De Nationale Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV) maakt bekend dat het dreigingsniveau in Nederland verhoogd is van ‘beperkt’ naar ‘substantieel’. (Dit is van niveau 2 naar 3 – van in totaal 4 niveaus.) Dit staat te lezen in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 32 (DTN 32). Dit beeld betekent dat er een reële, maar niet meteen acute, dreiging zou zijn. Wat betekent dit, hoe bang moeten we zijn en hoe past dit in het overheidsoptreden en de surveillance van risico-groepen?

Surveillance
Het verhogen van het dreigingsniveau, of überhaupt het aanwezig zijn van officiële dreigingsniveau’s, maakt deel uit van een complex aan technieken waarmee de overheid enerzijds alertheid probeert uit te stralen en anderzijds specifieke groepen onder een vorm van surveillance plaatst. Soms letterlijk surveillance zoals in het geval van de zeer vergaande en risico-volle technieken van de NYPD. Zo ver gaat dat in Nederland gelukkig niet; dat zou moslims als geheel per definitie en officieel in het verdachtenbankje zetten en het basisvertrouwen dat burgers toch echt moeten hebben in de overheid en in elkaar op het spel zetten onder het mom van terrorisme en nationale veiligheid.

Het gaat in Europa veel meer om een geheel aan vrij subtiele technieken waarmee de overheid de boodschap uitzendt wat goed/slecht, normaal/abnormaal, gevaarlijk/ongevaarlijk is zonder over te gaan tot openlijke directe repressie. Om dit te kunnen doen identificeert de overheid groepen die als risico-vol worden aangemerkt en waarover kennis verzameld moet worden, die in de gaten (moeten) worden gehouden en waarvoor programma’s ontwikkeld kunnen worden om ze op het ‘rechte pad’ te houden en/of te brengen. Essentieel in dit systeem is het idee van onzekerheid en in het geval van veiligheid wordt dit vertaald in de noodzaak om risico-factoren in te kaart brengen. De thema’s veiligheid en terrorisme legitimeren daarbij vergaande maatregelen zoals we met name in de VS en Engeland kunnen zien.

Update:

Nou ja subtiel? Bart Olmert in de Telegraaf (ok, ok) meldt dit:

De gemiddelde burger merkt op straat weinig van het verhoogde terreuralarm, maar achter de schermen is een waslijst ingrijpende maatregelen genomen om geradicaliseerde moslimjongeren tegen te houden op hun jihadreis.

Dat kan door bijvoorbeeld het afpakken van hun nationaliteit en verblijfsstatus, strafzaken te starten tegen teruggekeerde jihadisten en het bevriezen van hun financiële tegoeden.

Ook komen de geradicaliseerde jongeren in een bestuurlijk korset van persoonsgebonden maatregelen zoals uitkeringsvoorwaarden, leer- en werkplicht en hulpverlening. Dit zou de uitwerking moeten hebben van bestuurlijke stalking, waardoor jihadi’s zich permanent gecontroleerd voelen.

Risico-indicatoren
Het ministerie baseert zich op een drietal ontwikkelingen:

  1. Het relatief grote aantal jongeren dat naar het buitenland (Syrië) gaat om daar mee te strijden. Niet met het Vrije Syrische Leger, maar met jihadistische groepen in het bijzonder Jabhat al-Nusra dat verbonden zou zijn met Al Qaeda in Irak. Dergelijke ontwikkelingen waren er al in de jaren ’90 in voormalig Joegoslavië en direct na 9/11 en de oorlog in Afghanistan en de, volkenrechtelijk illegale, invasie van Iraq. Later volgde ook Somalië. De groep die nu is vertrokken is relatief groot in vergelijking met andere jaren volgens mij. De aantallen die ik hoor (maar niet bevestigd zijn) liggen zo rond de 50 à 60 in Nederland en een iets hoger aantal uit België. Ook vanuit Engeland en Spanje klinken soortgelijke waarschuwingen. Het gaat daarbij om een beperkt aantal zeer kleine netwerken; het ministerie wijst name op Sharia4Holland en Behind-Bars. Beide clubjes bestaan inmiddels niet meer als zodanig. Overigens zouden deze mannen zich niet hebben aangesloten bij Jabhat al-Nusra. Al eerder zou er sprake zijn van een filmpje met daarin jongeren uit Nederland; iets wat ik er echt niet in hoor maar het heeft zich aardig verspreid inmiddels. Voor heel Europa zou het gaan om honderden personen die zich begeven op het jihadistische pad; in Nederland in totaal ongeveer honderd.
  2. Als tweede zou er sprake zijn van een toenemende radicalisering onder jonge moslims in Nederland. Dat blijft echter wat vaag. Het zou kunnen gaan om S4H en B-B, maar dan heeft het eerder betrekking op een toegenomen zichtbaarheid dan op een daadwerkelijke toename van activiteiten en jongeren. Het is ook niet duidelijk wat men bedoelt met ‘toename’: ten opzichte van welk tijdvak? Als het gaat om de laatste paar jaren heb ik daar weinig van gemerkt. Wel is het zo dat er met de burgeroorlog in Syrië en de eerdere strijd tussen Israël en de Palestijnen in Gaza er meer politiek getinte uitingen waren dan voorheen, maar volgens mij nauwelijks meer dan in soortgelijke gevallen eerder en een stuk minder opruiend dan vroeger.
  3. Een andere ontwikkeling betreft de situatie in het Midden-Oosten en Mali waar, door verschillende oorzaken, jihadistische facties gebruik kunnen maken van het politieke machtsvacuum.

