Je zou het bijna vergeten, maar de gewelddadige aanval op Charlie Hebdo is een aanval op politieke satire die in Nederland helemaal niet zo bekend was. Dat geldt zeker ook voor de moslims die hier leven. Van de mensen die ik sprak voor mijn onderzoek naar activisme, wisten velen wel dat een Frans magazine cartoons van Mohammed had afgedrukt, maar niemand wist welk blad dat was en hoe die cartoons eruitzagen.

Dat is nu wel anders.

latuff-hebdo

Carlos Latuff Middle East Monitor

Alles moet kunnen
De aanval op de cartoonisten is door velen gezien als een aanslag op de vrijheid en in het bijzonder op de vrijheid van meningsuiting. Het verspreiden van de cartoons in reactie daarop is een krachtig wapen. Als de moordenaars echt wilden dat ze niet werden vertoond, dan hebben ze het tegenovergestelde bereikt. Charlie Hebdo is deze week in een recordoplage en met een cartoon van Mohammed voorop verspreid. De prenten zijn ook nog eens heilig verklaard en hun makers zijn voor veel mensen martelaren van de vrijheid van meningsuiting, zoals eerder Theo van Gogh.

Ook wordt net als eerder bij de Mohammedcartoons en de film Innocence of Muslims door sommige opinieleiders ‘onze’ vrijheid van meningsuiting heilig verklaard; vaak in tegenstelling tot moslims die lange tenen zouden hebben. Het motto: alles moet kunnen.

Dat ‘alles moet kunnen’ hangt opvallend vaak samen met racistische uitingen. In 2008 leidde een beschuldiging van antisemitisme tegen cartoonist Siné van Charlie Hebdo nog tot zijn ontslag. Het blad grossierde in antizwarte en islamofobe cartoons die zodanig waren getekend dat ze doen denken aan aloude racistische tekeningen uit de VS en Europa. Dat wil niet zeggen dat Charlie Hebdo nooit racisme bekritiseerde. Het magazine heeft ook daarin een traditie. Dat leidde soms tot opmerkelijke tegenstrijdigheden, zoals een racistische afbeelding van de zwarte vrouwelijke minister van Justitie in Frankrijk als een aap, naar eigen zeggen bedoeld als kritiek op racisten.

Bij islamofobe afbeeldingen ging het bijvoorbeeld om het beschimpen van islamitische kernsymbolen als de Koran en de profeet Mohammed. Let op: dit zijn geen symbolen die specifiek voor gezagdragers zijn – tegen wie satire juist vaak gericht is – maar zaken die belangrijk zijn voor heel veel ‘gewone’ moslims in de hele wereld.

Zoals Teju Cole afgelopen week betoogde in The New Yorker worden de slogan ‘Je suis Charlie’ en het pleidooi om de cartoons – en juist de islamofobe cartoons – te verspreiden niet alleen gebruikt ter verdediging van het recht van de tekenaars om te tekenen wat ze willen. De islamofobe inhoud wordt wel degelijk ook verdedigd. We hebben dat eerder gezien in het geval van Theo van Gogh; kritiek op het islamofobe karakter van zijn columns wordt nogal eens uitgelegd als zeggen dat het zijn eigen schuld is dat hij vermoord is. Maar we kunnen best die cartoons bekritiseren zonder het geweld tegen de cartoonisten goed te keuren. En we kunnen, moeten ook, stilstaan bij het effect van de huidige massale verspreiding.

‘Speaking truth to power’

Die zal voor de daders vermoedelijk niets uitgemaakt hebben. Zij leken uit te gaan van een interpretatie zoals die door de islamitische prediker van Al Qaida op het Arabische Schiereiland, Al-Awlaki, werd gehanteerd: het beledigen van de profeet verdient een bestraffing met de dood, met alle mogelijke middelen en ongeacht de consequenties. Maar voor een heleboel andere moslims maakt die verspreiding wel verschil. Het risico bestaat dat de huidige solidariteitsbetuigingen met Charlie Hebdo hen verder vervreemden dan nu al het geval is en voeding geven aan de opvatting dat er een oorlog tegen islam aan de gang is.

