Het koppel Kinneging en Tahir werd tijdens uitzending van Pauw & Witteman zo ongeveer tot nationale sukkel verklaard; op twitter en facebook in ieder geval. Eerder die zondag had Tahir in een column voor Buitenhof gepleit voor het weren van journalisten die zich ‘onfatsoenlijk’ zouden gedragen. Toen verslaggever Rutger van Powned haar thuis opzocht (of lastig wilde vallen) was het haar partner Kinneging die Rutger hardhandig tegenhield toen hij bleef aandringen. In PenW pleitten ze beiden voor een soort ethische toetsingscommissie.

Persbreidel, aantasting van de vrijheid van meningsuiting, censuur waren de meest gehoorde termen in de virtuele stamkroegen. Maar het is nog niet zo’n slecht idee om het eens te hebben over de grenzen die journalisten in acht zouden kunnen nemen ook al is Kinnegings pleidooi zelf onwenselijk en onzinnig. Dat gebeurde ook. In Nieuwsuur werd gesproken over de handel en wandel van NRC (in relatie tot Friso), bij Powned ging het over…Powned en bij PenW en (eerder) Buitenhof over Powned. Journalisten over journalisten en journalistiek en vrijwel allemaal helder in de opvattingen dat er vooral geen regels moeten komen. Inperkingen van de pers, zijn niet zomaar inperkingen, nee het tast de vrijheid van meningsuiting aan.

Media-antropoloog Nick Couldry verwijst naar een dergelijk proces wanneer hij het heeft over ‘the myth of the centre’. Volgens hem worden bepaalde gebeurtenissen door de media voorzien van extra, symbolische, lading. Denk bijvoorbeeld bij voetbal aan de verloren WK finale van 1974 en de gewonnen EK finale van 1988. Bij de eerste waren de Duitsers de aartsvijand en verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog waren legio. Het verlies strooide extra (‘zijn we er toch weer ingetrapt’) zout in de wonde; de winst op Duitsland in het EK 88 werd gebracht als een revance op…alles. Behalve dat de media hiermee een specifiek gemeenschapsidee (wij-zij) produceert, zijn dit ook symbolische constructies door de media die zich opwerpt als de ultieme betekenisgever en als toegangskanaal om deel uit te maken van dat proces van betekenisgeving (als je niet op televisie of in de krant geweest bent, telt het niet). De media vertegenwoordigt daarmee zelf het debat en communiceert feitelijk het idee dat zij het centrum vormt van de sociale sfeer waar interactie en betekenisgeving plaatsvindt. Dat zien we ook terug in de kwalificaties over Cohen die ‘immers’ gefaald heeft in deze mediacratie. Van politici mag schijnbaar verwacht worden dat zij met mediageweld kunnen omgaan. Maar waarom eigenlijk? Wat is het verschil tussen vervelende Marokkaans-Nederlandse hangjongeren die vrouwen zouden uitschelden voor ‘hoer’ en de begrafenisstoeten zouden belagen? Daar moeten we dan ook maar aan wennen? Powned en Geenstijl zijn het journalistieke, blanke en en deels virtuele equivalent van de ‘kutmarokkanen‘.

Hoewel de media ontegenzeggelijk inderdaad een belangrijke rol heeft, heeft ze die dus ook zelf geschapen. Als politici niet met media om kunnen gaan is dat nooit de schuld, laat staan het probleem, van de media maar altijd van de politici. Sterker nog, het is een teken van zwakte van de politicus zelf; als persoon en als politiek dier en leider. Op deze manier presenteert de journalistiek zich als de hoeder van de democratie en van het geweten van het natie en tegelijkertijd (aangezien het vooral journalisten onderling zijn die in beeld een beetje met elkaar van gedachten wisselen) presenteren zij zich ook als het geweten zelf. Hun opvattingen zijn bepalend en er zijn geen andere die ertoe doen. De eensgezindheid over de relatie tussen journalistiek en bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting is vooral een constructie van de journalistiek zelf. We zien dit ook op andere manieren. Het idee dat politici maar moeten kunnen omgaan met vervelende en opdringerige journalisten want dat is nu eenmaal de (mediagenieke) tijd waarin we leven, is inderdaad belangrijk voor een democratie, maar is ook niets minder dan een ideologisch project van journalisten om te bepalen wat relevant is in een democratie en dat zij daar een centrale rol bij hebben.