Deze drie ontwikkelingen staan niet los van elkaar zoals je waarschijnlijk wel ziet en het zijn waarschijnlijk ook niet zozeer deze drie punten afzonderlijk die een rol spelen als wel het feit dat ze in elkaar grijpen en elkaar beïnvloeden wat de doorslag geeft om het dreigingsniveau te verhogen.

Abstracte dreiging

De Syrië-gangers zijn natuurlijk de meest concrete indicator. Andere factoren zijn minder helder. Zo zou Nederland ook vanwege andere redenen in het vizier van internationale jihadisten (onder meer in Somalië, dat ook aantrekkingskracht geniet onder Nederlandse jihadisten) blijven onder meer vanwege discriminatie tegen moslims en de radicale anti-islam campagne van Geert Wilders. Meer recent was er het jihadistische fan-magazine Inspire met een dodenlijst waarop onder meer Geert Wilders en Ayaan Hirsi Ali prijken. De aanwezigheid van het Nederlandse leger in diverse landen zou eveneens een rol spelen hoewel dit niet iets nieuws is.

Het gaat in het dreigingsbeeld niet alleen om jihadistische moslims. Andere zaken die genoemd worden zijn spanningen tussen Turkse en Koerdische Nederlanders, de aanwezigheid van PKK, Dierenrechtenactivisten, linkse en asielrechtenactivisten die actief waren bij de tentenkampen voor uitgeprocedeerde asielzoekers en (in tegenstelling tot in Duitsland) geringe activiteiten van rechts-radicalen. Ook de mislukte aanslag in Denemarken op cartoonist Lars Hedegaard zou een rol spelen hoewel niet duidelijk is wie de dader is en wat zijn motief is. Een ander zorgwekkend gegeven is de mislukte aanslag op het station in Bonn; onduidelijk is wie daar achter zat. In Polen is in november de chemicus Bruno Kwiecién opgepakt die een cel zou leiden die een aanslag wilde plegen op het Poolse parlement.

Risico’s die geen dreiging zijn

Om te zien hoe het idee van surveillance werkt is het ook aardig om te kijken welke andere mogelijke risico-factoren er zijn voor de veiligheid, maar die niet genoemd worden. Zo wijzen veel moslims op mogelijke spanningen tussen soennitische en sjiitische moslims als gevolg van de strijd in Syrië. Opvallend afwezig in het dreigingsbeeld is de PVV. Waar de aanwezigheid en activiteiten van anderen genoemd worden als mogelijke dreiging an sich, wordt Wilders alleen genoemd als indicator van dreiging onder moslims; omdat radicale groepen op hem zouden reageren. Toch kunnen ook de activiteiten van de PVV op zichzelf als mogelijke dreiging aangemerkt worden. De net gelanceerde de anti-moskee campagne kan bijdragen aan een verdere polarisatie en de, laatste tijd steeds openlijkere, vechttaal van de PVV is risicovol.

Tot slot zijn eveneens verschijnselen als anti-semitisme en islamofobie niet gedocumenteerd in het kader van dit dreigingsbeeld. Misschien verwacht men in dit geval niet meteen aanslagen, maar er zijn in Europa inmiddels genoeg voorbeelden van aanslagen door verschillende groepen waarbij varianten van anti-semitisme en islamofobie een rol hebben gespeeld.

Radicaal idealisme?

