Antropologie: een gevaarlijke bezigheid
Tot mijn grote vreugde heeft Geenstijl antropologie en sociologie uitgeroepen tot meest nuttelozen en gevaarlijke studies van het moment. In gebruikelijk Geenstijl proza sabelt Mathijs van den Beukel hier sociologie en antropologie neer. Het gaat namelijk niet alleen in tegen ‘common sense’ ideeën, maar is schadelijk (en het laatste volgt uit het eerste). Nou is uitgeroepen worden tot de meest schadelijke studie niet gelijk heel erg als dat gebeurt door de redactie van Geenstijl.

Ga maar na, een voorliefde voor het plaatsen van naaktfoto’s van minderjarigen en eveneens illegale naaktfoto’s van bekende Nederlanders in het verleden (alles voor de hits he), toen enkele jaren geleden toenmalig minister Rouvoet iets deed wat de redactie niet beviel vielen ze, nee niet hem, maar zijn minderjarige dochter aan, toen Stivoro bezig was met een anti-rook campagne, plaatsten ze telefoon en adresgegevens van de voorzitster, met de recente schoppartij in Eindhoven werd de verkeerde naam verspreid via de site, men trapt in zo ongeveer iedere hoax die een combinatie van sex, dood en islam heeft, toen men (onterecht) dacht dat Wilders aangifte had gedaan tegen een voormalig schrijver van de site (Bert Brussen) stelde hoofdredacteur Marck Burema dat Wilders net zo lang aangevallen zou worden totdat hij zijn aangifte zou intrekken, eerder al werd er een hetze gevoerd tegen een voorzitter van een christelijke jongerenorganisatie die vanwege een doodsbedreiging aangifte tegen geenstijl had gedaan, toen Felix Meurders de leugenachtigheid van de site doorprikte werd hij doodverklaard, Rutger Castricum die zo nodig vrouwen onder hun rokken moet filmen, nou ja ik houd op. Met andere woorden door zo’n site tot meest gevaarlijke studie te worden verklaard is zo slecht nog niet.

Antropologie is natuurlijk vaker het doelwit. En waarom eigenlijk? Wat hebben antropologen toch ooit uitgevreten dat het de moeite waard zou maken om hen aan te vallen? Nou eerlijk gezegd, meer dan genoeg. Het schedelmeten en andere praktijken in dienst van racistische en imperialistische kolonisatoren zijn een schandvlek van de discipline. Natuurlijk heeft ook antropologie een eigen geschiedenis van plagiaat en fraude. U ziet niets menselijks is ons vreemd. Maar opvallend genoeg gaat het daar niet over. Nee, antropologen praten misstanden goed, gaan in tegen het gezond verstand, zijn wereldvreemd en antropologie is een pseudo-wetenschap van linkse idioten. Nou zijn dit soort argumenten niet zo specifiek voor antropologie; we zien ze vaker in aanvallen op de wetenschap. Bij antropologie komt dat alles echter samen in een argument dat wel specifiek voor deze discipline opgaat: namelijk dat we cultureel relativistisch zijn. En dat is heel erg stellen bijvoorbeeld Asher Ben Avraham en Maja Mischke op De Jaap en vooraanstaande politici zoals Frits Bolkestein en Piet Hein Donner.

Over de mens in al haar diversiteit
Kloppen bovenstaande verwijten nu, ja of nee? Ja, Nee en Ja & Nee.

Antropologie kan het best gezien worden als de wetenschap van alle diversiteit in mensen en hun opvattingen, ervaringen, gedragingen en lichamen. Hoewel antropologie sterk bepaald is door hedendaagse Westerse academische tradities is haar geschiedenis mogelijk veel ouder en zijn er parallelle ontwikkelingen elders in de wereld waarin bijvoorbeeld geleerden als Abu Rayhan al- Biruni, een Perzische geleerde (973-1048) en Ibn Khaldoun, een Tunesische geleerde (1332-1406) een grote rol spelen.

Centraal in de hedendaagse antropologie staat het begrip cultuur voor ervaringen, voorstellingen en praktijken waarmee mensen betekenis geven aan de wereld om hen heen en waardoor mensen in hun betekenisgeving beïnvloed worden. Iets op antropologische wijze bestuderen betekent dat we kijken hoe mensen bepaalde zaken, zoals taal, kleding, gender rollen, eetgewoonten, enzovoorts aangeleerd krijgen, hoe zij anderen deze zaken leren en welke vertogen en praktijken op een gegeven moment en bepaalde plaats dominant worden en andere juist niet. Cultuur verklaart dus niet het gedrag van mensen, maar cultuur dient juist verklaard te worden.

