Jan Jaap de Ruiter is een Arabist die, als één van de weinigen van mijn collega’s zeer actief is op het internet. Met commentaar en toelichting op vanalles wat met islam, moslims en Midden-Oosten te maken te heeft, levert hij een waardevolle bijdrage als wetenschapper aan het publieke debat. Niet te beroerd om de dialoog aan te gaan met allerlei opponenten die vinden dat hij niet echt waardenvrije wetenschap bedrijft (alsof dat mogelijk zou zijn) richt hij zijn pijlen onder meer op Wilders cs. en hun politieke gedachtegoed. Eén van zijn belangrijkste publicaties op dit terrein is het boekje ‘The Speck in Your Brother’s Eye’ wat deels een uitgebreide recensie is van het boek van Wilders ‘Marked for Death’, deels een pamflet is met een politieke aanklacht (Wilders kleedt zijn anti-islam boodschap zo in, dat geweld een mogelijke, ultieme, consequentie is) en deels het resultaat van zijn eigen zorgen over het politieke klimaat in Nederland.

Marked for Death

Ik bespreek hier het boek van De Ruiter, maar eerst even over het boek van Wilders. Dat boek is zowel een boek met een politieke boodschap als verslag van een persoonlijke strijd van, zoals hij het invult, de eenzame heldhaftige politieke profeet die ten strijde trekt tegen de gewelddadige islam en daarvoor als een echte martelaar een hoge persoonlijke prijs betaalt. Zo vertelt hij in het boek over de dood van zijn vader en hoe hij zijn tranen niet meer kon bedwingen in het bijzijn van zijn aardige maar ook vreemde lijfwachten. Zo maakt hij het persoonlijke politiek en het politieke persoonlijk. Hij voert een verdedigingsstrijd tegen het agressieve en gewelddadige gedrag van migranten die hun inspiratie of zelfs gedrag direct zouden ontlenen aan de islam die hij reduceert tot gewelddadige en/of intolerante acties van moslims en tot enkele verzen uit de Koran die zouden oproepen tot geweld. Zoals Jan Jaap de Ruiter ook laat zien, verdraait Wilders die islamitische geschiedenis zo dat in feite veel alledaagse vooroordelen, stereotyperingen en reacties tegen vreemdelingen en tegen islam (volgens bovenstaande definitie) worden gerationaliseerd tot een legitieme angst en afkeer. Die angst en afkeer en de rationalisering ervan dienen vervolgens als basis voor een meer diepgaand en uitgewerkt standpunt voor het uitsluiten van ongewenste vreemdelingen en moslims. Op dat moment kunnen we met recht spreken van islamofobie.

Die laatste stap maakt hij in dit boek door enerzijds een Westers utopia van vooruitgang, tolerantie en vredelievendheid te creëren tegenover het angstbeeld en de perfecte misère van zijn invulling van islam. Dit doet hij mede op basis van uitspraken van illustere namen als Salman Rushdie en Thomas Jefferson en Albert Speer. Op deze manier schept hij uiteindelijk een specifiek type racistisch, namelijk islamofobisch, gedachtegoed. Het gaat volgens Wilders om een existentiële strijd tussen de Westerse beschaving en de islamitische beschaving. Voor alle duidelijkheid nergens roept Wilders direct op tot geweld tegen moslims; volgens hem zouden moslims hun geloof moeten verlaten.

De splinter en de balk

De stelling van Jan Jaap de Ruiter is dat Wilders zijn onheilscenario zo opzet dat de ultieme consequentie een situatie is waarin geweld de mogelijke of zelfs enige oplossing is om het onheil af te wenden. De Ruiter bespreekt achtereenvolgens de waarheidclaims van Wilders, hoe Wilders zijn idee over de vermeende superioriteit van ‘het Westen’ uitwerkt tegenover de inferioriteit van ‘de islam’, hoe Wilders de islam definieert als ideologie die vergelijkbaar is met nazisme, fascisme en communisme en hoe Wilders de islam wil uitbannen. De Ruiter laat zien dat Wilders weliswaar claimt het debat te willen aangaan, maar dat vooral doet met opzettelijke provocerende beledigingen van islam en moslims. Hij laat overtuigend zien hoe Wilders de islamitische tradities en hun geschiedenissen verdraait, eenzijdig belicht en hoe Wilders probeert zijn definitie van wat islam is op te leggen. De Ruiter probeert niet alleen dat eenzijdige en verdraaide beeld van de islam te corrigeren (zonder apologetisch te worden), maar ook een evenzeer verdraaid en eenzijdig beeld van het Westen recht te zetten. Dit lukt hem ten dele simpelweg door te laten zien dat Wilders citaten uit de context neemt of maar half geeft en door te wijzen op de inconsequenties in het betoog van Wilders.