De meeste aandacht gaat uit naar de Syrië-gangers. Maar zo nieuw is het niet dat er jongeren uit Nederland naar elders gaan om daar te strijden. Eerder dus al tijdens de oorlog in Bosnië, daar ging het immers om genocide, maar bijvoorbeeld ook langer geleden tijdens de Spaanse Burgeroorlog waar zo’n 700 Nederlanders als vrijwilliger gevochten hebben. Ten ten tijde van de Tweede Wereldoorlog gingen Nederlanders naar het Oostfront om daar met de Duitsers te vechten tegen de Russen. En Zembla berichtte enkele jaren terug dat joodse jongeren uit Nederland naar Israël gingen om daar te vechten voor Israël in het leger.

De betrokken mensen hadden destijds veelal het idee dat ze iets goeds deden. Zo ook deze jongeren zeer waarschijnlijk. Of zoals één van de mensen uit de omgeving van de Syrië-gangers het formuleert:

[…] Wij als Nederland [moeten] heel erg trots zijn op de mensen die bereid zijn om ten strijde te trekken tegen het regime van Beshar Asad. Het westen, maar ook de Arabische leiders verzaken. Wij moeten trots zijn op iedereen, of het nou een journalist betreft die foto’s schiet om de mensen de waarheid te vertellen, en daarbij zijn leven riskeert, of een journalist die een documentaire wil maken of mensen die hun leven willen opofferen voor een zuiver Midden-Oosten. Waarom moeten wij wel trots zijn op de jongens die in de naam des vaderlands strijden in Afghanistan en en niet trots op deze mannen die hun prettige leven in het westen laten, hun familie verlaten, hun studie, werk en sociale contacten in onzekerheid achterlaten om de toekomst te bieden aan de kinderen van het Midden-Oosten?

Het moge duidelijk zijn dat er vormen van gewenste en ongewenste gewelddadige strijd zijn. De reden dat de overheid zich ook nu zorgen maakt is niet alleen het feit dàt er mensen naar Syrië gaan, maar het feit dat ze zich aansluiten bij jihadistische kringen. Ik ga er daarbij vanuit dat het ministerie verwijst naar de kringen die zich met gewelddadige jihad bezig houden; er zijn ook andere manieren om jihad te verrichten die niet gewelddadig zijn zoals het verzorgen van slachtoffers, geldinzamelingen en het verzorgen van reportages. Dat het om relatief hoge aantallen gaat heeft waarschijnlijk onder meer te maken met het gegeven dat het redelijk makkelijk is om Syrië te bereiken; makkelijker in ieder geval dan de strijdtonelen in bijvoorbeeld Afghanistan, Pakistan en Somalië. Het is mij niet duidelijk van welke netwerken men nu precies gebruikt maakt om de juiste plek in Syrië te bezoeken.

Verder bestaat er de vrees dat deze jongeren verder ontwikkeld zijn in hun radicale gedachten en met gevechtservaring terug kwamen en die ook zouden willen gebruiken. Ik ken drie voorbeelden daarvan uit het verleden; misschien zijn er meer geweest maar dat denk ik eigenlijk niet. Natuurlijk zit er wel een risico aan hun terugkeer; los van hun radicale gedachtegoed en praktijken is er ook het risico van psychische trauma’s die hier ernstige consequenties voor henzelf en hun omgeving kunnen hebben zoals we eerder gezien hebben bij Nederlandse militairen. Tevens bestaat er de angst dat de terugkeerders hun wellicht verhoogde status als strijder zouden  kunnen aanwenden om jongeren te radicaliseren.

Hoe bang moeten we zijn?
Geen idee. Op deze pagina ziet u de opbouw van de dreigingsniveau’s maar wat dat concreet betekent weet ik niet. Hoe past de moord op Fortuyn of Van Gogh in deze lijst? En de vooravond van de inval van de Duitsers in 1940? (Goed, geen terrorisme dat laatste, maar toch een fundamentele bedreiging voor het voortbestaan van het koninkrijk en ‘life as we know it’ en daarmee toch belangrijker dan die politieke moorden). Het lijkt me dat de huidige dreiging toch niet in hetzelfde beeld past als dat van 1940 en in ieder geval is er weinig exceptioneels aan de hand ook willen sommigen ons anders doen geloven (en daarmee bedoel ik niet in het ministerie). Dat ligt natuurlijk anders voor slachtoffers en nabestaanden van aanslagen die het verlies de rest van hun leven met zich meedragen, maar het is toch zaak hier niet al te overspannen op te reageren.

Ook al is het hier geen Engeland of de VS, het zou goed zijn als de overheid niet alleen laat zien hoe een dreigingsniveau is opgebouwd, maar ook welke bevoegdheden en restricties daarbij gelden; de geschiedenis suggereert namelijk dat het overreageren op dreigingen een groter risico kunnen vormen dan berusting en gewoon doorgaan met wat we al deden.