Uit de burgerschapskalender:

Huiselijk geweld komt in de beste families voor. Bedek het niet met de mantel der liefde. Vrienden en familie vangen vaak de eerste signalen van huiselijk geweld op. Zoals blauwe plekken, bijtwonden, verdwenen tanden. Soms is een vrouw opvallend onderdanig, een kind agressief, heeft leerproblemen of maakt tekeningen over geweld. Vraag dan hoe het gaat, zo nodig onder vier ogen.

Een vreemde term eigenlijk huiselijk geweld. Wanneer iets huiselijk is dan heeft het iets warms, geborgens, knus, gezelligs. Huiselijk geweld is intiem, maar daarmee houdt de relatie met die connotaties van huiselijk wel op. Zowel mannen als vrouwen maken zich schuldig aan huiselijk geweld en zijn het slachtoffer. Huiselijk geweld komt binnen homoseksuele en heteroseksuele relaties voor. Gewelddadig gedrag in relaties is niet zo simpel en eenduidig te verklaren. Zowel individuele (psychische), relationele als maatschappelijke factoren spelen hun rol. En schijnbaar heeft huiselijk geweld ook nog wat te maken met burgerschap.

De precieze link die men voor ogen heeft is me onduidelijk. Wel is het zo dat binnen de hele burgerschapsdiscussie zelfredzaamheid, zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid centrale issues zijn. Je kunt beargumenteren dat vrouwen die mishandeld worden dat per definitie allemaal missen. In ieder geval de eerste twee, maar zeker ook in de discussies erover het derde aspect. Vrouwen worden toch vaak voorgesteld als passieve slachtoffers terwijl het gaat om een relatiesysteem waarin de vrouw zo haar eigen rol vervult. Dat blijkt bijvoorbeeld wanneer vrouwen er, ondanks voortdurende mishandeling, toch voor kiezen om bij de dader te blijven. Waarschijnlijk juist omdat alle zelfredzaamheid en zelfstandigheid hen is afgenomen. Let wel, dit is iets heel anders dan stellen dat het de eigen schuld is van die vrouwen. Het praten in termen van schuld en onschuld is versluierend omdat het de complexe dynamiek van alle relaties (dus ook die tussen degenen die mishandelen en mishandeld worden) negeert.

Nog een reden waarom huiselijk geweld aan burgerschap gelinkd kan worden is dat, dankzij de vrouwenbewegingen, huiselijk geweld een publieke verantwoordelijkheid is. Waar vroeger geweld binnen relaties (huwelijk) werd beschouwd als een zaak tussen man en vrouw (of families) waar de overheid niet tussen moest komen, is het mede aan de vrouwenbeweging te danken dat huiselijk geweld op de publieke agenda is gekomen en dat de overheid (zij het met de nodige weerstand en terughoudendheid) hier een taak op zich genomen heeft.

Daarnaast past het voor komen van huiselijk geweld natuurlijk niet in ons idee van de morele gemeenschap. Een gemeenschap waarin bepaalde deugden en burgerschap binnen een natie-staat met elkaar verbonden zijn. De morele gemeenschap wordt voorgesteld als een gemeenschap van waarden en in een morele gemeenschap waarin emancipatie van de vrouw als één van de belangrijkste verworvenheden beschouwd wordt, past natuurlijk geen huiselijk geweld.

Verder heeft huiselijk geweld natuurlijk betrekking op het onderscheid allochtoon – autochtoon. Huiselijk geweld zou vooral voorkomen onder allochtonen en meer in het bijzonder onder moslims hoewel precieze cijfers daarover moeilijk te geven zijn. In de discussies erover doen die cijfers er ook nauwelijks toe; dan fungeert het onderscheid allochtoon (moslim) – autochtoon vooral als middel om de idylle van de Nederlandse morele gemeenschap als een gemeenschap gebaseerd op (onder meer) vrouwenemancipatie en bevrijding hoog te houden waarbij men zich afzet tegen de allochtoon (moslim) waarin vrouwen ‘nu eenmaal’ onderdrukt worden. Waar we moord in relaties onder autochtonen vaak lijken interpreteren als ‘familiedrama’ gebeurt dit in het geval van Turkse (en soms ook Marokkaanse) Nederlanders als eerwraak of eergerelateerd geweld. In het eerste geval wordt vaak ingezoomd op psychologische factoren en in het tweede geval op culturele factoren. Maar er is geen enkele reden om te veronderstellen dat bij huiselijk geweld onder autochtone Nederlanders cultuur geen enkele rol speelt of dat bij eergerelateerde moorden psychische factoren geen rol spelen. In alle gevallen geldt ook dat we oog moeten houden voor grotere culturele, economische en politieke processen die de machtspositie van vrouwen negatief beïnvloeden.

In een themanummer van het tijdschrift Krisis stelt Verstraete enkele vragen die in het verlengde van bovenstaande liggen:

hoe verhouden zich patronen van huiselijk, geweld of date rape in The Bronx en Princeton tot grotere economische processen die niet alleen etnische groepen maar ook mannen en vrouwen binnen die groepen verschillend positioneren? En hoe zijn. die etnische, economische en seksuele asymmetrieën in de Verenigde Staten en Europa te koppelen aan bijvoorbeeld het Amerikaanse sekstoerisme in Taiwan, of de prostitutiehandel in Oost-Europese en Afrikaanse vrouwen in Brussel en. Amsterdam? En wat heeft die vrouwenhandel dan weer te maken met enerzijds de etnische oorlogen in de Balkan of in Centraal-Afrika, inclusief de rol van het vrouwelijk lichaam daarin, en anderzijds het Europese asielbeleid?

Relevante vragen die de moeite waard zijn om een stil bij te staan en onderzoek naar te doen.