Anderzijds vervalt ook hij toch enigszins in het beschavingsdenken dat wordt gekenmerkt door een wij-zij denken. Bijvoorbeeld op p. 22 wanneer hij het heeft over Wilders’ idee over superioriteit van het Westen en dat die moslims maar blijven doorzeuren over de kruistochten: ‘Does it mean that the West is not suffering from any kind of memory syndrome?’ Alsof er zoiets bestaat als een ‘Westerse beschaving’ en een ‘islamitische beschaving’ (op zich al ongelijke indelingen) die los van elkaar staan. Dit terwijl Europa en islam al eeuwen nauw met elkaar verbonden zijn; niet alleen door conflicten maar ook door intellectuele uitwisselingen, dialoog, handel, concurrentie, enzovoorts. Het is dan ook opvallend dan De Ruiter in bovenstaand zin die tegenstelling lijkt te hanteren en vervolgens komt met een voorbeeld van Serven en Moslims in de Balkan.

Een ander punt van kritiek betreft het feit dat De Ruiter af en toe zowel ‘islam’ als ‘christendom’ enige capaciteit tot handelen (‘agency’) lijkt toe te schrijven. Bijvoorbeeld als hij zegt ‘Islam…failed to stick’ (p. 49), ‘It is true, Christianity ordains….’ (p. 26). Uiteindelijk zijn ‘islam’ en ‘christendom’ zoals ze hier gebruikt worden abstracte fenomenen die natuurlijk niet ‘handelen’ of ‘falen’ of ‘verordonneren’. Dat zijn mensen die dat doen eventueel op basis van bepaalde geschriften. Daarbij lijkt hij, bijvoorbeeld in het laatst genoemde citaat’ uit te leggen hoe religie geïnterpreteerd dient te worden: ‘Het is waar dat…enz.’. Dat doet hij wel op meer plekken zoals op p. 51 wanneer hij stelt ‘I would say that a good religion or ideology will always be unambiguous in its commandments to its followers. Any spoken or written text that could be interpreted as allowing violence should never be part of a religion or ideology’. Ook hier zien we weer een suggestie dat een religie handelt (commandeert), maar ook dus dat hij invult waar een ‘goede’ religie of ideologie aan dient te voldoen. Dat is zijn persoonlijke invulling en daar is niks mis mee, maar het is irrelevant voor zijn argument (wel relevant overigens in die zijn dat zijn persoonlijke drijfveren zo mooi zichtbaar zijn). Evenmin maakt hij duidelijk wat er dan moet gebeuren met religies waarin wél tradities zijn van gereguleerd geweld (zoals alle religies eigenlijk). Daarbij, zoals De Ruiter laat zien, doet het er ook eigenlijk niet zoveel toe of er in geschriften wordt opgeroepen tot geweld; het gaat om de interpretatie en legitimeringen van mensen en om de vraag of, hoe en waarom men overgaat tot geweld. En om de vraag welk geweld legitiem is en welk niet.

Van ‘Marked for Death’ naar ‘Marketing for Violence’

Dat gezegd hebbende is het natuurlijk wel zo dat mensen aan bepaalde geschriften of dat nu de Bijbel en de Koran is, of Mein Kampf of bepaalde wetsteksten of (inderdaad) de uitspraken van Wilders inspiratie, legitimeringen en een gevoel van urgentie kunnen ontlenen om tot geweld over te gaan. Demonisering van outsiders, mensen strippen van hun menselijke eigenschappen, mensen reduceren tot concrete voorbeelden van grotere abstracties zoals het ‘gewelddadige Westen’ of de ‘gewelddadige islam’ kunnen voor sommigen de drempel om geweld te gebruiken verlagen. Zeker als dat gepaard gaat met het inprenten van het idee dat de eigen levenswijze op het spel staat. Dat hebben we in het verleden gezien met de nazi’s, met de oorlog tussen de Hutu’s en de Tutsi’s in Rwanda, hedentendage met de Rohingya in Myanmar, de Amerikaanse inval in Irak en met islamitische leiders in Irak.

