Dit land kent een ijzeren wet van de integratie. Die luidt: er kan geen enkele kwestie over migranten en hun nakomelingen in de media of in het politieke debat terechtkomen of uiteindelijk wordt de vraag gesteld in hoeverre die kwestie een negatieve relatie heeft met integratie.

Komen gescheiden taallessen voor vrouwen en mannen in het nieuws? Dan wordt nauwelijks gevraagd of die taallessen goed zijn voor de ontwikkeling en zelfredzaamheid van de cursisten, maar domineert de stelling dat de seksescheiding slecht is voor integratie, omdat die haaks staat op ‘ons’ idee van hoe vrouwen en mannen met elkaar moeten omgaan. Wanneer een woningbouwvereniging in Amsterdam woningen aanpast voor nieuwe bewoners, die vervolgens deels moslim blijken te zijn, gaat het amper over de wenselijkheid van goede huisvesting of over het feit dat er meer autochtonen in deze panden komen wonen dan voorheen. Het gaat vooral over de vraag of dit niet haaks staat op integratie en of de overheid wel zaken moet subsidiëren die niet bij ‘onze’ cultuur passen. En het Marokkanenprobleem, waar ging dat eigenlijk over? Over de werkloosheid van Marokkaans-Nederlandse jongeren en de problemen die dat voor hen oproept? Over de geïsoleerde positie van sommige migrantenvrouwen van de eerste generatie? Nee, over problemen met de integratie van ‘de Marokkanen’ in relatie tot de hoge criminaliteit in deze categorie.

De integratiekwestie gaat niet over problemen van Nederlandse inwoners. Zij draait om een kunstmatig en misplaatst onderscheid tussen De Samenleving en De Minderheden. Integratie is een idee-fixe met maar één functie: het versterken van de natiestaat en de positie van de politieke en economische elites daarin. We moeten dan ook snel van dit idee af.

Rechten en plichten

Dat we leven in een natiestaat klinkt als een open deur en het voelt bijna natuurlijk, maar het concept is pas vrij kort geleden bedacht. Pas sinds de Franse revolutie domineert dit politieke model, met een verregaand gewelds- en belastingmonopolie voor de overheid. Rechten en plichten van individuen werden gekoppeld aan het wel of niet behoren tot een bepaalde natiestaat. De natiestaat bestaat, omdat de inwoners zich dat samen verbeelden en omdat ze bepaalde zaken – bijvoorbeeld oorlogsherdenkingen, feestdagen en het volgen van onderwijs – samen doen. De afgelopen eeuwen hebben politieke elites in alle natiestaten geprobeerd om hun grondgebied in culturele, taalkundige, economische, sociale en juridische zin te homogeniseren. Voorbeelden hiervan zijn de eenheid van de rechtspraak, vaststelling van één nationale taal en het creëren van een nationaal onderwijsstelsel. Door deze homogenisering werd geprobeerd om conflicten te voorkomen. Bijkomend voordeel was dat het kapitalisme gebaat is bij een grote, homogene afzetmarkt.

Het zijn de elites die bepalen hoe die homogenisering moet verlopen. Zíj formuleren dat ‘wij’ de dingen op een bepaalde manier doen. Zij definiëren ‘onze’ normen en waarden. Zo formuleerde het kabinet Lubbers I het al in de Minderhedennota uit 1983:

‘Het spreekt daarbij vanzelf dat ook mensen uit minderheidsgroepen de fundamentele waarden en normen van de Nederlandse rechtsorde zullen moeten eerbiedigen. Verlangens van leden van minderheidsgroepen die daar tegenin gaan, kunnen dan ook niet worden ingewilligd.’

Hier worden twee partijen in het leven geroepen die helemaal niet bestaan: De Samenleving en De Minderheden. Het zijn partijen die worden gedefinieerd, ‘gemaakt’, zou je kunnen zeggen, door politici, beleidsmakers, opinieleiders, onderzoekers en ondernemers die zich opwerpen als belangenbehartigers van groepen.

In De Samenleving delen mensen bepaalde kernwaarden. De Minderheden zijn degenen van buiten en houden er normen en waarden op na die afwijken van die van De Samenleving. De vooronderstelling is verder dat ‘botsende waarden’ per definitie leiden tot sociale problemen en conflicten. En dus moet er iets gebeuren. Met ‘hen’.

