Bloedgoud koets

De koets van bloedgoud

We hebben dit jaar wat te vieren. Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat 200 jaar en de grondwet ook. Best iets (dat laatste in ieder geval) om trots op te zijn, vind ik tenminste. Maar het is natuurlijk niet allemaal feest en dat komt omdat het koninkrijk een door en door racistisch fenomeen is. En dan bedoel ik niet de recente uitlatingen van Wilders die ‘minder Marokkanen wil’. Het verontwaardigingscarnaval dat optrad bij andere politici na zijn heus niet nieuwe uitspraken maskeert alleen hun eigen racisme: ‘kutmarokkanen‘, ‘etnisch monopolie op overlast‘, ‘vernederen van Marokkanen‘, visumplicht voor zwarte autochtonen, de nadruk op cultuur (van allochtonen natuurlijk) als oorzaak van de problemen, de islam is een probleem, etnisch profileren, zwaarder straffen mensen met een ‘buitenlands uiterlijk‘, het weigeren van aangifte tegen discriminatie want ‘islam hoort niet bij Nederland, jullie moeten je maar aanpassen.’ Dat zijn allemaal geen PVV plannen, uitspraken of beleid, maar uitspraken en plannen van reguliere partijen en staand beleid.

Kolonialisme

Maar meer nog, Wilders’ racisme en fascisme is geen afwijking van de o zo tolerante Nederlandse traditie, het is een rechtstreeks product en uiting van de racistische structuur van Nederland. Dat was al zo in de tijd van de kolonisering. In 1814 werd niet alleen de Grondwet aangenomen, maar kreeg Nederland ook haar kolonies terug van Engeland (Verdag van Londen, later aangevuld met het Verdrag van Londen 1924 waar de situatie in de Indische archipel nader werd geregeld). Koloniale staten, zoals Nederland, hadden een ideologie nodig om de bestaande machtsstructuren en -verschillen te legitimeren. Dit werd onder andere gedaan door claimen dat er een essentieel verschil was tussen de overheerser (de kolonisator) en de onderdanen (de gekoloniseerden). Deze ‘rule of colonial difference’ kunnen we het duidelijkst terugvinden in de juridische definities en constructies van sociale categorieën. Het maken van een wettelijk onderscheid in verschillende bevolkingsgroepen verstevigden de sociale grenzen binnen een land waardoor de koloniale hiërarchie (met bovenaan natuurlijk de witte autochtone elite) in stand kon worden gehouden. Bovenaan stond de categorie van ‘Europeanen’ (en niet Nederlander zoals we wellicht zouden verwachten).

Het is niet zo dat de grenzen tussen Europeanen en anderen altijd duidelijk waren; integendeel. Wat wel duidelijk is, is het doorslaggevende principe achter de hiërarchie of wat men dacht dat het essentiële verschil was tussen verschillende groepen: een idee van verschillende rassen. Het is echter niet zo dat het onderscheid altijd werd gemaakt op basis van afkomst en fenotypische kenmerken; een onderscheid tussen mannen-vrouwen, verschillende sociale klassen en stereotype culturele kenmerken speelde net zo goed een rol. Dat is ook niet zo verwonderlijk. De visuele dimensies waarmee mensen elkaar indelen in verschillende rassen (huidskleur en andere lichamelijke kenmerken) hebben in de geschiedenis van racisme altijd gediend als een morele aanwijzing voor andere essentiële verschillen (in beschaving,morele ontwikkeling, vooruitgang, goed en slecht) die een rechtvaardiging vormen voor in- en uitsluiting. Stereotype culturele kenmerken van groepen hebben dus altijd gediend om hiërarchiën tussen groepen te maken.