Mijn kritiek hierboven laat dan ook onverlet dat De Ruiter zijn belangrijkste punt overtuigend maakt: door middel van verdraaiingen, halve waarheden en regelrechte leugens schept Wilders een zodanig bedreigend, geperverteerd en onmenselijk beeld van de islam dat er niet heel veel fantasie voor nodig is om je af te vragen wanneer we de wapens moeten oppakken. Dat doet Wilders niet, zo stelt De Ruiter ook heel duidelijk. Wat Wilders doet is het schetsen van een fort waarin goede mensen harmonieus samenleven maar die misleid worden door hun leiders die slechts een dunne glazen muur hebben opgeworpen, leiders die tuig met een dodelijke ziekte hebben binnen gelaten en waarbij buiten wilde, intolerante en agressieve dragers van die ziekte op die dunne glazen muur aan het bonzen zijn. En in dit profetische Stalingrad is Wilders de held die bedreigd wordt maar moedig doorstrijd. Met zijn pen. Zoiets. Als je gelooft in deze waarheden (en in tegenstelling tot wat De Ruiter in het begin van boek zegt, het is niet noodzakelijk dat je het zeker weet; integendeel zelfs) is het niet moeilijk voor te stellen dat er wat meer, laten we zeggen, daadkrachtige middelen noodzakelijk zijn.

De olifant

De vraag is echter of De Ruiter’s gefundeerde waarschuwing veel zal uithalen. Om meerdere redenen denk ik van niet. Ik zal ze hier kort noemen. Allereerst zullen velen zeggen ‘Ja, maar dat doet niets af aan het feit dat moslims wandaden plegen’. Nee dat klopt. De afweging die mensen daarbij maken hangt niet alleen af van het antwoord op de vraag of Wilders een realistisch beeld schetst (nee), maar ook hoe zwaar de elementen wegen die hij aandraagt. En voor zijn aanhangers wegen die zwaar.

Ten tweede, en jammer genoeg besteedt De Ruiter er geen aandacht aan, de politiek van Wilders is niet zo bijzonder en ook niet zo extreem als we wellicht denken. Het denken in abstracties zoals Wilders doet met islam en vervolgens stellen dat mensen niet meer dan een concrete invulling daarvan zijn, is al veel ouder. Het gebeurde al bij racisme en anti-semitisme aan het begin van de 20e eeuw en is ook onderdeel van het beleid dat een onderscheid maakt tussen moderne verlichte autochtonen en de cultuur van de migranten. Dat cultuurdenken leidt tot een onderscheid tussen gewenste en ongewenste burgers en is in beleid en debat steeds meer toegespitst geraakt op moslims en islam. Er is geen enkele politieke partij die de islam (in abstractie) nog niet als probleem heeft aangemerkt. In die zin is Wilders niet meer dan een product van dat cultuurdenken uit de jaren negentig dat toch echt uit de hoek van het politieke midden kwam.

Het is ook niet Wilders’ PVV die een monopolie heeft op schelden en demonisering. De term ‘kutmarokkanen’ is inmiddels een gebruikelijke term geworden voor Marokkaans-Nederlandse jongeren en komt toch echt uit kringen van de PvdA. Ook het CDA verdedigde in 2005 al de motie van Wilders voor een verbod op de boerka ook al is dat discriminerend voor moslims en vrouwen. Ook het huidige kabinet, zonder de PVV, maakt hiervoor wetgeving (zij het in beperkte zin). Het is ook niet de PVV die kwam met een uitgewerkt voorstel om ritueel slachten aan banden te leggen; dat was de PvdD. En ondanks het islamofobisch-racistische gedachtegoed van de PVV was het voor VVD en CDA geen probleem om met hen een gedoogakkoord te sluiten. Goed, na het nodige gemor, maar dat geeft uitstekend weer hoe de machtsverhoudingen liggen.

Een belangrijke waarschuwing

De PVV en haar gedachtegoed zit dus niet in de marge van de Nederlandse politiek maar bevindt zich dus in het centrum ervan en is, net als het racisme van Fortuyn, een rechtstreeks uitvloeisel ervan. Dat maakt het bekritiseren van de balk en de splinter tot het negeren van de olifant in de kamer. Maar natuurlijk zijn er verschillen met andere partijen die over het algemeen de nadruk leggen op behoud van en stimuleren van sociale cohesie en rust. Dat is precies wat de PVV probeert te breken door een provocerende manier van optreden. Dat in combinatie met de vechttaal en de onheilsprofetieën van Wilders, maken van Wilders en de PVV een zeer riskante politiek. Daarom is het goed en noodzakelijk dat mensen als Jan-Jaap de Ruiter hier op heldere, goed onderbouwde en toegankelijke wijze voor waarschuwen.