ver­schijnsel verande­ring, dat de hele moderne samenleving is gaan domineren. Het gevolg daarvan is een wegvloei­en van vertrouwen en voor­spelbaarheid. Er bestaat maar al te vaak geen duidelijk­heid meer over het gedrag dat van de ander verwacht kant worden, of dat nu een buurtgenoot is of de overheid.

Vaak richt dit onbehagen zich allereerst op nieuwkomers en vreemdelingen, maar ook jegens het politieke circuit is het vertrouwen tot een historische dieptepunt gedaald. Terwijl de meeste Nederlan­ders redelijk tevreden zijn over hun bestaan, vindt meer dan tweederde van de bevol­king dat politici niet over de juiste kwaliteiten beschikken om Nederland te besturen. (Zie ondermeer ‘De grootste peiling ooit’, het gigantische McKin­sey onderzoek dat op 23 april j.l. in NRC/Handelsblad werd gepubliceerd.) Ook de onderzoeken van het Sociaal en Cultureel Planbureau stuiten de laatste tijd – zie onder andere De Sociale staat van Nederland 2003 – op een ondershuids vertrou­wensvraag­stuk dat gevaarlijk grote proporties heeft aangeno­men. Nooit signaleer­de het SCP zo’n grote veran­dering in zo korte tijd als op dit terrein: tussen 1999 en 2002 daalde het percenta­ge burgers dat vindt dat de overheid goed functioneert van 65 naar 35.

En tenslotte zijn er de werkelijke bedreigingen, varierend van economische onzekerheid tot en met criminaliteit, geweld, bedreigingen en mogelijk zelfs terrorisme. We zijn inderdaad kwetsbaar – ook letterlijk, fysiek. En we weten op dit moment ook zelf niet goed wie we nog zijn, in dat almaar vager wordende Europa.

***

Ik kreeg een brief van Adriaan van der Staay, voormalig directeur van het SCP. ‘Stel je voor,’ schreef hij me, ‘dat een Amerikaanse president na de verwoes­ting van het World Trade Center had gezegd: deze misdaad is ver­schrik­kelijk. Wij zullen de daders vinden en bestraf­fen, we zullen de meest betrokken landen Duitsland en Saoedi Arabië alle steun geven bij het opsporen van de complot­teurs. Wij zullen onze veiligheidsdiensten meer alert maken. Dit mag nooit meer gebeuren, voorzover wij bij machte zijn hieraan iets te doen.

Stel dat de Nederlandse overheid het afgelopen najaar had gezegd: er zijn politieke moorden gepleegd, maar wij hebben de daders te pakken, wij belonen de dappere politieagenten die hen gearresteerd hebben, wij geven steun aan alle organen van onze staat, naar binnen en naar buiten, die onze open en kwetsbare samenleving verdedigen. De veiligheid van onze burgers en hun vertegenwoordi­gers wordt alleen gegarandeerd als wij deze troebele geesten isoleren en onge­vaarlijk maken, niet als wij onze samenleving of andere samenlevingen de schuld geven van onnoembaar onheil.

De boodschap zou zijn dat onze samenleving een goede samenleving is, dat ook andere samenlevingen in principe goede samenlevingen zijn, en dat de overheid er is om over de veiligheid van de burgers te waken en dat ook doet. Een dergelijke boodschap geeft weinig voer aan handelaars in angst en intellectuele projectont­wikkelaars, en schept minder paniek.

Zo is het niet gegaan, en het is wijsheid achteraf, al had ik die wijsheid ook vooraf.’

Is de angstjagerij nu voorbij? En is de schade van het afgelopen halfjaar te herstellen? Absoluut, maar dan moeten we wel vandaag beginnen. Nederland is, inderdaad, nog altijd een goede samenleving. Publicisten als Ayaan Hirsi Ali en Afshin Ellian confronteren ons met risico’s en problemen die zij uit hun verleden maar al te goed kennen, maar die voor de doorsnee Nederlanders nieuw zijn. Ze zijn verbaasd, verontwaardigd zelfs, over het gemak waarmee sommige Nederlan­ders capituleren in de strijd om de vrijheid, over de losheid waarmee een signeersessie van Geert Wilders wordt afgeblazen, over de achteloosheid waarmee Ayaan Hirsi Ali wordt geweerd van een boomplantdag in Zuid-Limburg. Terecht stellen ze de vraag: ‘Waar zijn jullie principes?’ Die hartstochtelijke waarschu­wingen kunnen we niet naast ons neerleggen.

Deze auteurs lijken zich echter niet te realiseren dat alles wat ze bekritise­ren in ‘het land van Ooit’ – het polde­ren, compromissen sluiten, tolere­ren, pappen en nathouden, de kwets­baar­heid – exact de keerzijde vormt van alles wat ze zo waarderen in hun nieuwe vaderland. Immers: zonder tolerantie geen vrije geest, zonder polderen geen welvaart, zonder compromissen geen democra­tie, zonder beschaving en zelfdiscipline geen persvrijheid, zonder pappen en nathou­den geen bussen die als een klokje rijden, zonder kwetsbaarheid geen lucht en openheid.

Wij, Nederlanders, zijn dol op planning. Het temmen van de wilde realiteit met een strakke ordening is een klassieke reactie in dit polderland, en wat dat past ook het integratiebeleid van minister Verdonk in een oerhollandse traditie. We trekken lijnen, we tellen en meten, we maken nieuwe burgers.

Op dit moment moeten we onder ogen zien dat in sommige steden omvangrijke moslimpo­pulaties zijn gegroeid – met alles wat daar verder aan vastzit. Een repressief paniekbeleid jegens zo’n groot deel van de stedelij­ke bevolking leidt tot misluk­king en/of tot een in alle opzichte ongewenste polarisatie. Iedere succesvol­le integra­tie­campagne is altijd uitgegaan van rechten, van het openen van nieuwe mogelijkhe­den, het scheppen van een andere toe­komst. Dat is niet soft, dat is geen geknuffel, dat is niet naïef, dat is de praktijk van vallen en opstaan.

In een land als Canada zijn bijna alle immigranten al in de tweede generatie echte Canadezen geworden. Dat heeft veel te maken met een beproefd beleid, waarin niet alleen een slechte integratie wordt ‘afgestraft’, maar bovenal een goede integratie op allerlei manieren wordt ‘beloond’. De immigratie wordt omringd met opvallend veel zorg, er worden al in het thuisland meerdere gesprekken gevoerd, er wordt geselecteerd naar opleiding en mogelijkheden tot succes. Inplaats van een aantal computervragen-op-afstand heeft, bijvoorbeeld, de Canadese ambassade in Berlijn voor de paar duizend jaarlijkse immigratieverzoe­ken maar liefst vijfentwintig personeelsleden in dienst. Na aankomst komt de immigrant in een langdurig ‘welkomst’-programma terecht, waarbij alle lokale gemeenschappen worden ingeschakeld. Rituelen spelen daarbij een belangrijke rol. Canada zendt zo aan de nieuwkomers twee boodschappen. Eén: wij vinden immigratie en immigranten heel belangrijk, niet iedereen kan het, weet wat je doet. Twee: maar als je het kunt en durft, dan gaan we ervoor, en dan zullen we ook alles doen om je immigratie tot een succes te maken.

Zo hoort het, ook in Nederland, en iedere ochtend vraag ik me af waarom het nog niet zover is. Onze situatie is veel problematischer dan die van de Canade­zen, maar toch: waarom zijn hier, na al die jaren, nog steeds eindeloze wachtlijs­ten voor doodgewone taalcursussen? Waarom kom ik werkloze leraren Neder­lands tegen, gespecia­liseerd in onderwijs aan allochtonen maar aan de dijk gezet vanwege de zoveelste reorganisatie? Hoe komt het dat die het niet razend druk hebben? Waar­om kost het zo ongelofelijk veel tijd om het onderwijs aan te passen aan de specifieke eisen van deze jongeren? Waarom komt er zo weinig terecht van al die voor de hand liggende ideëen, variërend van de intro­ductie van rituelen – het is nogal wat om de Nederlandse nationaliteit te krijgen – tot de dagelijkse lessen Nederlands op de publieke televisie en het op grote schaal stimuleren van naai- annex taallessen voor allochtone vrouwen? Bestaat er, op Haags niveau, eigenlijk wel enig gevoel voor de wérkelij­ke urgentie?

Solidariteit heeft altijd iets wederkerigs: je kunt niet van een minderheidsgroep solidariteit met een hele samenleving verwachten, als zo’n samenleving geen verbondenheid toont met die minderheidsgroep. ­Dwang heeft in dergelijke omstandigheden altijd slechts beperkt succes, eigenlijk vooral bij het opruimen van bepaalde obstakels. Als motor voor een emancipatie­proces heeft het idee van maakbaarheid van burgers en samenle­ving ­uiteindelijk altijd gefaald – denk maar aan het fiasco van het Sovjet-experi­ment.

