Afgelopen donderdag vond het raadsdebat plaats in Rotterdam over de uitspraken van burgemeester Aboutaleb in het radioprogramma ‘Dit is de dag‘. Daarin stelde hij onder meer: ‘Elke moslim is een beetje een salafist’. Deze uitspraak wekte de nodige beroering en het leidde tot discussies over wat salafisme nu echt is. Het heeft mijns inziens weinig zin daar nu op in te gaan, maar het is interessanter om te kijken wat de term ‘salafisme’ produceert: welke scheidslijnen, welke kwesties worden zichtbaar gemaakt en welke onzichtbaar en welke hyperzichtbaar. De achtergrond van dit debat is namelijk niet zozeer wat salafisme nu echt is, maar wat mensen van het salafisme zouden moeten vinden volgens de deelnemers aan de discussie, en hoe zich dat verhoudt tot hoe een correcte burger zou moeten zijn.
Schermafdruk 2018-01-11 18.38.52
De jihad van Aboutaleb
Wat Aboutaleb deed is zonder meer interessant en politiek relevant, maar laten we eerst eens even kijken wat hij nu precies zei. Aboutaleb zei in het interview salafisme, op basis van een taalkundige benadering van de term Salaf (van salaf al salih: de vrome voorgangers), vooral te zien als een poging om net zo vroom te leven als de profeet Mohammed. Zonder meer een courante invulling zoals mijn collega Ineke Roex ook liet zien in haar proefschrift ‘Leven als de profeet in Nederland’. Vervolgens vraagt Van den Brink of Aboutaleb zich binnen die definitie ook salafist zou noemen. Daarop antwoord Aboutaleb: ‘Ja. Elke moslim is een beetje salafist.’ Dat zal ongetwijfeld bedoeld zijn als beeldspraak want hij spreekt immers niet voor ruim 1,5 miljard moslims, maar het principe dat als je je afvraagt wat het betekent om moslim te zijn dat je daarvoor gaat naar de Koran en het leven de profeet (en zijn metgezellen) is niet vreemd zoals bijna al het onderzoek naar vroomheid en religieus gezag laat zien. Direct daarop zegt hij ‘Ik heb ook weleens gezegd: ik ben jihadist. Ik sta elke morgen om zeven uur op om het goede te doen voor de stad en voor Nederland. Dat is jihad in zijn puurste vorm.’ Ook dit is een opvatting die we met enige regelmaat terugvinden in onderzoek over geloofsbeleving en vroomheid.

Dat is belangrijk voor wat hij verder zegt, want hij stelt dat deze drang naar vroomheid geen onderscheidend criterium is voor ‘waar we angst voor hebben’. Met andere woorden deze vroomheidsdrang en -invulling is geen zaak van de overheid. Waar het hem om gaat, zo stelt hij, is dat als er mensen zijn onder de salafisten die vinden dat zij op basis van hun geloofsovertuiging geweld kunnen inzetten tegen anderen, ze een grens overschrijden: ‘dat is een overzichtelijke groep. Voor de AIVD, voor mij, voor de politie. Die mensen moeten we opsporen en isoleren.’ Dit heeft hij ook in het raadsdebat aangegeven.

Volgens Aboutaleb is de AIVD ook genuanceerder geworden: ze zouden zich vooral richten op jihadisten. Dat is mijns inziens onjuist. De AIVD heeft de term salafisme geïntroduceerd voor een breder publiek en daarbij aanvankelijk de tweedeling jihadisten en salafiyya ilmya gebruikt en later de driedeling uit de academische literatuur: puristen, politicos en jihadisten (op basis van Wiktorowicz). De AIVD ziet het salafisme als een beweging die duidelijk herkenbaar is en te onderscheiden van andere islamitische stromingen en die een sterke invloed vanuit Saoedi-Arabië en de Golfstaten heeft. Deze driedeling staat in het teken van het salafisme als veiligheidsprobleem en als fenomeen dat bestreden dan wel in bedwang gehouden moet worden gehouden. In principe sluit dat kader niet uit dat salafisten een rol kunnen spelen bij de-radicalisering (en dat ook doen), maar in het publieke debat is dat nagenoeg onzichtbaar. De vermeende dreiging die van het salafisme uitgaat is juist hyperzichtbaar en het aspect van een specifieke vroomheid was nagenoeg uit de discussies verdwenen tot de uitspraken van Aboutaleb.