Een antropologische studie is veelal kleinschalig en vergelijkend. We beginnen vanuit de assumptie van diversiteit en proberen die diversiteit in haar gedetailleerde aard te beschrijven en te begrijpen. De analyses van antropologen zijn daarmee niet statistisch te generaliseren, maar wel theoretisch. Vanuit het kleine en gedetailleerde (bijvoorbeeld identiteitsvorming onder Marokkaans-Nederlandse jongeren in Gouda) wordt geprobeerd iets te zeggen over ‘grote’ processen als identiteitsvorming, secularisering, etniciteit, enzovoorts.

Dit alles gebeurt vanuit het besef dat context ertoe doet. Zo is eerwraak onder Turken in Turkije iets anders dan eerwraak onder Turkse Nederlanders en Sinterklaas onder Marokkaanse Nederlanders in Marokko iets anders dan onder Australische Nederlanders in Australië. Economie, taal, gender-rollen, verwantschapsrelaties, politiek en religie spelen daar een rol bij en overal op een andere manier. Daarbij wordt geprobeerd het principe van cultureel relativisme hoog te houden; het idee dat iedere culturele categorie begrepen moet worden vanuit de eigen begripskaders en morele kaders die voor iedereen (en vaak verschillend per individu) een eigen waarde en betekenis hebben als het gaat om wat waar, belangrijk, goed, ethisch, legaal en normaal is.

‘common sense’
Wanneer we seksualiteit en relaties onderzoeken en geen cultuur-relativistisch kader aanhouden zouden we bijvoorbeeld ‘Nederlandse’ normen over seksualiteit en relaties gebruiken om daarmee de opvattingen van andere samenlevingen te analyseren. Dat is simpelweg niet heel informatief en vaak zelfs op z’n minst misleidend ook al lijkt dat juist vaak op het toepassen van gezond verstand. ‘Zo is het nu eenmaal’, ‘Zo doen wij de dingen nu eenmaal hier’, ‘Dit is nu eenmaal de beste manier’, ‘Dit is de realiteit’. Dit betekent echter niet dat antropologen maar alles ondersteunen en goedkeuren wat anderen doen; het tegendeel is het geval. Er wordt voortdurend gekeken naar waar bepaalde praktijken vandaan komen, in wiens voordeel bepaalde opvattingen en praktijken zijn.

Dit lijkt wellicht vanzelfsprekend als het gaat om antropologen die ‘ver weg’ onderzoek doen; naar die groepen die wij ‘anders’ vinden. Hetzelfde perspectief moet echter ook worden toegepast op de ‘eigen’ samenleving van de antropoloog. Deze dient dus niet zomaar opvattingen over vrijheid van meningsuiting, religie of wat dan ook als moreel ijkpunt te nemen, maar deze voortdurend aan een kritische analyse te onderwerpen. Of dat nu de heilige huisjes zijn van de ‘Ander’ of van de ‘wij-groep’; dat is geheel om het even. Alleen dan kun je mensen en groepen mensen begrijpen in hun eigen morele en pragmatische kaders. Het alternatief is namelijk dat je gaat concluderen dat mensen denken en handelen als de antropoloog zelf in zijn/haar privé-leven en dat we de mensen met wie we onderzoek doen zien als (afwijkende) varianten van onszelf.

Stel je voor dat een Warlpiri (Australische aboriginal) antropoloog hier onderzoek zou doen en daarbij sjablonen gebruikt die rechtstreeks uit zijn of haar eigen tradities afkomstig zijn. Deze persoon zou dan bijvoorbeeld een begrip als jukurrpa (meestal vertaald als Dromen of Droomtijd) gebruiken. Wanneer deze persoon hier naar vraagt in een gesprek met een Nederlander en hem/haar vraagt wat deze daaronder verstaat, dan zal deze Nederlander waarschijnlijk zeggen dat hij/zij daar niks onder verstaat; het begrip is onbekend. Als de antropoloog vervolgens de handelingen en gedragingen van deze Nederlander gaat verklaren aan de hand van het begrip jukurrpa, dan is de kans groot dat er helemaal niets klopt van die analyse. Als deze antropoloog de Nederlander zou veroordelen en geringschatten vanwege diens onbekendheid met de term, dan is dat ethisch gezien zeer twijfelachtig.

