Afgelopen dinsdag vond in Amsterdam, bij jongerencentrum Argan, de bijeenkomst De stad van tolerantie plaats over het tegengaan van haat en discriminatie tegen moslims. De bijeenkomst was georganiseerd door het Collectief tegen Islamofobie en Discriminatie (CTID) en Moskee Alert. Aan het discussiepanel namen Sofyan Mbarki (PvdA), Simion Blom (GroenLinks), Bert-Jan ten Vroege (D66), Anja Meulenbelt (BIJ1), Mourad Taimounti (DENK), Saida Derazzi (CTID) en Rachid Abouhrait (Moskee Alert) deel. Inleidingen werden gehouden door Yassin ElForkani, Abdou Menehbi en natuurlijk, yours truly, Martijn de Koning. De avond stond onder leiding van Jamal Ezzarqtouni en werd afgesloten door Rutger Groot Wassink (wethouder Sociale Zaken, Democratisering en Diversiteit).

Verbinding, erkenning en actie

Het verhaal van Yassin Elforkani rustte op twee pijlers: verbinding en erkenning. Dat eerste kwam expliciet aan bod, moslims en niet-moslims moeten elkaar opzoeken en haat bestrijden. Het tweede was wat implicieter, maar Elforkani’s verhaal was ook een vrij persoonlijk pleidooi voor het erkennen van de bijdrage die moslims leveren en geleverd hebben aan de samenleving. Menehbi besprak het Manifest tegen moslimhaat en discriminatie en riep politici op tot actie en het erkennen dat er een probleem is als het gaat om haat en agressie tegen moslims. In mijn verhaal richtte ik me op de staat van islamofobie in Nederland op drie niveaus: particuliere islamofobie (vormen van discriminatie, haat en agressie in het dagelijks verkeer tussen burgers), institutionele islamofobie (islamofobie als onderdeel van of als gevolg van overheids- of bedrijfsbeleid, zoals het aanstaande verbod op gezichtsbedekkende kleding) en politieke islamofobie (de acties van Pegida en Voorpost maar ook het continue benadrukken van het anderszijn van moslims door mainstream politici en het wegkijken bij discriminatie tegen moslims).

Ongeduld

Zonder uitzondering benadrukten de politici in het panel dat discriminatie tegen moslims wel degelijk de aandacht heeft en serieus genomen wordt, maar het idee dat het gevoel van urgentie ontbreekt bij politici kon ook op herkenning rekenen met name bij Simion Blom. Blom gaf daarbij tegelijkertijd aan (net als anderen) dat er wel degelijk maatregelen zijn genoemd in het Amsterdamse coalitieakkoord en vroeg ook om geduld aangezien het College er nog maar net zit. Wat dat betreft was het een beetje de avond van het democratische ongeduld: burgers die vragen om actie over een probleem waar ze al jarenlang mee geconfronteerd worden en politici die vragen om tijd omdat ze pas net aan een klus beginnen. Beiden zijn begrijpelijk, maar zorgde ook wel voor verzuchtingen als wat men nu eigenlijk gaat doen.

Wel agenderen, niet meedoen

Subsidie erbij voor een anti-discriminatiemeldpunt is mooi, maar ook de meldingsbereidheid moet omhoog stelde Butter. Die is laag omdat mensen die weg niet zouden kennen en/of weinig vertrouwen hebben dat er iets met de melding gebeurt (bij MDRA en politie) of bij aangifte (bij politie). Het is opmerkelijk dat organisaties als CTID en Moskee Alert, die mensen wel weten te vinden en vertrouwen, worden over geslagen in het beleid. Maar het is ook weer niet zo uniek: zelforganisaties zoals dat dan heet hebben voortdurend de rol van het agenderen, creëren van draagvlak, incasseren van de eerste kritieken, maar oogsten zelden als de overheid geld uitdeelt. Derhalve, zo stelden Saida Derazzi van het CTID en Rachid Abouhrait (Moskee Alert) moet er meer worden samengewerkt met laagdrempelige maatschappelijke organisaties.

Een ander punt dat vanuit het panel kwam en dat vooral door Sofyan Mbarki naar voren werd gebracht is dat de islam in de samenleving genormaliseerd moet worden. Het wordt nu nog teveel als iets vreemds en van buiten gezien. Taimounti (DENK) kwam met de opmerking dat DENK geijverd had voor het apart benoemen van verschillende vormen van intolerantie en uitsluiting in het coalitieakkoord. Mbarki en Ten Vroege pleiten er juist voor omdat niet te doen en ‘in gezamenlijkheid’ op te treden tegen discriminatie in het algemeen. Het is een regelmatig terugkerende discussie: moet je discriminatie in zijn algemeenheid bestrijden of aandacht besteden aan specifieke velden of een combinatie ervan en hoe je dat dan?

Verbod op gezichtsbedekkende kleding

Vanuit het publiek kwamen diverse bijdragen die ook pleitten voor het betrekken van de gemeenschappen bij het bestrijden van discriminatie en, met herhaling, de vraag aan de panelleden wat zij vonden van het aanstaande verbod op de gezichtssluier. Alle politici in het panel maakten helder dat handhaving van dit verbod voor Amsterdam geen prioriteit zou moeten hebben omdat er andere (belangrijkere) handhavingsproblemen zijn en omdat het verbod etnisch profileren in de hand zou werken. Of dat een geruststelling is voor de vrouwen met een gezichtssluier waag ik te betwijfelen. Zoals het er nu naar uitziet wordt volgende week het wetsvoorstel voor het deelverbod op gezichtsbedekkende kleding in de Eerste Kamer aangenomen.

Het is overigens opvallend dat in discussiebijeenkomsten en op social media er de nodige discussies zijn over het islamofobe en seksistische karakter van dat wetsvoorstel, onder meer naar aanleiding van een artikel van Annelies Moors in Trouw. Voor het bredere publiek echter zijn er nauwelijks acties en de grote islamitische organisaties, vrouwenorganisaties en anderen lijken niet erg genegen om iets te doen. Wel is inmiddels Hizb ut Tahrir begonnen met een campagne #Tegenhetniqabverbod en ook enkele individuen. Wellicht dat, naast andere zaken, ook de beperkte ruimte die er lijkt te zijn voor moslims om zich uit te spreken tegen intolerantie hier debet aan is.

Al met al was het geen heel spannend en verdiepend debat, maar dat was wellicht ook niet te verwachten met net een nieuwe coalitie in Amsterdam. Die heeft immers ook tijd nodig om zich te bewijzen. De avond maakte in ieder geval duidelijk dat het publiek dat ook wil en de aanwezige partijen hebben zich gecommitteerd om daadwerkelijk iets te gaan doen en kunnen daar ook aan gehouden worden.