Inleiding
Vlak na de dood van grensrechter Richard Nieuwenhuizen kwam de Telegraaf met een foto op de voorpagina waarin te zien zou zijn hoe hij   ‘schop na schop te verduren heeft gekregen’ met de kop ‘Waanzin’. Afgelopen donderdag was er een debat in de Tweede Kamer waar ik eerder over schreef in termen van ‘racisme drama‘.
De meest veelgehoorde commentaren op het stuk over het racisme drama:

1) Oud linkse reflex om te discussie te smoren door de racisme kaart te trekken;

2) Ontkennen van reële problemen;

3) Bagatelliseren

Alle drie de commentaren hebben betrekking op het fenomeen ‘benoemen’. Het blijkt voor sommigen geen probleem te zijn om racistische verbanden te trekken (en dat te zien als benoemen), maar de verwijzing naar racisme is not done. Dat blokkeert de discussie zogezegd. Dat doet het natuurlijk niet. Het zijn degene die aanstoot nemen aan de verwijzing naar racisme die de discussie blokkeren door die verwijzing persoonlijk op te vatten, buiten de orde te verklaren en vervolgens niet meer inhoudelijk op de zaken in te gaan. Dit laat goed zien dat er iets bijzonders aan de hand is met ‘benoemen’; sommige zaken moeten op een bepaalde manier ‘benoemd’ worden en mogen niet op een andere manier benoemd worden.

Benoemen

‘Benoemen’ is een zogenaamde taalhandeling. Met het uitspreken van de woorden is de handeling verricht. Als ik een belofte publiekelijk uitspreek, dan heb ik de belofte gedaan. Op het moment dat ik een fenomeen ‘benoem’ heb ik dat fenomeen een plek gegeven in de sociale orde. Dit betekent automatisch dat taal geen neutrale handeling is. Het is een handeling die gesitueerd moet worden in een specifieke culturele en politieke omgeving. Wanneer iemand in Marokko iemand dood en ik ‘benoem’ dat de dader een ‘Marokkaan’ is, dan is dat een

manier van benoemen die weinig indruk zal nalaten. Wanneer hetzelfde gebeurt in Nederland en ik ‘benoem’ opnieuw in die termen dan ontlaadt dat als het ware diverse betekenissen die mensen aan dat label toekennen: gewelddadig, niet geïntegreerd, product van de multiculti samenleving, macho-cultuur, gebrek aan geweten, islam, enzovoorts. ‘Benoemen’ is ook een manier om te zeggen: ‘En zo zit het.’ of ‘Dit is de realiteit’ of ‘Dit is de waarheid’. Nu is de realiteit vaak oneindig ingewikkelder dan met één label aan te duiden is, benoemen is dan vaak ook niet meer dan het reduceren van die complexiteit tot iets dat hanteerbaar lijkt.

Baukje Prins noemde dit benoemen jaren geleden al (ja er is echt niks nieuws onder de zon) ‘nieuw-realisme’; een vorm van spreken over de multiculturele samenleving die een veel confronterende stijl had dan het vaak pacificerende toontje voor de opkomst van Pim Fortuyn. Zonder nu meteen te willen pleiten voor een terugkeer naar meer pacificerende tijden, wil ik toch wijzen op vier mythes die dit ‘benoemen’ onvruchtbaar maken voor de aanpak van de problematiek: neutraliteit, zichtbaar maken, doortastendheid.

Neutraal

Het lijkt simpel: het zíjn toch ‘Marokkaanse’ jongeren die dit doen? Zo simpel is het niet. Ze zijn immers in Nederland geboren en getogen, gaan naar Nederlandse scholen en zitten op een Nederlandse sportclub. Dus waarom zouden we ze geen Nederlandse of Amsterdamse jongeren noemen? Aangezien Marokko verschillende Arabische en Amazigh (berber) groepen kent, zouden we ze ook Arabische of Amazigh jongeren kunnen noemen. Of een combinatie: Marokkaans-Nederlands (of andersom). De keuze voor een bepaalde aanduiding is een politieke keuze die nauw samenhangt met hoe dit land omgaat met minderheden. In Nederland gaat het, zoals Halleh Ghorashi jaren geleden al liet zien, om óf óf. Je bent óf Nederlander óf Marokkaan. Terwijl het in de VS gaat om én én. Daar kun je dus bijvoorbeeld Iraniër en Amerikaan zijn zonder dat aan één van de twee getwijfeld wordt (wat niet wil zeggen dat de VS per definitie een aantrekkelijke smeltkroes is). De insluiting of uitsluiting van minderheden is de laatste 20 jaar steeds meer gebaseerd op cultuur als criterium. Migranten en hun nakomelingen hebben een andere cultuur zo denken we, dus ander gedrag en moeten zich dus aanpassen. Daarbij staan voorzieningen die allochtonen in staat moeten stellen hun problemen aan te pakken onder druk als men zich aanpast aan die allochtonen (bijvoorbeeld met betrekking tot taal), maar worden er juist wel tal van programma’s ontwikkeld om problemen met allochtonen aan te pakken. Mooi, maar heel veel zal de criminaliteit er niet door dalen (als dat al gebeurt, zie verderop) want in absolute aantallen worden er meer misdaden gepleegd door autochtonen dan door allochtonen.