Nee, een antropoloog zal Warlpiri mensen vragen naar hun begrip jukurrpa en een Nederlander naar een begrip als ‘gezelligheid’. Hij of zij zal analyseren hoe verschillende mensen verschillende betekenissen aan deze begrippen toekennen en de ontwikkelingen die daarin te bespeuren zijn. We proberen daarmee het perspectief van mensen op de werkelijkheid en hun daarmee al dan niet corresponderende handelingen bloot te leggen en te begrijpen binnen specifieke contexten. Antropologie is dus eerder de studie van ‘common sense’ dan ‘common sense’.

De culturele gereedschapskist van de antropoloog
Dat is natuurlijk allemaal mooi en aardig (echt waar!), maar brengt ook een probleem met zich mee zowel voor een Warlpiri antropoloog als een Nederlandse antropoloog. Taal, concepten, ideeën zijn de gereedschappen waarmee we het veld ingaan. Maar juist vanwege onze eigen ervaringen zijn antropologen zich er uitermate van bewust dat taal geen neutraal iets is. Zowel de Warlpiri antropoloog als de Nederlandse antropoloog krijgen hun antropologische gereedschap mee vanuit een veelal Westerse taaltraditie en academische traditie. Ons gereedschap om bijvoorbeeld religie te onderzoeken is vaak ontleend aan het christendom. Zo kunnen we een studie doen naar de plaats van dominees in de islam en dan uitkomen bij imams, terwijl die echt een fundamenteel andere positie in moskeeën hebben. We lopen daarbij het risico dus bepaalde begrippen op te leggen aan onze onderzoeksgroep terwijl die nauwelijks of geen raakvlak met die doelgroep hebben. Als gevolg daarvan zouden we de verkeerde vragen stellen, de verkeerde veronderstellingen hanteren en de verkeerde conclusies trekken; de betrouwbaarheid van een dergelijk onderzoek lijkt hoog (vanwege de bekendheid met termen) maar de validiteit is ver te zoeken (we hebben geen idee of we wel weten wat we meten).

Wat het nog ingewikkelder maakt is dat sommige begrippen, die we vaak zien als Westers maar dat niet persé exclusief zijn, over de gehele wereld (maar op verschillende manieren en met verschillende definities) bekend zijn. Zo is de kans groot dat er wel Nederlanders zijn die het begrip jukurrpa denken te kennen door middel van toerismebrochures, vakanties, films, liedjes, enzovoorts. Door internationale handel, internationale politiek, moderne media, migratie, enzovoorts zijn de grenzen tussen, laten we zeggen, de Westerse cultuur en de Afrikaanse cultuur, niet scherp te trekken. Sterker nog de ‘de Westerse cultuur’ of ‘de Afrikaanse cultuur’ zijn onzin geworden (behalve voor politiek gebruik). Er is voortdurend wederzijdse beïnvloeding en weliswaar kan een begrip als ‘vrijheid’ wel sterk beïnvloed zijn door Europese tradities dat wil nog niet zeggen dat anderen buiten Europa geen waarde hechten aan en streven naar vrijheid.

Het is onmogelijk voor een antropoloog om helemaal te ontsnappen aan bovenstaande taalval, maar antropologen zijn wel voortdurend bezig met reflectie daarover en om bepaalde begrippen kritisch te bekijken. Omdat dit vaak Westerse begrippen zijn, lijkt die reflectie wellicht nog extra cultureel-relativistisch. Maar dit vergroot wel de validiteit van onderzoek en daarmee de wetenschappelijke waarde ervan. Neem bijvoorbeeld het huwelijk. Heel veel antropologen doen onderzoek naar hoe mensen een geschikte huwelijkspartner vinden. Maar wat is precies een huwelijk? Daar werd vroeger in Nederland anders over gedacht dan nu. Verschillende groepen hebben daar heden ten dage ook verschillende opvattingen over. Wat we dus niet doen is beginnen met vragen: ‘Hoe kiest u uw huwelijkspartner?’ maar met ‘Wat verstaat u eigenlijk onder huwelijk?’. Vervolgens kunnen we kijken naar hoeveel verschillende huwelijken er eigenlijk zijn. En daarop volgend: ‘Huwelijk? Waarom eigenlijk?’ Sommige mensen zullen daarop wellicht antwoorden: ‘Omdat dit volgens God de manier is om de voortplanting van de mensheid te verzekeren’. Dat is voor een antropoloog een belangrijk en veelzeggend antwoord, maar niet zomaar voldoende als verklaring. Er zijn immers mensen die niet trouwen. Er zijn mensen die trouwen maar samen geen kinderen willen of kunnen krijgen. Er zijn mensen die niet trouwen maar wel kinderen krijgen. We zoeken dus ook naar andersoortige verklaringen die de variaties binnen bepaalde categorieën mensen verklaren.