Vanaf de jaren negentig is het begrip veiligheid daarbij opgerekt: van een focus op (mogelijk) politiek geweld is deze verbreed naar een focus op anti-integratieve tendensen. Wat de AIVD nu doet is eigenlijk niet veel meer, en niet genuanceerder, dan voortborduren op die ontwikkeling en indelingen. Dat laat overigens onverlet dat de publicaties van de AIVD wel genuanceerder zijn dan de teksten van de hardliners onder anti-salafisten en dat er niet veel licht zit tussen de opvattingen van de AIVD en die van Aboutaleb.

Wat is een ‘salafi’?
Het is interessant te zien dat een burgemeester die zich erop voorstaat niet graag over zijn geloof te spreken dat nu wel deed. En dat al eerder, met zonder ophef, deed in de Kanttekening. En iets eerder in Trouw ervoor pleitte om rust in het debat over islam. En in oktober vorig jaar ook al stelde ‘salafisme is geen misdaad’. Het is ook interessant te zien dat een burgemeester die zich uitsprak voor het korten van de uitkering voor vrouwen met gezichtssluier en zich persoonlijk inzette tegen de komst van een zogeheten salafistisch centrum in Rotterdam, nu slechts de grens trekt bij geweld. We kunnen ons afvragen waarom Aboutaleb deze uitspraken doet (hoewel ze inhoudelijk dus niet zo raar zijn) en ook waarom zijn criticasters er nu wel ophef over maken.

Critici die erop wijzen dat Aboutaleb met deze stellingname verwarring zaait en het debat afleidt hebben daar natuurlijk gelijk in: dat is precies wat er gebeurt als je de termen waarmee dat debat gevoerd wordt ter discussie stelt. Zie ook wat eerder Joas Wagemakers en Jan Jaap de Ruiter daarover te zeggen hadden. Tegelijkertijd moeten we ook vaststellen dat de discussie mede gevoerd wordt op basis van de definities van de AIVD die salafisme reduceren tot veiligheidsvraagstuk en het vraagstuk hoe gevaarlijk dat salafisme is en op welke manier. Onder andere omdat politici en andere opiniemakers met de termen aan de haal gingen, staan groepen moslims die ‘salafistisch’ lijken, onder surveillance: hoeveel zijn het er? wat doen ze? hoe verhoudt het zich tot integratie? hoe ‘infiltreren’ of ‘isoleren’ ze zich? Daarmee krijgt de term een zekere homogeniserende werking. Deze zien we terug in de uitspraak van AD columniste Fidan Ekiz:

Ik vind het salafisme een kwaadaardige ideologie. Punt. Salafisme is dé voedingsbodem van moslimterreur. Niet iedere salafist is misschien een terrorist, maar alle terroristen delen wel het salafisme als ideologie.

Die stelling is een zodanige versimpeling van de relatie tussen terrorisme en salafisme (nog even afgezien van de politiek gekleurde invulling van beide termen) die door geen enkel onderzoek gestaafd wordt, dat ik me zo langzamerhand afvraagt of dit niet de liberaal islamofobe variant is van de stelling ‘niet alle moslims zijn terroristen, maar alle terroristen zijn wel moslim’. De homogenisering zien we ook terug doordat sommigen iedereen die zich op de een of andere manier associeert met salafisme schuldig verklaren by association. Dat zien we bijvoorbeeld in de reacties op de steunbetuiging aan Aboutaleb van twaalf moskeeorganisaties:

Salafisme als probleem
Het gaat niet alleen om homogenisering, maar ook om het maken van onderscheid. En daar komen Aboutaleb en zijn criticasters in politiek en media met elkaar overeen. Men maakt een onderscheid tussen een acceptabele en onacceptabele islam en van daaruit een onderscheid tussen een acceptabele en onacceptabele burger. Dit kunnen we beschouwen als een klassiek beheerschema van seculiere overheden in de management van religieus pluralisme en het inkaderen van religie. De splitsing tussen acceptabele en onacceptabele islam kunnen we al terugvinden in de tijd van de Europese kolonisaties, onder meer in Nederlands-Indië. Destijds maakte een dergelijk onderscheid deel uit van pogingen om transnationale invloeden vanuit het Midden-Oosten op de lokale islam in de kolonies tegen te gaan en om de domesticatie van lokale vormen van islam (die als minder politiek en minder fanatiek werden gezien) te bevorderen. Daarbij gingen de koloniale autoriteiten vaak allianties aan met bepaalde lokale etnische en religieuze groepen en probeerden zij soms het islamitisch onderwijs onder staatscontrole te brengen.