Door het gebruik van wat velen beschouwen als kernsymbolen van de islam is de satire van Charlie Hebdo geen kwestie van ‘speaking truth to power’, maar van omlaag trappen naar burgers. Het verweer is misschien dat dat niet het doel is. Dat het verspreiden van de islamofobe cartoons eigenlijk alleen is gericht tegen degenen die je ziet als extremist. Die intentie bepaalt echter niet alleen de ontvangst en het effect. Net zoals cartoons met stereotiepe afbeeldingen van Joden worden geïnterpreteerd met in het achterhoofd de historische context van de Holocaust, worden stereotiepe afbeeldingen van islam en Arabieren geïnterpreteerd binnen een historische context van islamofobie, kolonialisme en militaire interventies.

Het bekritiseren van extremisten door de profeet Mohammed te verbeelden is op zijn minst erg grof geschut. Stel, je wilt de PVV beledigen. Dan kun je dat misschien doen door de Nederlandse vlag te bespuwen en te verbranden. Maar je weet dan zeker dat er meer mensen dan alleen de PVV beledigd zijn, omdat de Nederlandse vlag niet alleen door PVV’ers gedeeld wordt, net zoals de profeet Mohammed ook niet alleen van belang is voor Al Qaida en de IS-beweging.

Islam als zingeving

In analyses van de aanslag wordt wel gemeld dat sprake is van een tegenstelling tussen het Westen en de islam. Het moge duidelijk zijn dat die tegenstelling niet erg realistisch is. Het zou ‘onze’ vrijheid zijn tegenover de islam of tegenover de extremistische politieke islam, ‘onze’ wapens (de pen) tegenover die van ‘hen’ (de kalasjnikov). ‘Wij’ zouden beschaafd en superieur zijn en ‘zij’ erop uit om daarvan te profiteren – met migratie – of onze vrijheid te vernietigen met terreur.

Daarbij moet je dan vergeten dat Frankrijk het land is waar vrouwen geen hoofddoek mogen dragen,* dat in verschillende landen de gezichtssluier verboden is, dat de Nederlandse staat een islamitisch militant radiostation uit de lucht probeerde te halen zonder enige aanklacht of proces. Je moet daarbij de inval in Irak vergeten waar de Verenigde Staten iedereen in hebben gerommeld en de martelpraktijken zoals onlangs bevestigd in het Amerikaanse Torture-rapport (en waarin de vermoedelijke medeplichtigheid van Europese diensten buiten beschouwing is gebleven).

Natuurlijk is zo’n simpel schema prettig. Het geeft betekenis aan de recente gebeurtenissen en het stelt ‘ons’ in staat om ‘ons’ superieur te voelen. Het stelt ‘ons’ in staat om heel verontwaardigd te zijn over een meedogenloze aanval van de Pakistaanse Taliban op een school daar en te negeren dat het leven van veel kinderen daar ook structureel onveilig is door het geweld van de Amerikaanse drones. Vandaar ook dat velen erop hameren dat de rol van de islam benoemd moet worden en sommigen zelfs vinden dat de islam met ons in oorlog is. Maar net zoals de vrijheid van meningsuiting een abstract principe is dat nader ingevuld moet worden, is ‘de islam’ dat ook. Zoals er nu vaak over wordt gesproken, zegt het eigenlijk niet veel over de islam, maar wel over de behoefte aan zingeving. Van niet-moslims wel te verstaan.

Er is terecht felle kritiek op deze simplistische wij-zij-schema’s, al wordt zelfs in die kritiek opvallend weinig gesproken over de vele pogingen tot verzoening en overbrugging. Want dat is ook het verhaal van de nasleep van de aanslag: burgers die proberen nader tot elkaar te komen, als verzet tegen anderen die proberen de tegenstelling tussen de islam en het Westen juist aan te scherpen. Je ziet mensen benadrukken dat ook moslims bij de slachtoffers van de aanslagen te betreuren zijn, anderen die hun islamitische buren een hart onder de riem proberen te steken met een briefje of een bloemetje en moskeeën die hun deuren openzetten voor iedereen die vragen heeft.

Cartoonisten als moderne seculiere missionarissen

Het gebruik van Charlie Hebdo als icoon voor de vrijheid van meningsuiting en de oproepen om de cartoons te herpubliceren, zijn ook een vorm van uitoefenen van macht. Ze zijn een manier om de wereld in te delen in wij en zij en moslims een ‘lesje’ te leren. Ayaan Hirsi Ali schreef het enkele jaren geleden treffend na het uitkomen van de anti-islamfilm Fitna van Geert Wilders. ‘Fitna heeft zijn waarde al bewezen’, zei ze. Ze prees Ahmed Aboutaleb, die toen staatssecretaris van Sociale Zaken was, voor zijn wijze woorden en moslims die van plan waren een ‘tegenfilm’ te maken. ‘Een tegenfilm, geen bloedvergieten! Woorden met woorden, beelden met beelden. Provocatie werkt dus’, concludeerde ze. Ze signaleerde: ‘Zes jaar geleden vond Aboutaleb kritische vragen over de islam ‘pissen in het eigen nest’. En nu spreekt hij de enige juiste woorden. Zonder provocerende vragen te stellen, hadden we dit nooit bereikt.’