Onthullen en verhullen

Met benoemen je maak de problemen zichtbaar en helder? Uit het voorgaande blijkt al dat dat twijfelachtig is. Wat maakt het etiket precies helder? Dat er een relatie is tussen Marokkaanse cultuur en misdaad? Waarom heeft de eerste generatie en waarom hebben meisjes dan minder vaak een criminele carrière dan Marokkaans-Nederlandse jongens? En waarom doen andere jongeren uit vergelijkbare milieus het wel goed? Het label ‘Marokkaans’ is een label dat mensen voor zichzelf reserveren of dat anderen hen opplakken. Nog duidelijker is dat bij de term ‘allochtoon’. Het is niet zo dat de staat last van hen heeft omdat ze allochtonen zijn, nee ze zijn allochtonen omdat de staat last van hen had anders hadden we ze niet zo ‘benoemd’.

De term ‘Marokkaan’ laat ook zien dat de focus vooral ligt op wat deze jongeren anders zou maken dan autochtone jongeren. Maar is dat wel zo? Een paar jaar geleden alweer sloeg een groepje autochtone jongeren Mohamed Aarab neer en staken deze gehandicapte Somalische Nederlander in brand; dit soort misdaden is dus zeker geen monopolie van één bepaalde categorie mensen. De focus op het moeten benoemen van etniciteit suggereert dat criminaliteit door minderheden moreel verwerpelijker zou zijn, dan criminaliteit onder de autochtone meerderheid.

Verder hebben vele onderzoekers zoals Trees Pels er ook op gewezen dat de afkeer van gezag, de drang naar materialisme en autonomie, het overdreven, zelfs agressieve, voor zichzelf opkomen culturele patronen zijn die we zowel bij allochtone als autochtone overlastgevende jongeren kunnen aantreffen. Dat het Nederlandse voetbal ook meer in het algemeen een probleem kent met geweld en dat Marokkaans-Nederlandse jongeren daar ook aan mee doen wijst ook eerder op integratie dan op cultureel verschil. Iets dat volkomen afwezig is in alle analyses (niet alleen in dit specifieke geval overigens) is hoe één en ander (verlies van gezag, agressiviteit) samenhangt met de sociaal-economische positie en daarmee gepaard gaande onzekerheid van mensen (of wordt afgedaan als ‘politiek correct’ en dus ‘fout’). Met andere woorden benoemen maakt ‘iets’ zichtbaar, terwijl het andere mogelijk relevante patronen onzichtbaar maakt in onze analyses.

Doortastendheid

Voortdurend stelden kamerleden in het debat op donderdag dat de term ‘Marokkanendebat’ weliswaar veel te generaliserend was, maar dat we de zaken ook niet moeten ontkennen en misstanden hard moeten aanpakken. En als je zaken wil aanpakken moet je ze benoemen. Opnieuw een waarheid als een koe zo lijkt, maar uit het voorgaande blijkt al dat dit twijfelachtig is. Met ‘benoemen’ lijkt het alsof we de zaken helder maken, maar eigenlijk is ‘benoemen’ meer een onderdeel van een zoektocht naar een verklaring van ‘waanzin’ dan een heldere analyse. Daarbij is de term ‘Marokkaanse cultuur’ een begrip dat slaat op een categorie mensen. Individuen zijn niet willoze wezens bevangen door ‘de macho-cultuur’ of ‘de Marokkaanse cultuur’.