Zo waren Indo-Europeanen géén echte Europeanen want niet van ‘zuiver bloed’ én als ze dat wel waren, waren velen ook niet zo arm geweest, zo was de gedachte. Hier gaan ideeën over ras, cultuur en klasse duidelijk samen. Zo was er ook vrees dat Europeanen niet alleen hun fysieke gezondheid, maar ook hun cultuur zouden verliezen als ze te lang in de Oost zouden blijven en velen vonden dan ook dat kinderen in Nederland naar school moesten waar ze de juiste waarden zouden mee krijgen omdat ze dan eenmaal in de juiste culturele omgeving waren. Waar de biologische insteek van racisme dus aanleiding geeft om te denken in termen van onveranderlijke eigenschappen en groepen, geeft de culturele logica juist aanleiding tot een angst om de eigen essentie te verliezen. Interessant genoeg geeft het een zekere macht aan de onderworpen volkeren: het idee is namelijk dat zij sterk geworteld blijven in hun eigen cultuur terwijl de Nederlanders die ieder moment kunnen verliezen. Wat nou precies die criteria waren die de essentie van ‘Europees’ vormden was overigens voortdurend onderhevig aan debatten en twisten (onder de elite natuurlijk).

Intern kolonialisme

Tegenwoordig praten sociale wetenschappers veeleer in termen van culturalisme en culturalisering om het proces te duiden waarin bepaalde categorieën gedefinieerd worden als essentieel anders dan ‘wij’. Waar ten tijde van Nederlands-Indië het nog volkomen legitiem was om in termen van ‘ras’ te denken, was dat na de Tweede Wereldoorlog niet meer het geval. We zouden dan ook gaandeweg in een post-raciale samenleving terecht zijn gekomen. Ha ha! Niets is minder waar helaas. De ras-cultuur logica is niet weg, maar is veranderd. Het is niet meer legitiem om te praten in termen van ras, maar daarbij hebben we racisme, geheel a-historisch, gereduceerd tot een categorie gebaseerd op biologische kenmerken. In plaats daarvan voert cultuur de boventoon; niet omdat racisme weg is, maar omdat het racisme maskeert.

Sterker nog racisme is niet alleen zogenaamd weg, het schijnt tegenwoordig ook nog eens politiek correct zijn om te wijzen op het feit dat racisme als sec biologisch ahistorische onzin is en dat racisme (met een biologische én cultuurlogica) wel bestaat. We hebben het tenslotte ook niet meer in beleid over ras, maar over culturele categorieën als moslim, Marokkaan, Antilliaan, allochtoon. Dit zijn echter wel categorieën die van bovenaf worden opgelegd, die gebaseerd zijn op afkomst ongeacht de tijd dat men hier woont en ongeacht (in geval van religie) wijze en mate van praktisering. Het idee dat het gaat om problematische burgers (zoals bij Wilders’ standpunt dat het gaat om criminele Marokkanen) doet daar echt helemaal niks aan af; het laat alleen zien hoe bij racisme ook bepaalde morele kwaliteiten aan sociale categorieën worden toegevoegd. In een democratische rechtstaat zou het echter niks uit moeten maken of een werkeloze, crimineel of terrorist van Marokkaans-Nederlandse of autochtoon Nederlandse afkomst is. In de praktijk echter maakt dat wel uit, maar niet voor autochtone Nederlanders. Die laatste groep wordt niet aangesproken als ‘criminele autochtoon’ in de politieke retoriek terwijl dit bij Marokkanen wel het geval is of men nu hier geboren is of niet. De autochtoon verliest niet zijn paspoort als deze naar Syrië afreist om te vechten; de allochtoon met een dubbel paspoort wel.

Het gaat er niet om dat het huidige geïnstitutionaliseerde racisme hetzelfde als in Nederlands-Indië, maar er zijn wel grote overeenkomsten en het racistische motief komt dan ook voortdurend terug als een middel van de staat om een onderscheid te maken tussen gewenste en ongewenste groepen. De hedendaagse scheiding die wordt gemaakt in politiek, beleid en debat tussen een ‘goede’ en ‘slechte’ islam is bijvoorbeeld een motief dat voortdurend terugkeert in de geschiedenis. De splitsing tussen liberale (of gematigde) islam en radicale islam kunnen we al terug vinden in de tijd van de Europese kolonisaties waaronder die van Nederlands-Indië. Destijds maakte een dergelijk onderscheid deel uit van pogingen om transnationale invloeden vanuit het Midden-Oosten op de lokale islam in de kolonies tegen te gaan en om de domesticatie van lokale vormen van islam (die als minder politiek en minder fanatiek werden gezien) te bevorderen. Daarbij gingen de koloniale autoriteiten vaak allianties aan met bepaalde lokale etnische en religieuze groepen en probeerden zij soms het islamitisch onderwijs onder staatscontrole te brengen.