Hedentendage, gaat het meestal om het onderscheid tussen radicale en gematigde/liberale islam. Met het label ‘radicaal’ of ‘salafistisch’ gaat het vooral om allerlei islamitische ideologieën die als bedreigend voor de democratische orde worden gezien. Het idee daarbij is dat de acceptabele islam zich houdt aan de grenzen die voor haar gesteld zijn in de publieke ruimte, maar wanneer de islam die publieke ruimte binnentreedt in een assertieve of zelfs agressieve manier, kan het gelabeld worden als ‘onacceptabele islam’ die de moslimgemeenschap zou verdelen, de acceptabele islam in een kwaad daglicht stelt, en integratie en de democratie bedreigt. Zo wordt het weigeren van het handenschudden, maar ook het dragen van de gezichtssluier, door onder meer Leefbaar, VVD en de PVV gezien als symbool van een vorm van islam die niet in Nederland thuis hoort. Waar het voor deze partijen om gaat is niet slechts een verwerping van een publieke uiting van religie of een vorm van islam die mensen als vreemd ervaren. Het gaat voor hen om het verwerpen van wat zijn zien als een assertieve, opdringerige vorm van islamitische religiositeit en als een opzichtige, provocatieve verwerping van de Nederlandse morele gemeenschap. De huidige discussie laat vooral zien dat er binnen dit kader ‘acceptabele’ vs. ‘onacceptabele’ islam zeer relevante verschillen van mening zijn, maar dat dit seculiere kader eigenlijk nergens wordt aangetast.

Aan de andere kant is de term salafisme ook onder moslims, ook onder zogenoemde salafisten, een punt van twisten. Er zijn er die zich voorstaan op die term en vinden dat het noodzakelijk is om de term (meestal dan salafi en niet salafisme of salafistisch) te gebruiken. Anderen wijzen dat juist af want het leidt mogelijk tot groepsvorming en wekt de indruk dat er meerdere vormen van islam zouden zijn. Weer anderen wijzen de term af, maar reageren wel onder die noemer op debatten over islam cq salafisme. En weer anderen negeren de term volledig, maar volgen wellicht wel een deel van de praktijken die met salafisme geassocieerd worden. En dan hebben we nog mensen die praktijken volgen die we associëren met Salafisme en zich daar ook op laten voorstaan, maar dat wordt dan weer betwist door andere (‘salafi’) moslims. De uitspraken van Aboutaleb vinden hier vooral ingang bij mensen die vinden dat de term Salaf is gekaapt door extremisten en radicalen, maar kunnen op kritiek rekenen van mensen die het salafisme ook onwenselijk vinden. Of mensen die moslim zijn, maar geen salafist willen zijn. Zie ook het standpunt van Fidan Ekiz bij DWDD:

Wat hebben we nu geleerd?
Niet veel, als het gaat om het verschijnsel salafisme in ieder geval. Wel dat de onderlinge debatten over het label salafi hier van belang zijn: ze laten goed zien dat dit veld maatschappelijk gezien een grillig veld is met grote verschillen en conflicten. De term salafisme maskeert dat en maakt het makkelijker om politieke en beleidsdoelen te formuleren, zeker wanneer het wordt gereduceerd tot ideologie, predikers en moskeeën of, zoals in het interview met Aboutaleb (en meer nog in de ophef daarover), tot slechts één zin zonder nuances. En dat maakt Aboutalebs uitspraken ook politiek gevoelig en tegelijkertijd uitstekend geschikt voor politiek gebruik door een vrij brede range aan politici. De partijen zitten veel minder ver uit elkaar dan het lijkt: wat een goede burger is, wordt mede bepaald door het antwoord op de vraag of hij zij een correcte theologische leer volgt. De verschillen zitten vooral over het antwoord op de vraag wat die correcte theologische leer is en waar de grenzen liggen. Het is natuurlijk een interessant om te zien dat een seculiere overheid zich hiermee bezig houdt en roept wel de vraag op waar hier de grens ligt.

Zie hier het complete debat in de Rotterdamse raad: