Vandaag, maandag 13 maart, wordt er een debat gehouden tussen Rutte en Wilders. Waarom? Geen idee eigenlijk. Het lijkt alsof men het Amerikaanse idee heeft overgenomen dat het hier gaat om een strijd tussen twee personen: wie wordt de grootste? Dat het Nederlandse model zo niet werkt, hier moeten immers altijd coalitieregeringen gesloten worden, doet er dan niet meer toe. Dat Eenvandaag hiermee ook bijdraagt aan een tweestrijd tussen twee rechtse leiders net een paar dagen voor de verkiezingen, daar lijkt dan ook geen probleem mee te zijn?

Een debat tussen twee veroordeelden
Het is een opvallend treffen. Beiden hebben veel gemeen en niet alleen omdat Wilders een VVD verleden heeft. Maar beiden zijn ook veroordeeld wegens aanzetten tot discriminatie. Wilders werd door de strafrechter veroordeeld na zijn georganiseerde ‘Minder Marokkanen’ manifestatie op 19 maart 2014 (hoger beroep volgt nog). En Rutte is in 2007 veroordeeld, maar dan voor de bestuursrechter. Rutte vroeg begin 2003 aan gemeenten om inwoners van Somalische afkomst extra te controleren op fraude met bijstand. In haar vonnis stelde de rechtbank vast dat er sprak was van discriminatie naar ras, omdat het hier een groep mensen van Somalische afkomst betreft, ongeacht de nationaliteit van de betrokkene. Rutte kon niet aannemelijk gemaakt dat voor een inbreuk op het non-discriminatiebeginsel objectieve en redelijke gronden aanwezig waren. Alsof dit oordeel nog niet vernietigend genoeg was vond de rechtbank de handelwijze om Somalische Nederlanders aan te spreken vanwege uiterlijke kenmerken die mogelijk in het onderzoeksprofiel zou passen, indruisen tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht en strijdig met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De ideologische verbinding tussen Wilders en Rutte
Nu zijn deze twee veroordelingen wellicht wat ongewoon, maar ze wijzen wel op een ideologische verbinding. Eén die breder is dan alleen PVV en VVD, maar die we bij alle partijen zien in hun huidige verkiezingsprogramma. In een essay op De Groene laten Jan-Willem Duyvendak en Josip Kesic zien dat alle partijen (ook de progressieve) het ‘typisch Nederlandse’ benadrukken. Aangezien alle partijen dit doen in een context waarin de aanwezigheid van islam en moslims en vluchtelingen ter discussie worden gesteld en dat het ‘typische Nederlandse’ tegenover de moslims als de ultieme Ander wordt zet, kunnen we hier spreken van raciaal burgerschap. Partijen als SGP, PVV en VVD gaan het verst in expliciet xenofobe en racistische uitspraken, maar ook links kan zich dus hier niet helemaal aan ontworstelen. Duyvendak en Kesic en stellen in conclusie:
To be Dutch, or not to be – De Groene Amsterdammer

Waarom dan toch die accentuering van dat ‘typisch Nederlandse’ bij alle politieke partijen? Is er een gebrek aan gedeelde waarden in dit land? (Antwoord: nee, er is nauwelijks een eensgezinder land dan Nederland.) Is er een acute crisis in onze identiteit, weten we nauwelijks meer wie we zijn? (Antwoord: nee, alle partijen weten zeer welsprekend te vertolken wie ‘we’ zijn.) En komen partijen die het hardst roepen dat ze typisch Nederlands zijn dan het beste op voor de meeste Nederlanders? Ook dat is waarschijnlijk niet het geval. Maar om dat te bewijzen worden de linkse partijen gedwongen om ook de taal van het nationalisme te spreken: wij zijn beter voor Nederlanders! Daarmee wordt het speelveld tot nativistische proporties teruggebracht, en dreigen grote sociaal-economische en ecologische kwesties uit beeld te verdwijnen.

Ik ben het niet helemaal eens met Duyvendak en Kesic. Het is verleidelijk om te stellen dat Wilders invloed vooral, of onder meer, te zien is omdat andere partijen, inclusief middenpartijen zoals CDA, PvdA, VVD en D66, zijn ideeën hebben overgenomen. Dat werd eerder ook over Fortuyn gesteld. Maar dan vergeten we immers dat ook deze partijen al in de jaren negentig steeds meer een racialiserende kant op gingen door de cultuur van migranten als een probleem en in het bijzonder een gevaar te zien, dat onder deze partijen het onderscheid autochtoon-allochtoon is geconstrueerd en dat Bolkestein Fortuyn voorging met het problematiseren van de islam en het idealiseren van het liberalisme. Daar komt bij, als de middenpartijen inderdaad zo makkelijk Fortuyns en Wilders’ ideeën overnemen, dan komt dat omdat ze op de eerste plaats sowieso niet veel verschillen.

