NRC Handelsblad – ‘Ze zien ons als tweederangs burgers’

NRC Handelsblad

NRC Handelsblad komt met een serie over de hangjongeren naar aanleiding van een debat in de Tweede Kamer over de aanpak van lastige jongeren. Eerste deel van een serie: de hangjongens over zichzelf: Jongeren en de kunst van het rondhangen.

Door onze redacteur Sheila Kamerman

Dordrecht, 18 febr.

Mohammed Bouratour (18) valt niemand lastig, zegt hij. Hij zit op een bankje op het Admiraalsplein in de Wielwijk in Dordrecht. Er staan een paar vrienden om hem heen. Ze dragen zwartleren jacks met bontkraag, de meesten een baseballpet. „We horen vaak dat we hier niet mogen zitten”, zegt Mohammed. „Maar we doen hier niets verkeerd. We kletsen wat, we lachen.”

Abdoessamed Amara (17): „Te hard of zo.”

Mohammed: „Als we geeneens meer mogen lachen…”

Wielwijkers die boodschappen doen in het winkelcentrum aan het Admiraalsplein, vinden de hangende Marokkaanse pubers bedreigend. De jongens zien dat zelf ook. „De vrouwen klemmen hun tas onder hun arm”, zegt Mohammed, terwijl hij een denkbeeldige tas strak tegen zich aan houdt. „De mannen kijken boos.”

De situatie in Wielwijk (5.800 inwoners, 35 procent niet-westerse allochtonen) lijkt op die van zoveel wijken in grote en kleinere steden. Er is geen landelijk overzicht van jeugdgroepen. Veel gemeenten registreren die niet, zegt criminoloog en politieonderzoeker Henk Ferwerda. „Hanggroepen zijn van alle tijden. Ik hing als puber ook op straat en stopte aardappels in de uitlaat van de buurman. Maar de tolerantie neemt af. Dat zie je vooral in buurten met een gemengde bevolking. Vooral als het gaat om allochtone jongeren. De buurman kwam bij mijn vader klagen. Nu bellen omwonenden meteen de politie.”

De Marokkaanse jongens op het Admiraalsplein geven toe dat ze niet altijd lieverdjes zijn. Een enkeling heeft een strafblad. Abdoessamed (geen strafblad) zegt daarover: mishandelingetje, diefstalletje, niets supergroots. Maar het klopt, ze hebben op de ramen van het wijkcentrum gebonsd, tijdens de les streetdance voor meisjes. Zo hard dat een ruit brak. Het klopt ook dat ze de soep hebben opgegeten die twee dames uit het wijkcentrum hadden gemaakt en klaargezet voor de ambtenaren van het gemeentehuis. Al het brood was ook op.

Maar er is ook een andere kant, zeggen ze. Als zij de Albert Heijn inlopen om een zak chips te kopen, vraagt de bedrijfsleider: „Wat doen jullie hier?” Is het normaal dan dat zij met de nek worden aangekeken als ze op straat een sigaretje staan te roken? En toen er kort geleden een laptop was gestolen uit het wijkcentrum, keek iedereen meteen naar hen. Mohammed: „Terwijl wij er allemaal naar hebben gezocht.” De jongens hebben het gevoel gezien te worden als tweederangs burgers. „Omdat we Marokkanen zijn.”

Zit wat in, zegt wijkagent Arno Jonkers. „Ik zal niet ontkennen dat ze soms gediscrimineerd worden.” Uit het wijkjaarprogramma Wielwijk 2006 blijkt dat slechts 28 procent van de inwoners een positieve kijk heeft op allochtonen. Abdoessamed: „Jochies van 16 noemen ons kutmarokkanen, maar wij wonen langer in Dordrecht dan zij.”

Jonkers zegt tegen de jongens dat ze respect moeten tonen, zelfs als ze geen respect ontvangen. De jongens kunnen Jonkers wel hebben, zeggen ze. Maar de vorige wijkagent, die kortgeleden is vertrokken, vonden ze „zielig”. Die wijkagent ging bij de ouders langs en zei dat hun zoon tot een criminele bende behoorde. Abdoessamed: „Mijn vader schrok zich dood.” Mohammed: „Marokkaanse ouders geloven leraren en politieagenten.”

Abdoessamed: „Mijn vader geloofde me uiteindelijk wel, toen ik zei dat het wel meeviel. Maar hij bleef ook wantrouwig. Zo van, wat spookt hij eigenlijk buiten uit?”

Hun ouders, zeggen de jongens, hebben helemaal geen tijd zich met hun bezigheden buitenshuis te bemoeien. Hussain Elmard: „Ze zeggen alleen dat ik goed mijn best moet doen op school en geen rotzooi moet trappen.”

De vaders van de jongens werken hard, die van de tweeling Hassan en Hoessain Elmard (17) in een steenfabriek, de vader van Abdoessamed heeft een supermarktje, de vader van Mohammed een goedlopende viswinkel. De moeders zorgen voor grote gezinnen.

De ouders van Hassan en Hoessain hebben zes kinderen, die van Abdoessamed acht, Karim Abbou (18) heeft drie broers en een zus, Mohammed heeft vier zussen.

Thuis is het vol. Bovendien zijn ze liever samen. Mohammed: „Mijn vrienden zijn mijn broers.” Dus zijn ze op straat. Of in het meetingpoint, tegenover het wijkcentrum. Daar kunnen ze tafelvoetballen, poolen of internetten. Alleen is het meetingpoint maar één avond in de week open. Veel te weinig, vinden ze. Karim: „Waarom geven ze ons niet een plek die elke avond en in het weekend open is, als ze last van ons hebben?” En ze zouden er graag een tv willen. En een Playstation. „Heeft u dat genoteerd in het verslag, mevrouw? Misschien helpt het.”

