In de Volkskrant van vandaag een stuk over autochtone Nederlandse ouders die liever niet willen dat hun dochter trouwt met een allochtone Nederlander (ik ga er even vanuit dat men hartstikke heteronormatief is en dat het niet bij hen is opgekomen dat tegenwoordig ook homo’s mogen trouwen).Volgens het onderzoek van het tijdschrift J/M zou 43 procent het (heel) erg vinden als een dochter zou thuiskomen met een allochtoon vriendje. 38 procent heeft er moeite mee als een zoon kiest voor een allochtone vriendin.

Ik ben wel benieuwd naar de overige cijfers, want betekent dit dan dat meer dan de helft van de ouders er geen problemen mee heeft? Op zich is de uitkomst dat ouders bepaalde voorkeuren hebben natuurlijk niet zo bijzonder. Opvattingen over huwelijken en het belang van vrije keuze daarin, zijn voortdurend aan verandering onderhevig; er bestaat niet één universeel huwelijksideaal. Het vooral westerse idee dat een huwelijk gesloten moet worden op basis van liefde tussen twee personen is vooral opgekomen in de achttiende eeuw en vond haar hoogtepunt in de jaren vijftig. Daarvoor was het huwelijk vooral een aangelegenheid tussen families en diende dan ook te voorzien in de sociale en economische behoeften van de betrokken families. Sinds de jaren vijftig is er met betrekking tot relaties veel veranderd maar het idee dat partnerkeuze gebaseerd moet zijn op liefde is gebleven. De belangrijkste veranderingen zijn het idee dat liefde buiten het huwelijk ook mogelijk wordt geacht en wordt erkend. De vraag is opgekomen of mensen van hetzelfde geslacht met elkaar kunnen trouwen. In het huidige westerse model dient het huwelijk tal van sociale, psychologische en seksuele behoeften van individuen te vervullen en vrij te zijn van dwang,geweld en ongelijkheid.

Ouders zouden zich dus eigenlijk daarin afzijdig moeten houden, maar dat gebeurt natuurlijk niet. Paradoxaal genoeg is het de nadruk op vrije keuze, afwezigheid van dwang waarschijnlijk een reden van de ouders om hun voorkeur, zeker met betrekking tot dochters uit te spreken. Dat in Nederland partnerkeuze wordt opgevat als een proces van vrije keuze op basis van liefde tussen twee individuen, laat niet onverlet dat het in de praktijk eerder gaat om het resultaat van een complex proces dat bestaat uit een samenspel van individuele voorkeuren en omgevingsfactoren. We zijn ons hier niet altijd van bewust. Meestal kiest men een partner die op één of meerdere kenmerken sterk overeenkomt met de eigen kenmerken; dit noemen we homogamie.

In Nederland heeft er een verschuiving plaatsgevonden van herkomsthomogamie naar opleidingshomogamie en in mindere mate ook naar leefstijlhomogamie. En veel ouders vrezen natuurlijk dat de leefstijl van allochtone Nederlanders en autochtone Nederlanders teveel van elkaar verschilt en dat, gezien het stereotype van de onderdrukte allochtone Nederlandse vrouw, vooral een dochter daar de dupe van zou worden. En dan komen herkomstfactoren toch nog opeens terug in de voorkeuren die ouders hebben. Dat daarbij vrouwen een centrale plek innemen in de vooroordelen, stereotypen en voorkeuren is evenmin verwonderlijk. Het gedrag en het lichaam van vrouwen vormen belangrijke symbolische grenzen tussen de ‘eigen’ etnische groep en buitenstaanders. De positie van de vrouw heeft te maken met de integriteit van de eigen groep zoals men die ziet en die gebaseerd zou zijn (in dit geval) op seksuele vrijheden, vrije partnerkeuze en gelijkwaardigheid, waarbij bij een huwelijk met een allochtone Nederlandse man de vrouw vrijheden zou verliezen en een ondergeschikte positie zou innemen.