En dat ‘iets’ heet integratie.

afbeelding via Nesrin

 

Om de natiestaat te definiëren en te behouden hebben politieke elites steeds mensen nodig die ‘anders’ zijn. Ze wijzen binnen de natiestaat mensen aan die niet voldoen aan hun standaard. Daarbij hebben ideeën over ras, cultuur en gender altijd een belangrijke rol gespeeld. De politieke elite was mannelijk en blank en gedurende de 18de en 19de eeuw kwam het idee zeer sterk op dat alleen Europa blank was en de rest van de wereld niet.

Tegenwoordig spreken elites niet meer over blank zijn, maar dezelfde ideeën zijn er nog wel, nu vervangen door de notie van ‘cultuur’. Zo stelt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat als een bevolkingsgroep in cultureel of sociaal-economisch opzicht sterk op de Nederlandse bevolking lijkt, deze als westers-allochtoon wordt aangemerkt. Maar de term autochtoon heeft, zeker in het populaire vertoog, wel degelijk de lading van blank, en onder niet-westerse allochtonen vallen geen groepen die als blank worden beschouwd. Of iemand allochtoon is, wordt ook niet bepaald door te kijken naar zijn individuele culturele kenmerken, zoals je door de definitie van het CBS eigenlijk zou mogen verwachten. Nee, er wordt gekeken naar zijn geboorteplek of die van zijn ouders. De categorisering van Antillianen, inwoners van het koninkrijk en dus van de natiestaat, als allochtoon bevestigt dat idee van de autochtoon als blanke nog eens.

Door het aanwijzen van een Ander om een homogene natiestaat te bereiken, gaan insluiting en uitsluiting hand in hand. Je zegt aan de ene kant dat iedereen moet integreren, maar je hebt ook mensen nodig die anders zijn om jezelf te kunnen definiëren. In het verleden gebeurde dit met katholieken, in de jaren vijftig met zogenoemde onmaatschappelijken en tegenwoordig in het bijzonder met moslims. Zij bevinden zich al in de samenleving maar worden apart gezet en moeten vervolgens integreren.

Islam is een probleem

Daarbij is wel wat fundamenteels veranderd sinds de Minderhedennota van 1983. Toen werd ‘de cultuur’ van ‘de migrant’ niet per definitie als problematisch gezien. Dat is nu voor een groot deel wel het geval. Er is geen Nederlandse politieke partij die niet vindt dat de islam op de een of andere manier een probleem is. Sommige partijen leggen daarbij de nadruk op islam in relatie tot andere thema’s zoals opleiding, sociaal-economische positie of secularisering (zoals bij de meeste linkse en rechtse partijen) anderen op islam los van welke context dan ook (PVV), maar de islam is volgens allemaal hoe dan ook een probleem. En waar diversiteit in 1983 nog expliciet als kenmerk van ‘de Nederlandse cultuur’ gezien werd, lijkt dat nu grotendeels naar de achtergrond verdwenen.

De integratieagenda van de huidig verantwoordelijk minister, de PvdA’ er Lodewijk Asscher, gaat zelfs een stapje verder. Migranten moeten niet alleen meedoen, de normen en waarden en de diversiteit in leefstijlen accepteren, maar ook – zijn letterlijke woorden – de normen en waarden verinnerlijken. Zo ver strekken dus de ambities van de elites in de natiestaat: tot aan de gedachten en gevoelens van burgers aan toe.

Het tegelijk insluiten en uitsluiten gebeurt niet alleen door steeds mensen als ‘de ander’ aan te wijzen, maar ook door opmerkelijk vaag te houden waaraan en aan wie die ander zich moet aanpassen. Er is zelden of nooit duidelijk gedefinieerd wat integratie nu precies is (en dus ook niet wanneer zij geslaagd is), terwijl er vele manieren bestaan waarop men geprobeerd heeft de ander te classificeren: van gastarbeider tot etnische minderheid tot allochtoon tot moslim. Het gevolg is dat een individuele burger nooit weet of hij of zij zich voldoende aanpast. Daarmee is die burger overgeleverd aan degene die de macht heeft te bepalen wat ‘aangepast’, ‘normaal’ en ‘goed’ is en wat niet. Wat het einddoel van integratie is, blijft onduidelijk.