Macht & Autonomie
In hun verklaringen besteden antropologen veel aandacht aan machtsverhoudingen én aan de capaciteit die individuen hebben om zelfstandig te handelen. Mensen worden immers beperkt in hun mogelijkheden door politieke, sociale en economische machtsverhoudingen, maar hebben binnen dat kader altijd de mogelijkheid om een eigen weg te kiezen. Dit geldt zeker voor democratische samenlevingen waar de politieke elites niet proberen mensen te sturen door middel van repressie, maar door mensen ervan te overtuigen dat een bepaalde manier van denken en handelen in hun eigen voordeel is door het als ‘normaal’, ‘voor de eigen bestwil’ en ‘goed’ aan te merken. Zo besteden Europese overheden in het anti-radicaliseringsbeleid gericht op moslims veel tijd en energie aan het overtuigen van moslims dat het beter is om gematigd en liberaal te zijn (volgens de definities van de overheid). Dat geeft moslims de kans op een eigen platform (immers met hen schijnt wat aan de hand te zijn) en om in te vullen en te articuleren wat liberaal precies is. Het geeft moslims echter ook de mogelijkheid om precies het tegenovergestelde te benadrukken; dat islam juist niet liberaal hoort te zijn volgens de opvatting van de Nederlandse overheid. Ook dat geeft hen media-aandacht en een platform. Hindoes hebben zoiets niet en voor hen is het verwerven van een platform als ‘liberale hindoe’ dan ook veel lastiger.

Het is niet aan de antropoloog om een liberale of radicale positie van moslims (of van wie dan ook) te ondersteunen, laat staan heilig te verklaren. Het is evenmin aan een antropoloog om de positie van de overheid en de waarden die zij probeert over te brengen als absoluut en heilig en op basis daarvan individuele burgers te analyseren. Dat zou betekenen dat we blind zouden zijn voor machtsverhoudingen en met begrippen als ‘liberaal’ en ‘gematigd’ reduceren we de veelheid aan posities die moslims kunnen innemen tot twee die van bovenaf opgelegd worden. Met andere woorden we zouden bijdragen aan het verkleinen van de handelingscapaciteit van mensen. Dat is slecht onderzoek en onethisch onderzoek.

Meer cultuur-relativisme graag
Juist in een tijd waarin veel antropologisch en ander (overigens vaak heel redelijk) onderzoek toch al wordt uitgezet in opdracht van de overheid (met bijbehorende begrippenkaders) en waarmee dus de probleemdefinities van de overheid deels worden overgenomen, hebben we juist meer cultureel-relativisme nodig en is antropologie meer dan nuttig. Als dat er vervolgens toe leidt dat antropologie en sociologie tot meest gevaarlijke studie worden uitgeroepen, dan is dat heel mooi. Het betekent namelijk dat wij onze taak toch nog niet zo slecht doen. Toch zou het wel beter kunnen. Zo vindt veel antropologisch onderzoek plaats onder migranten in Nederland, maar veel minder onder autochtone inwoners van oude stadswijken of onder PVV-stemmers. Daarmee versterken antropologen juist het idee dat migranten anders zijn en een probleem en versterken ze dus het heersende verhaal over migranten.

Lang leve de antropologie dus. En op naar meer ontwrichtende, gevaarlijke wetenschap!

Zie ook Ton Salman’s stuk op StandplaatsWereld: Veldwerk-Turbulenties

Voorbeelden zijn deels overgenomen / geïnspireerd door: Eller, Jack David. 2007. Introducing anthropology of religion: culture to the ultimate. New York / London: Routledge.