Eén van de meest geziene reacties op het web betreft denk ik ‘En allochtonen (moslims) dan’? Die zouden ook liever geen autochtone partner voor hun kinderen willen. Met name columnist van de Elsevier, Paul Lieben, maakt het wel erg bont:

Toch of voor de zoveelste keer, wordt een veel interessanter vraag in dit onderzoek niet gesteld. Dat is de regel in Nederlandse onderzoeken; we vragen alleen naar de politiek-correcte, bekende weg. Dus wel vragen die autochtonen eventueel in een minder goed daglicht stellen, maar niet het omgekeerde.

De veel interessantere vraag, ook vanuit het oogpunt van integratie, is wat mij betreft: ‘Hoeveel procent van de allochtonen wil een autochtone, Nederlandse schoonzoon?’.

Lieben kletst hier dus gewoon een eind weg. Hij stelt dat dit type vragen niet gesteld worden aan allochtone Nederlanders want aan hen stellen we alleen politiek-correcte vragen. Aha, vandaar waarschijnlijk al die onderzoeken naar radicalisering, de relatie tussen etniciteit en criminaliteit, huiselijk geweld, eerwraak, gedwongen huwelijken, vrouwenbesnijdenis enzovoorts.

Paul Lieben weet overigens ook zonder onderzoek wel het antwoord op zijn vraag want hij is maar liefst één keer bij een bijeenkomst geweest met, volgens hem, bijna alleen maar allochtone Nederlanders. Het ging over discriminatie, voornamelijk van allochtone door autochtone Nederlanders dus besloot hij (heel taboedoorbrekend) maar eens te vragen hoe het zit met de partnervoorkeuren die de ouders erop na houden voor de kinderen. En daaruit bleek dat niemand (!) dacht dat hun ouders hen zouden vrijlaten in de keuze. Niemand. En dus is Mohammed (de moslim?) onverdraagzamer dan Geert (de autochtone Nederlander?). Enorme flauwekul dus en gezien het enorme gemak waarmee de berg aan publicaties over allochtone Nederlanders en partnerkeuze op te duiken is via Google mag je rustig uitgaan een combinatie van scoringsdrift en publicatiedwang over de ruggen van allochtone Nederlanders heen.

Uit een onderzoek van Demos uit 2008 blijkt dat onder Turkse mannen in 2006 10% met een autochtone partner was getrouwd, Turkse Nederlandse vrouwen 9%, onder Marokkaans-Nederlandse mannen 11% en onder Marokkaans-Nederlandse vrouwen 9%. (Zie HIER, HIER en HIER voor CBS cijfers.) Daarbij is een lichte stijging te zien bij de mannen en een lichte daling bij de vrouwen. Tegelijkertijd lijkt (althans onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders) de keuze voor een andere allochtone Nederlander (buiten de ‘eigen’ etnische groep) te groeien (meestal waarschijnlijk wel op voorwaarde dat die ander dan moslim is). Nu sluit ik niet uit dat dit alles voor Lieben nog niet genoeg is. Gemengde huwelijken worden voor allochtone Nederlanders vaak gezien als een teken van integratie; men overschrijdt immers de grens van de eigen groep naar die van de ander; de autochtone groep. Wat het J/M onderzoek in ieder geval duidelijk maakt is dat integratie dus ook een proces van toelaten is; de autochtone groep moet wel allochtonen toelaten (en vice versa) want anders wordt integratie via het huwelijk moeilijk.

Er is dus meer dan genoeg te vinden over partnerkeuze onder allochtone Nederlanders. Misschien kan Paul Lieben even beginnen met het rapport Partnerkeuze onder groepen Amsterdammers van Bartels en Storms en dan vervolgens alle stukken uit de literatuurlijst lezen. Misschien dat we de volgende keer dan een wat beter onderbouwde column krijgen dan dit flutstuk.