Afgelopen zondag ben ik naar de voorstelling Mijn vader de expat & Oumi geweest. Het was de laatste voorstelling dus de hoogste tijd dat ik er eens heen ging na alle juichende verhalen op Facebook. Daarbij was het ook nog eens Nijmegen. Op een winderige en regenachtige winterdag die, afgaande op de kranten en de Twitter voor veel mensen toch vooral in het teken stond van de mars in Parijs, toog ik dus naar de Stadsschouwburg in Nijmegen. De voorstelling is tot stand gekomen dankzij een Facebook-actie van Smahane Arghidi die de voorstelling aanvankelijk elders zag: Nijmegen stond helemaal niet op de speellijst. De voorstelling is niet uitverkocht, maar de zaal beneden is zo goed als vol (op beide balkons is nog plek over).

[youtube:http://www.youtube.com/watch?v=UBogXA09dzg]
Oumi

Trailer 2012:

[youtube:http://www.youtube.com/watch?v=xSKuTOqexi4]

In Oumi (‘mijn moeder’) vertelt Nasrdin Dchar het verhaal van zijn moeder Habiba, een Marokkaanse vrouw die in Steenbergen kwam waar haar man werkte als ‘expat’. Het gaat over de dromen van zijn moeder en zijn vader voor henzelf, hun kinderen en kleinkinderen. Het gaat ook over Nasrdin en hoe hij zelfstandig wordt en omgaat met loyaliteit, liefde en respect voor zijn moeder en vader en met het ouder worden van alledrie. De verschillende scenes lijken op het eerste gezicht niet erg logisch op elkaar te volgen, maar de overgangen zijn subtiel zodat het eigenlijk lijkt alsof of Dchar met jou zit en één op één een verhaal vertelt zoals verhalen verteld worden in een informele setting. In zijn eentje lijkt hij moeiteloos het publiek in zijn greep te houden: men is grotendeels muis- en muisstil afgewisseld met een lach en enkele tranen en na afloop weten enkelen zelfs delen van de teksten te herhalen. Er was zeker één persoon die stelde de voorstelling al vijfmaal gezien te hebben.

Mijn vader, de expat

De documentaire Mijn vader, de expat ademt een veel andere sfeer. Waar Oumi veel ingetogener is, is Mijn vader, de expat uitbundiger, mede dankzij de vader: een vriendelijke, enthousiaste en heel goede verhalenverteller Hajj Ali. Documentairemaker Abdelkarim el-Fassi en zijn vader, hajj Ali, rijden in een prachtig oerlelijke gele Renault 4 naar de rotskust alwaar vader voor een groot deel zijn verhaal doet. Ook dochter Asma komt bezoek. De goedlachse vader vertelt over de situatie van destijds, zijn gevoelens, zijn dromen, verwachtingen en zijn ervaringen. Het verhaal van vader en de manier waarop hij dat vertelt (en waarbij hij amazigh en Nederlands afwisselt) zijn op momenten ontroerend, confronterend en een enkele keer hilarisch (zoals een scene waarop vader voor het café zit met een andere man en het daar zit te weten). De filmstijl is daarentegen juist rustig en ingetogen met veel aandacht voor het indrukwekkende landschap.

Vooraf en tussendoor

Naast Abdelkarim el-Fassi en Nasrdin Dchar, spelen ook Karima El Fillali, Khalid Amakran, Stryder en Haci Tekinerdogan hun deel. Bij Karima speelt muziek een grote rol van de grappige en nostalgische cassettebandjes tot haar huidige sufi inspiratie. Khalid Amakran, Stryder en Haci Tekinerdogan verzorgen een optreden als ‘spoken word’ artiesten.

Universaliteit en bijzonderheid

Aanvankelijk bedacht ik me waarom deze verhalen? Waarom van deze mensen? Je probeert toch de verhalen in een bepaalde context te plaatsen en te kijken wat de relatie is tussen die context en deze verhalen? Wat leren de verhalen ons over de context en over de relatie daarmee en met identiteit? Maar gaandeweg de voorstelling en afgaande op de gesprekken tussen mensen in het publiek bleek ik, als antropoloog die zich momenteel vooral met huwelijken en met activisme onder moslims bezighoudt, op een verkeerd spoor te zitten. Eigenlijk zit er in de verhalen helemaal niet zo’n sterke nadruk op identiteit. Natuurlijk wordt af en toe melding gemaakt van wat typisch Marokkaans of typisch Nederlands zou zijn, maar dat blijft toch vrij impliciet en vrij open. Dat zorgt ervoor dat de verhalen geen karikaturen zijn, maar dat de betekenisgeving voor het publiek heel open blijft.

De verhalen zijn herkenbaar; ook voor veel niet-Marokkanen in het publiek. Ouders die een bepaalde toekomst voor ogen hebben, voor zichzelf en voor hun kinderen. Hun kinderen die zich goed ontwikkelen, zelfstandig worden en een eigen bestaan opbouwen. Alles is gelukt: goede banen voor de kinderen, mooi huis in marokko (waar het gezin veel voor gelaten heeft). En toch is het mislukt. De kinderen hebben een eigen leven, die gaan niet voor hun ouders zorgen en de kleinkinderen komen echt niet naar Marokko. Het is nostalgie, trots over succes van de kinderen, verdriet over het verlies van toekomstidealen die komen met het volwassen worden van kinderen die hun eigen, andere, kant opgaan. Een universeel verhaal met toch voor iedereen een eigen invulling en eigen rauwe randjes.

Alle verhalen hebben die openheid ook omdat ze, in het bijzonder Oumi en Mijn vader, de expat, als één van de kernvragen hebben: je moeder wie is dat eigenlijk? Je vader wie is dat eigenlijk? Wat weet je nu precies van je eigen moeder en vader? Zo komen we er gaandeweg de voorstelling achter dat op de dag dat de moeder van Nasrdin Dchar haar zestigste verjaardig viert, ze helemaal geen zestig is maar eigenlijk 57. De hoge ambities die alle ouders, maar zeker ook migrantenouders, hebben voor hun kinderen, de sociale mobiliteit van de kinderen in de migratiecontext, etnisch-culturele patronen voegen allemaal extra lagen toe aan de verhalen, maar zonder dat het tot vervreemding leidt bij diegenen die die ervaringen niet hebben.

Al met al een mooie voorstelling en het valt te hopen dat we deze ook nog eens op televisie mogen bewonderen, want als u het niet gezien heeft, heeft u toch echt wat gemist.