De nadruk op de cultuurlogica van racisme is in hoge mate geinstitutionaliseerd in beleid en in instituties. Vanaf de jaren negentig is in beleid en discussies over integratie de ‘cultuur van de migrant’ steeds meer geproblematiseerd. De nadruk op sociaal-economische integratie is in beleid steeds meer vervangen door culturele integratie en de idee dat migranten zich niet alleen moeten houden aan de regels in Nederland en aan een ideaaltypisch idee van de kernwaarden, maar deze ook nog eens moeten onderschrijven. We willen migranten en hun nakomelingen dus meer regels opleggen dan aan autochtone inwoners. Het gaat inderdaad ook om de nakomelingen. Het zijn niet ouders die bepalen of hun kind allochtoon is; dat is de overheid en wanneer een vader zijn pasgeboren kind aangeeft bij de burgerlijke stand wordt deze (als het voldoet aan de definitie) geregistreerd als allochtoon; of vader en moeder dat nu willen of niet.

Ook in de jaren negentig hebben alle politieke partijen de vrees uitgesproken dat meer culturele diversiteit leidt tot problemen voor sociale cohesie. Paul Scheffer’s essay in 2000 ‘Het multiculturele drama’ is een product van zijn tijd: een waarschuwing tegen teveel diversiteit in een land die zou leiden tot een teloorgang van de autochtone identiteit en cultuur. Het is helemaal niet zo’n grote stap van Paul Scheffer en de Pvda naar Geert Wilders en de PVV die een teveel aan islam en een teveel aan Marokkanen zien als bedreiging. Wilders is niet het product van het falen van het multiculturalisme en integratiebeleid en het is ook niet alleen zo dat andere partijen zijn ideeën zouden overnemen alleen om hem de wind uit de zeilen te halen.

Wilders is de logische consequentie, symptoom en aanjager van de culturalisering van integratiepolitiek in de jaren negentig en de vrees voor een teveel aan culturele diversiteit. Het was in de jaren negentig al duidelijk dat islam daarbij de grote boosdoener zou worden. Het enige wat Wilders heeft gedaan is deze lijn tot in haar uiterste consequenties doortrekken: ‘minder Marokkanen’ en ‘minder islam’ op basis van dezelfde cultuurlogica die in de jaren negentig is geïntroduceerd door wetenschappers van de WRR en door de reguliere politieke partijen. Het is ook niet zo dat Wilders uitspraak ‘minder Marokkanen’ een grens overschrijdt omdat het nu opeens racistisch wordt en eerst niet; zijn consistentie maakt duidelijk dat deze hele lijn van denken racistisch is.

Interne grenzen

Met het integratiebeleid en beleids- en debatcategorieën als autochtoon – allochtoon, Marokkaans – Nederlander, moslim – Nederlander doet de overheid en doen de reguliere politieke partijen aan een vorm van interne kolonisatie. Het zal ongetwijfeld geen toeval zijn dat de nadruk op homogeniteit in de jaren negentig opkwam tegen de achtergrond van een generatiewisseling bij allochtonen: nieuwe, jonge en zelfbewuste moslims, Marokkanen en Surinamers stonden op die niet langer tevreden waren met de status van gastarbeider, migrant en buitenlander maar erkenning wilden als Nederlander. De toenemende nadruk onder jonge moslims in die tijd op hun identiteit als moslims was mede bedoeld destijds om de tegenstelling tussen Marokkaans – Nederlands of Turks – Nederlands te overstijgen; religie kan immers altijd en overal. De onrust over toenemende diversiteit is dan ook niet (alleen) veroorzaakt door een toenemende diversiteit, maar door het idee dat degenen die hier zijn maar hier niet thuishoren erkenning en gelijkwaardigheid eisen.