In een interview met de Volkskrant in 2013 stelde Charlie Hebdo-cartoonist en hoofdredacteur Charb: ‘Als we maar satire blijven bedrijven, zal het shockeffect afnemen. Moslims zullen zeggen: laat die ellendelingen van Charlie Hebdo het lekker uitzoeken. Je kunt ze beter negeren.’

De vrijheid van meningsuiting wordt dus helemaal niet ingezet om het recht van iedereen op hun opvatting te verdedigen, maar als een politiek instrument om moslims te leren de ‘juiste’ opvatting te krijgen.

Hirsi Ali was een van de eersten die het recht om te beledigen claimde in combinatie met een ideaaltypisch beeld van de vrijheid van meningsuiting waarbij ieder protest, iedere poging om een uiting achteraf te verbieden een aantasting van de vrijheid van meningsuiting is. Maar waarom zou een moslim die vindt dat het beledigen van de profeet Mohammed niet moet kunnen en die dat op democratische wijze probeert te verbieden, de vrijheid aantasten? Hetzelfde geldt voor mensen die vinden dat de cartoons geen vormen van satire zijn, maar een vorm van racisme. Absolute vrijheden bestaan niet. Of het nu de vrijheid van godsdienst is, de vrijheid van meningsuiting of een andere vrijheid: deze is altijd ingeperkt en gereguleerd door andere vrijheden,wetten en historisch gegroeide gevoeligheden.

De heiliging van de cartoons

Moet je de cartoons van Charlie Hebdo dan niet verspreiden nu? Dat zou ook een probleem zijn uiteraard: op die manier maak je het slachtoffer van politiek geweld monddood. Daarbij zijn de heiligverklaarders van de vrije expressie natuurlijk niet de enigen die politiek bedrijven. De beschuldiging van blasfemie, gekwetstheid en belediging is ook een middel voor politieke en religieuze gezagdragers om de status quo te handhaven of mensen te mobiliseren. Zo is de anti-islamfilm Innocence of Muslims, gemaakt door koptische activisten in de VS, deels door salafistische netwerken in Egypte verspreid, juist om mensen op de been te krijgen.

Ook de cartoons van Charlie Hebdo hebben nu een onbedoeld effect: ze worden een middel voor religieuze gezagdragers om hun gezag te vestigen en te laten gelden. Het laat zien dat er een groot risico schuilt in het politieke gebruik van de cartoons en de vrijheid van meningsuiting: dat kwesties als deze ontaarden in een machtsstrijd waarin alle nuances, variaties in opvattingen en gedragingen aan beide kanten van de strijd worden uitgelegd als verraad aan de eigen partij. De valse wij-zij- tegenstelling die er toch al is, en die politiek geweld veroorzaakt, wordt er alleen maar door versterkt. Daarmee zijn we nog verder van huis.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in de Volkskrant van 17 januari 2015, met dank aan de redactie voor de waardevolle suggesties en commentaren: Denk even na voor je islamofobe cartoons verspreidt | Aanslag op Charlie Hebdo |

* Opm.: Er is natuurlijk wel degelijk sprake van een hoofddoekverbod in Frankrijk ook al stelden velen op Twitter dat dat niet het geval is. Natuurlijk niet in heel Frankrijk, in die zin is de opmerking hierboven te kort door de bocht. Er is een hoofddoekverbod in het onderwijs en voor mensen in overheidsdienst.

Relevante replieken
K: Denk even na voor je vermoorde cartoonisten natrapt

De antropoloog Martijn de Koning, medeauteur van het rapport “Eilanden in een zee van ongeloof: het verzet van activistische da’wa-netwerken in België, Nederland en Duitsland”, had na de terroristische aanslag op Charlie Hebdo het verzoenende stuk kunnen schrijven dat zijn betoog “Denk even na voor je islamofobe cartoons verspreidt” in de Volkskrant van 17 januari niet is geworden. Hij bestendigt de wij-zij-tegenstelling tussen niet-moslims en moslims in plaats van die te helpen overbruggen.