Als die houding ook nog eens uitmondt in een bedekt conflict met ‘de’ islam zijn we nog veel verder van huis. Zo’n ondershuidse godsdienststrijd sluit immers ieder compromis en iedere verzoe­ning uit: moslims mogen hier zijn – ze zijn te onmisbaar en te talrijk geworden om ze nog massaal uit te zetten – maar ze moeten als moslims zoveel mogelijk onzichtbaar blijven. De tolerantie-zonder-interesse van de jaren tachtig en negentig lijkt zo in één klap te zijn omgeslagen in repressie-zonder-interesse. Het politieke klimaat is honderdtachtig graden gedraaid, maar het gebrek aan kennis en belangstelling is nagenoeg hetzelfde gebleven. ‘Gastarbeider’, ‘illegaal’, ‘medelander’, ‘moslim’, we blijven wegren­nen voor de nuchtere realiteit van het woord ‘immigrant’.

In dit opzicht verschillen de huidige liberalen en sociaal-democraten niet zo veel van elkaar. ‘Succesvolle integratie vereist een restrictieve migratiepolitiek,’ betoogde ook PvdA-leider Wouter Bos in het januarinummer van het Britse magazine Prospect. ‘Onze capaciteit om te integreren en te emanciperen is niet onbeperkt.’ In zijn beschouwing stelde hij het behoud van de ‘eigen’ verzorgings­staat centraal, en dat eist nu eenmaal een zekere mate van geslotenheid. Simpel gezegd: teveel nieuwkomers maken de spoeling te dun. Daar is veel voor te zeggen. Het probleem is alleen dat de Nederland­se samenleving vanouds juist een open samenleving is, dat de economie waarop onze verzorgings­staat drijft het ook van die openheid moet hebben, en dat alle daarbij horende eigen­schappen een onderdeel vormen van de cultuur die verde­digd moet worden. Bovendien zijn we klein, we zijn zo weinig land en zoveel stad. Daardoor zijn we sneller kwets­baar voor de gevolgen van globalisering en immigratie dan de meeste andere Westeu­ropese landen. We zitten, met andere woorden, klem in onze eigen paradox.

Nederland is bezig door een rouwproces heen te gaan, en we moeten er allemaal aan geloven. De bloedige moord op Theo van Gogh bracht die pijn scherper boven water dan ooit: het geborgen Nederland van een kwart eeuw geleden is op veel plekken verleden tijd, de herkenning is weg, de voorspelbaarheid verdwenen. We vormden, in de woorden van Hans van Mierlo, ‘een gemeenschap die, vanwege zijn zuilenstructuur, veel toleranter functioneerde dan de burgers in werkelijkheid wáren’. Ook die illusie is doorgeprikt.

Rouwen verloopt altijd in fasen: ontkenning, verwarring, woede, treurnis, acceptatie, en dan begint het leven weer. De ontkenning hebben we achter de rug – jarenlang wilden de meeste Nederlanders niet onder ogen zien dat globalise­ring, modernise­ring, individualisering en immigratie hun knusse land grondig zouden doen veranderen. Paul Scheffers essay ‘Het Multiculturele Drama’ was daarin een mijlpaal: opeens drong in zelfs bij de linkse intelligentia door dat het menens was, dat de immigranten níet de zoveelste zuil zouden vormen, en dat dit land níet meer kon overgaan tot de orde van de dag. Toen kwam de verwarring, en een andersoortige ontkenning: een tendens tot afsluiting en isolement van het traditio­neel open Nederland. Met Van Gogh kwam de woede. Zolangzamerhand wordt het tijd om de realiteit onder ogen te zien. Om pal te staan voor onze vrijheden en grondrechten. Om onze burgermoed weer uit de kast te halen. Maar ook om, heel nuchter en concreet, aan het werk te gaan. Om échte toleran­tie aan te leren – en de botsingen die daarbij horen. Om te bedenken wat we van onze nationale erfenis kunnen achterla­ten. Welke kwalitei­ten koste wat kost behouden moeten blijven. En welk nationaal verhaal we voor de komende generaties verder zullen dragen.

Er is maar één mogelijkheid: de dynamiek van de hoop. We hebben geen alternatief.

Amsterdam, 5 mei 2005.