Bevestiging van ongelijkheid

Dat laatste lijkt misschien wat tegenstrijdig met de vele acties tegen en discussies over homofobie, antisemitisme en praktijken die vrouw-onvriendelijk zouden zijn. Die zijn duidelijk toch? Maar hier gaat het om een heel specifiek idee van wat ‘Nederlands’ is. Er zijn autochtone Nederlanders die vinden dat homoseksualiteit slecht is, of die vinden dat vrouwen niet horen te werken, of die vinden dat religie een grote rol in de politiek moet spelen. Er zijn er ook met antisemitische opvattingen. Maar de overheid wil niet dat migranten zich dááraan aanpassen. Ook niet aan schoonmakers of aan mensen van de Occupybeweging. Lees wat minister Asscher zei in een interview in de Volkskrant, op 21 december:

‘Integratie vergt van de mensen die hier naartoe komen dat zij zich verdiepen in het land van aankomst. Het land van aankomst moet expliciet maken wat het verwacht. Dat doen we met integratiecursussen. Maar we moeten verdergaan en pal staan achter de leraar die vertelt dat hij homo is. Door pal te staan voor onze verworvenheden, maken we het voor immigrantenkinderen makkelijker minder gelovig te zijn dan hun ouders. Het helpt migrantenmeisjes zich te ontplooien en het werkt tegen schijnhuwelijken en andere dwang.’

Migranten wordt gevraagd zich te conformeren aan een ideaalbeeld van Nederland als neo-liberale samenleving, gebaseerd op seculiere en seksuele vrijheden. De paradox is: ze moeten allemaal dezelfde soort vrije individuen worden. Dat is een ideaalbeeld waar niet alle autochtone Nederlanders zich in kunnen vinden. Dat maakt echter niet uit; aan hen wordt niet gevraagd dit ideaalbeeld te accepteren en te verinnerlijken.

Uiteindelijk bevestigt het integratiemodel slechts de bestaande ongelijkheid van autochtonen en migranten en zal dus niet leiden tot vermindering van de problemen die migranten hebben. De overheid zou zich helemaal niet moeten richten op culturele aanpassing van migranten op basis van één specifiek ideaalbeeld. In plaats van alle problemen met en van minderheden te herleiden tot integratie, wordt het tijd dat we met iets anders komen dat recht doet aan de pluriformiteit van dit land. Dit betekent dat migranten zich, net als andere ingezetenen, dienen te houden aan de Nederlandse wet. Maar die wet moet dan ook een afspiegeling zijn van de pluriformiteit van de samenleving. Het afschaffen van de mogelijkheid tot ritueel slachten zou daar haaks op staan evenals een verbod op de gezichtssluier.

De overheid moet migranten niet apart categoriseren ten opzichte van de reeds aanwezige bevolking, tenzij dit strikt noodzakelijk is op basis van relevante criteria, bijvoorbeeld opleidingsniveau van de ouders in het geval van onderwijs, en dan nog slechts voor een beperkte periode van pakweg vier jaar. Daarbij moet de nationale overheid wel de rechten van alle burgers waarborgen, en in het bijzonder van kwetsbare groepen zoals jongeren en vrouwen. Ze moet hen beschermen tegen alle vormen van uitsluiting, variërend van huiselijk geweld tot racisme. De focus van het integratiebeleid dient niet de Nederlandse natiestaat te zijn, maar de plaats waar men woont, werkt en leeft. Daar moet gezocht worden naar manieren om verbindingen te leggen tussen verschillende categorieën mensen en naar mogelijkheden om het samenleven in een gedeelde publieke ruimte te bevorderen.

Dit stuk verscheen is afgelopen zaterdag 13 april in de Volkskrant bijlage Vonk. Het stuk is mede geïnspireerd door eerdere kritiek van Nadia Bouras, Cinan Cankaya en Jurriaan Omlo: Schaf het integratiebeleid af! dat verscheen op Sociale Vraagstukken. Al eerder hebben ook wetenschappers als Edien Bartels, Halleh Ghorashi en Anton van Harskamp van de VU gewezen op het kunstmatige en ideologische onderscheid tussen De Minderheden en De Samenleving. U vindt het  ook terug in het werk van socioloog Willem Schinkel. Zie hieronder het fragment bij Zomergasten in 2011 (met dank aan Nadia):
[youtube:http://www.youtube.com/watch?v=ntqiz22_zjE]