In plaats van erkenning en gelijkwaardigheid hebben we binnen Nederland een soort van binnengrenzen getrokken. We leven met elkaar, bij elkaar en er is zeker contact en uitwisseling, maar tegelijkertijd hebben we mensen opgesloten in bepaalde hierarchische categorieën: autochtoon boven allochtoon, wit boven zwart, Nederlander boven moslim, ‘echte’ Nederlander vs migrant. De laatste bedreigt telkens de eerste (islamisering!) en de laatste is telkens doelwit van beleid waarbij er vage en tegelijkertijd onrealistische eisen worden opgelegd die niet gelden voor de eersten. En dat kan allemaal omdat we racisme zover weg geredeneerd hebben dat het onzichtbaar lijkt. En dat is een belangrijk punt, want het heeft diverse gevolgen zoals:

  1. Wij zijn niet racistisch. Het is racisme was er misschien voor de Tweede Wereldoorlog, maar daarna is alles veranderd. Dat is de mythe die we zo heerlijk kunnen koesteren.
  2. Aangezien wij niet racistisch zijn, letten we dus niet op kleur. Degenen die dat wel doen dat zijn de echte racisten; dat geldt dus ook voor de minderheden die erop wijzen dat ze gediscrimineerd worden vanwege afkomst en kleur e.d. Ergo, het zijn dus de minderheden die intolerant en racistisch zijn (zie Zwarte Piet discussie) en niet ‘wij’.
  3. Het zorgt ervoor dat we minderheden makkelijk kunnen koppelen aan problemen; dat is realisme en dat heet benoemen. Als die minderheden kritiek op deze koppeling hebben, zie 2.
  4. Het zorgt voor een de-politisering van de relatie tussen minderheden en meerderheid. Hun sociaal-economische problemen zijn immers niet verbonden met racisme, maar met cultuur.
  5. Het legt minderheden die hun claims verwoorden in termen van anti-racisme het zwijgen op. We zijn immers niet racistisch en en uitgemaakt worden voor racisme is een zware beschuldiging (want holocaust en zo, niet onze koloniale politiek natuurlijk) en dus praten we niet meer met je.
  6. Het zorgt ervoor dat we bepaalde vormen van racisme (zoals uitspraken en discriminatie door werkgevers) zien als incidenten en iets wat meestal ‘tokkies’ doen maar niet ontwikkelde mensen.
  7. Het zorgt ervoor dat we racisme kunnen gebruiken als winstpakker want we bedoelen het immers niet zo want we zijn geen racisten, niet waar? Vandaar dat The Post Online zonder enige scrupules een stuk plaatst waarin de islam als ernstigste ziekte wordt weggezet en dat Geenstijl meestal goed scoort met anti-semitische, racistische en islamofobische stukken.
  8. Het zorgt ervoor dat we geen hoge prioriteit geven aan de bestrijding van discriminatie. Waar we vrouwen in de bijstand bespioneren om een paar tientjes terug te halen, worden discriminerende werkgevers heel omzichtig aangepakt.
  9. In plaats van erkenning en gelijkwaardigheid te geven aan migranten, hebben we nu autochtonen die opkomen voor de eigen identiteit en cultuur en zich slachtoffer voelen van oprukkende culturen en zogenaamd ‘omgekeerd racisme’.
  10. De staat is een product en een vertegenwoordiging van de autochtone groep, maar presenteert zichzelf als neutraal en de legitieme probleemoplosser van migranten.

En het allerbelangrijkste: we hebben een racistisch beleid ten opzichte van minderheden dat we niet langer (h)erkennen als racistisch. Waar het oude racisme nog een verwijzing naar biologische kenmerken had om verschil te zien als aangeboren en onveranderlijk is dat nu niet meer nodig: het wijzen op stereotype culturele verschillen is voldoende. Maar racisme is het; alleen in een moderne vorm. Wilders is geen afwijking daarvan; het is de volkomen logische consequentie.

Nederland is jarig. 200 jaar! Vrij en verbonden door gelijke rechten en plichten. Laten we dat samen vieren.

Gefeliciteerd!