Zoals ik in mijn essay over Fortuyn stel:

De racialisering van groepen Nederlanders en immigranten op basis van een cultuurleer was evenmin nieuw in beleid en debat met betrekking tot minderheden. Het idee dat de wereld op te delen was in onverenigbare culturele blokken met diepgewortelde essentiële verschillen die zouden verklaren waarom mensen handelen zoals ze handelen, was al stevig geworteld. Het idee dat de islam zo’n cultureel blok was, bestond ook al. Bolkestein ging Fortuyn al voor en binnen alle politieke partijen werden gedurende de jaren negentig vraagtekens gezet bij de toenemende culturele diversiteit, en de vraag kwam op of de cultuur van de migrant niet een hindernis was bij integratie. Door het neokoloniale integratiebeleid was het idee dat zwarte en/of moslimmigranten en hun kinderen ‘anders’ waren, al gevestigd en zelfs geïnstitutionaliseerd in beleid. Ook onder kiezers waren er gedurende de jaren negentig al grote zorgen over immigratie (in het bijzonder over asielzoekers die toen ook in relatief groten getale naar Nederland kwamen), over de sociale en economische problemen van minderheden (in het bijzonder Turkse en Marokkaanse Nederlanders) en over veiligheid en mogelijke radicalisering.

De verrechtsing begon al eerder
Op het politicologenblog EenStukRoodVlees stelt Matthijs Rooduijn dat de middenpartijen naar rechts begonnen te schuiven op sociaal-culturele thema’s nog voordat radicaal-rechts succesvol werd:
“Normaal. Doen.” en de verrechtsing van de Nederlandse politiek – StukRoodVlees

Het eerste wat opvalt is dat alle partijen steeds rechtser zijn geworden – vooral tussen de 1960s en de 2000s. Wat ten tweede opvalt is dat de patronen bij alle partijen vrijwel hetzelfde zijn: tussen de jaren ’40 en ’50 liepen de scores iets terug; tussen de jaren ’50 en ’00 namen ze toe (alleen bij de PvdA ietsje later); en tussen de jaren ’00 en ’10 namen ze weer wat af. Een derde in het oog springende ontwikkeling is dat hoewel de PvdA in de jaren ’40 en ’50 op sociaal-cultureel vlak de meest rechtse partij was, de partij zich in de decennia daarna langzaamaan heeft ontwikkeld tot de sociaal-cultureel meest linkse partij (al zijn de verschillen met het CDA verwaarloosbaar). De vierde opvallende ontwikkeling is dat de VVD een scherpere afslag naar rechts heeft genomen dan CDA en PvdA, en zich sinds de jaren ’90 duidelijk onderscheidt van deze twee partijen (waarschijnlijk is dit het Bolkestein-effect).

Het beleid was in de jaren negentig echter vooral gericht op pacificatie en sociale cohesie en de bejegening van minderheden was sterk paternalistisch. Het ging niet om een politieke strijd, maar politici reduceerden minderheden tot een beheersprobleem zoals Rutte dat ook deed met Somalische Nederlanders en mogelijke fraude. In mijn essay over Fortuyn:

Integratie werd dan ook gezien als een overkomelijk probleem dat met goed beleid kon worden opgelost. Dit betekende dat zowel de zorgen van kiezers als de structurele ongelijkheid van minderheidsgroepen niet op de politieke agenda stonden: integratie en immigratie waren slechts beheersproblemen voor de overheid en een individuele verantwoordelijkheid voor migranten en hun nakomelingen. In deze situatie kreeg Fortuyns cultuurleer pas echt brede aanhang toen hij zich kandidaat stelde in de verkiezingscampagne van 2001-2002. In plaats van pacificatie zocht hij de confrontatie, in het bijzonder met de zittende politici, die volgens hem uit angst of een misplaatst cultuurrelativisme niet de problemen met de islam wilden benoemen.

Met andere woorden, net zoals Fortuyns inhoudelijke boodschap over integratie, islam en racisme, geen breuk was met het verleden, is ook de ideologie van Wilders dat niet. De mainstream partijen zijn op sociaal-cultureel vlak al eerder naar rechts getrokken en radicaal-rechts heeft zich aangepast aan het cultuurdenken van de mainstream. Met andere woorden de grond was al vruchtbaar gemaakt door andere politici. De ideeën van Fortuyn liggen in het verlengde van de verrechtsing die al aan de gang was en de cultuurretoriek die er al was. De ideeën van Wilders zijn een radicalisering van de ideeën van Fortuyn. Met hun populistische retoriek brachten zij wel iets terug in de arena: integratie als een politieke strijd. En daar zijn Balkenende, Samson, Asscher en Rutte wel in meegegaan; ieder op hun eigen wijze.

Rechtstaat onder druk
De veroordelingen van Wilders en Rutte leren ons ook nog iets anders. Namelijk dat de rechtsstaat ook geldt voor politici, hun uitspraken en beleid. Dit zagen we ook in 2015 toen Gemeente Rotterdam in eerste aanleg en in hoger beroep werd veroordeeld voor een beleid waarin specifiek Rotterdammers van Marokkaanse afkomst met een bijstandsuitkering werden onderworpen aan verhoormethoden die gebruikt worden tegen fraudeurs. Hier was sprake van ongeoorloofde discriminatie. Dat maakt wel het rapport van de Advocatenorde waarbij de partijprogramma’s langs de rechtstatelijke meetlat werden gelegd zorgwekkend: diverse partijen (PVV voorop) breken met grondwettelijke voorschriften of moeten dat doen willen ze hun plannen realiseren. En telkens heeft dit betrekking op thema’s die op zich niet verbonden zijn aan een specifieke groep, maar in de praktijk dat wel zullen zijn: moslims.

De sluipende verschuiving en normalisering van anti-moslim racisme zien we ook terug in de stellingen van de debattenn. Zo staat er voor het slotdebat de volgende stelling op het programma:

En vanavond dus twee wegens discriminatie veroordeelde politieke leiders aan het woord.