En een baantje om de Playstation zelf te kopen? De jongens lachen smalend. „Ik zou met liefde gaan werken”, zegt Karim. „Ik heb vaak gesolliciteerd. Maar niemand wil een Marokkaan. Wij krijgen niet eens een stage.” Marokkaanse meisjes krijgen meer vertrouwen, zeggen ze. Hussein: „Mijn zus lijkt niet op een Marokkaan, maar op een Nederlander. Zij kan zo een baantje krijgen.”

Hassan en Hussain doen vmbo-metalektro. Hun droom is een eigen garage in Wielwijk. Hassan: „Mijn zus kan dan de administratie doen.” Hussain: „Dan nemen we Marokkaanse jongens in dienst. Wij kijken niet naar uiterlijk.”

Karim en Abdoessamed doen handel. Abdoessamed wil de kleine supermarkt van zijn vader niet overnemen. Hij wil op een kantoor werken. Mohammed is tijdelijk gestopt met school. Zijn vader heeft een goedlopende viswinkel aan het Admiraalsplein. Hij verwacht dat hij die zal overnemen. Hij heeft niets met vis, maar het verdient goed. „Dat is belangrijker.”

Hun ouders, zeggen de jongens, verlangen naar Marokko. „Bijna alle ouders willen terug”, zegt Abdoesamed.

En zij, willen zij ooit in Marokko wonen? Alleen voor vakantie. Mohammed: „Ik ben een rasechte Nederlander.”

Abdoessamed: „Ik ben de regen gewend. Dit is mijn landje.”

Hassan: „Ik ben super geïntegreerd. Alleen zien jullie dat niet.”

De vaders gaan bijna dagelijks naar de moskee, de jongens bijna niet. Hij zou het fijn vinden als ik ook zou gaan, maar ik hoef niet, zegt Mohammed.

Abdoessamed: „Ik ga tijdens de ramadam en het suikerfeest.”

Mohammed: „Twee keer per jaar is een prestatie voor ons, mijn vader gaat elke dag.”

Mohammed: „Als je rookt, drinkt of blowt, dan kan je niet naar de moskee.”

En vriendinnen? Een hoop geginnegap. Ze hebben allemaal vriendinnen. Hussein: „Je mag wel met een meisje omgaan, maar er niet over praten.”

Mohammed: „Mijn ouders raden het misschien, maar ze hebben mij nooit met een meisje gezien.”

En hun zussen? Hussein zegt beslist: „Een Marokkaanse jongen mag een vriendin hebben, een Marokkaans meisje géén vriend.”

Waarom niet? Hussein: „Jongens zijn verstandiger dan meisjes.”

Hassan: „Meisjes zijn makkelijker over te halen om foute dingen te doen.”

Karim verduidelijkt: „Straks wordt ze ontmaagd. Daar denken jongens toch als eerste aan.”

Abdoessamed: „Als ik mijn ongetrouwde zus met een jongen zie, grijp ik in. Als ze serieus iets wil, moet ze hem voorstellen aan papa en mama.”

Waar zijn hun zussen eigenlijk? Marokkaanse meisjes zijn thuis, zeggen ze. Karim: „Ze studeren, ze maken eten en helpen moeder.”

Hussain: „Ze zijn ook wel eens buiten hoor, voor de boodschappen.”

Groepen hangjongeren, van hinderlijk tot crimineel

Hoeveel groepen hangjongeren er zijn, is onduidelijk omdat veel steden en gemeenten die niet registreren. In de regio Zuid-Holland Zuid (Dordrecht, Zwijndrecht, Hoeksche Waard, Alblasserwaard en Vijfheerenland) worden hangroepen wél geteld, het zijn er rond de tachtig. De meesten zijn hinderlijk (lichtste categorie), een stuk of acht overlastgevend (zwaardere categorie), ongeveer vier crimineel (zwaarste categorie). In de regio Haaglanden hingen vorig jaar 111 groepen jongeren, waarvan 86 hinderlijk, twintig overlastgevend en vijf crimineel. De politie telde vorig jaar in Amsterdam 118 groepen waarvan 86 hinderlijk, 26 overlastgevend en zes crimineel.

De indeling (hinderlijk, overlastgevend en crimineel) is gebaseerd op de shortlist groepscriminaliteit van criminoloog Henk Ferwerda waarmee de politie en jeugdwerkers lastige jeugdgroepen gedetailleerd in kaart kunnen brengen – waar houdt de groep zich op, hoe groot is de groep en wie zitten erin? Na het beantwoorden van de vragenlijst bepaalt een score of een groep hinderlijk, overlastgevend of crimineel is.

Een hinderlijke jeugdgroep bestaat uit jongens én meisjes. Ze zijn tussen de twaalf en veertien jaar en zitten op school. De hinder bestaat uit geluidsoverlast door muziek en scooters en brutale opmerkingen.

Leden van een overlastgevende jeugdgroep intimideren bewoners, vernielen een bushokje en maken zich schuldig aan lichtere vormen van criminaliteit zoals winkeldiefstal.

Een criminele jeugdgroep is groot, gemiddeld dertig leden, voornamelijk jongens. Ze plegen ernstige delicten en schuwen geweld niet. De groep is meestal mono-etnisch.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*
*
Website