Cultuur wordt vaak gebruikt als een ‘restverklaring’. We kunnen de oververtegenwoordiging van Marokkaans-Nederlandse jongeren in sommige misdaadstatistieken niet helemaal verklaren door leeftijd en sociaal-economische positie in ogenschouw te nemen. Wat dan overblijft moet wel iets met cultuur of etniciteit te maken hebben zo lijkt de redenering te zijn. Anderen wijzen dan juist op discriminatie. Het aantonen van de rol van cultuur, etniciteit en discriminatie blijft echter erg lastig hoewel er wel signalen zijn dat Marokkaans-Nederlandse jongens een grotere kans hebben om opgepakt te worden als ‘usual suspects’. Wanneer cultuur gebruikt wordt als verklaring van het gedrag dan wordt dat meestal gedaan aan de hand van een rijtje kenmerken: gezag, machogedoe, wantrouwen, materialisme, enzovoorts. De aanpak zou zich dan ook daarop moeten richten. Maar zo’n rijtje kan nooit de veelzijdigheid, dynamiek complexiteit en tegenstrijdigheid van cultuur weergeven. Uiteindelijk verklaart ‘cultuur’ dan ook niets in individuele gevallen, maar is cultuur (net als identiteit) een fenomeen dat juist verklaard moet worden. Daarnaast is cultuur, als het op die manier wordt gebruikt, een groepsbegrip. Men probeert iets over groepen te zeggen op basis van een sjabloon dat in individuele gevallen geen enkele waarde heeft.

De nuttige nutteloosheid van het benoemen

Hieruit volgt dat ‘benoemen’ als uitgangspunt voor het aanpakken van fenomenen zo goed als nutteloos is. De term ‘Marokkaanse jongeren’ suggereert duidelijkheid en doortastendheid, maar wat er precies bedoeld wordt is neutraal, noch volledig, noch een verklaring voor wat er gebeurt. De vraag is ook hoe lang we doorgaan met het ‘benoemen’ van de afstammelingen van Marokkaanse gastarbeiders, als ‘Marokkaan’? Derde, vierde, vijfde generatie? Of nog verder. ‘Benoemen’ zou ook wel eens averechts kunnen werken. De vrienden van de jongeren die de grensrechter gemolesteerd hebben, waren er vanaf het begin van overtuigd dat ze onschuldig waren, het zo niet bedoeld hadden en dat ‘de Nederlanders’ al naar ‘de Marokkanen’ wezen  zonder precies te weten wat er is gebeurd. Ook dàt is een vorm van benoemen en ook dat bestendigd vooral de wij-zij tegenstelling die in het geval van deze jongeren wel eens onderdeel van het hele probleem zou kunnen zijn.

Maar waarom dan toch dat ‘benoemen’ en waarom in deze specifieke vorm van ‘Marokkanenprobleem’? De nadruk op ‘benoemen’ vindt vooral plaats direct na dramatische incidenten. Soms wanneer allochtonen het slachtoffer zijn van geweld door autochtonen en andere keren waar autochtonen het slachtoffer zijn zoals in het verleden de moord op Marianne Vaatstra en nu op de grensrechter. Mensen proberen zin te geven aan deze gewelddadige fenomenen die nu eenmaal in iedere samenleving plaatsvinden en die ons begrip van hoe het hier gaat danig schokt.

‘Benoemen’ is dan vooral een ritueel waarmee specifieke incidenten een plaats krijgen in onze sociale en symbolische orde, waarmee zin gegeven wordt aan het waanzinnige en waarmee het ‘goede’ wordt bevestigd en het ‘kwade’ uitgedreven. Verwijzingen naar ‘De Marokkaanse cultuur’, ‘het Marokkanenprobleem’, en ‘de islam’ zijn rituelen waarmee sommige autochtonen zin geven aan de waanzin en waaraan men een bepaalde zekerheid en oriëntatie ontleend over hoe de wereld in elkaar zit en wat goed en fout is. Het is echter een schijnzekerheid en schijnhelderheid. Het is dan ook niet voor niets dat de meesten niet verder komen dan ‘benoemen’ en met geen enkele haalbare oplossing komen. Wellicht is dat ook helemaal niet de bedoeling; zodra het ‘benoemd’ is, is het fenomeen geneutraliseerd, is de samenleving weer in de juiste orde en kunnen we verder met de orde van de dag.