Maar is de huidige media wel zo geschikt als hoeder van de democratie? Is de macht van de media niet zover gegaan dat het erop lijkt dat individuele burgers geen enkele privacy meer hebben? Dat zij bijna gedwongen worden media te woord te staan? Dat zelfs minderjarigen in de politieke agenda van media betrokken worden zonder dat ze er eigenlijk iets mee te maken hebben zoals Geenstijl dat destijds deed met de minderjarige dochter van toenmalig minister Rouvoet? Waar kinderen die zwaargewond in een ziekenhuis bed liggen na een vliegtuigongeluk door de media gebruikt worden? Waar zelfs het medische beroepsgeheim geschonden wordt om maar iets (meestal niets) te kunnen melden in de krant? Waar journalisten de boel bedriegen en inbreken in de privacy van gewonden van een vliegramp of voor bepaalde zakelijke belangen?

Journalisten claimen een specifieke functie te hebben in een democratie en daarom ook bepaalde extra ruime vrijheden te hebben. Maar hoe lang is het geleden dat men dat heeft waargemaakt? Waar was het kritische geluid over de Amerikaanse oorlogstrom in de aanloop naar de oorlog in Irak? En over het Nederlandse besluit daarover? Journalisten laten zich tegenwoordig liever ’embedden’ in het Nederlandse leger in Afghanistan dan dezelfde slinkse tactieken als hierboven bij minderjarigen te gebruiken om te onderzoek hoe de Nederlandse overheid, het leger en de Amerikanen geprobeerd hebben de de Nederlandse missie in Afghanistan te verkopen. We kunnen dergelijke methoden van agressie, intimidatie, schending van privacy rustig mediageweld noemen. We moeten dus vaststellen dat de Nederlandse journalisten uitermate bedreven zijn in het gebruik van slinkse of creatieve methodes om bijvoorbeeld minderjarige slachtoffers van vliegrampen in beeld te brengen, maar werkelijk niets presteert als het gaat om zaken die er echt toe doen. De helden. Nou ja vooruit, als men zich echt kwaad maakt, start men vanuit de luie leunstoel een WOB procedure (wat misschien wel de beste zet van de overheid ooit is om de media te beheersen). De Nederlandse journalistiek is erg goed in humilitainment, redelijk goed in infotainment, maar waardeloos in…journalistiek. Powned is daarbij niets meer of minder dan een uitwas van de gebrekkige kwaliteit van de Nederlandse media.

Niettemin blijft ook de Nederlandse journalistiek zich graag zien als het centrum van informatie en publiek debat. Vandaar ook de onder journalisten op twitter althans (en die zijn er nogal wat) de bijna unanieme veroordeling en hilariteit en afschuw over het optreden van Tahir en Kinneging. Daar leende het stel zich ook wel enigszins voor evenals het hardhandige optreden van Kinneging ten opzichte van Rutger. En dat kwam de heren en dames goed uit; men kon zich lekker opwerpen als hoeders van de vrijheid en hoefde totaal niet aan reflectie te doen. Er is onder journalisten niemand, en dan bedoel ik ook echt niemand, die het lef heeft om publiekelijk een grondige en zelfkritische beschouwing te geven over bepaalde praktijken die gemeengoed zijn geworden. Nee, in plaats daarvan maakte men zich vrolijk om de jacht op Tahir en Kinneging, die ontketend werd door Dominique Weesie van Powned en snel werd overgenomen door Novum journalist Ernst Lissauer en voormalig PVV-er Arnoud van Doorn. Men neemt vrolijk anderen de maat, maar men laat zichzelf niets zeggen.

De actie van Kinneging tegenover Rutger, maar ook andere acties tegen journalisten, zijn dan ook te zien als vormen van zelfverdediging tegen het mediageweld door burgers die gefrustreerd zijn door een beroepsgroep die denkt dat ze zich alles kan veroorloven. Het is zonder meer terecht dat journalisten beschermd worden en dat de staat deze beroepsgroep niet teveel moet belemmeren, maar wie beschermt de burger tegen de journalisten?

Couldry, N. (2003) Media Rituals: A Critical Approach. London: Routledge.
Couldry, N. (2005) ‘Media Rituals: Beyond Functionalism’, pp. 59–69 in E.Rothenbuhler and M. Coman (eds) Media Anthropology. Thousand Oaks, CA: Sage.