Gastauteur: Pooyan Tamimi Arab

De Blauwe Moskee in Amsterdam heeft aangekondigd de islamitische oproep tot gebed te willen versterken met luidsprekers. De vragen die ik al jaren van journalisten krijg over deze kwestie zijn steeds dezelfde: hoeveel moskeeën in Nederland doen het? Mag het ook in andere Europese landen? Is er sprake van een trend? Maar, hoe en waarom de liberale democratie zich zo heeft ontwikkeld dat alle religieuze groepen zich in het publieke domein kunnen manifesteren, blijft onbesproken. 

Spinoza en theologische politiek

Neem bijvoorbeeld de Amsterdamse filosoof Spinoza, een grondlegger van liberaal gedachtegoed. Een populaire misvatting luidt dat hij voor een scheiding van kerk en staat heeft gepleit. Wie zijn politieke traktaten doorneemt ziet dat de verlichtingsdenker inderdaad de macht van religieuze autoriteiten over burgers wil ondermijnen, alsook het materiële bezit van deze autoriteiten, met name hun kerkelijke goederen, wil beperken.

Maar in plaats van een ‘wederzijdse uitsluiting,’ waarbij zowel de Staat als kerken relatief onafhankelijk mogen opereren, pleitte hij voor een ‘eenzijdige uitsluiting’ die de Staat het hoogste recht omtrent alle religieuze zaken schonk – de jus circa sacra.

Spinoza’s bekendste werk hierover heet immers Theologisch-Politiek Traktaat, een pleidooi voor een verlichte vorm van theologische politiek. Hij beoogde een tolerante samenleving te creëren door de religieuze diversiteit, een natuurlijk, menselijk fenomeen, te reguleren en binnen perken te houden.

Voor religieuze minderheden waren tolerantie en gewetensvrijheid zo gegarandeerd. Maar het ging niet om  gelijkheid zoals we dat vandaag voor ogen hebben. Spinoza was van mening dat een nationale ‘staatsgodsdienst’ ingevoerd moest worden, een religio patriae, en dat bijvoorbeeld de gebouwen van deze algemeen geldende en dominante religie groter en kostbaarder zouden moeten zijn dan die van minderheden: ‘Personen die andere godsdiensten belijden, moet men de toestemming verlenen om zoveel kerken te bouwen als zij willen, maar van bescheiden omvang, binnen bepaalde afmetingen, en op enige afstand van elkaar. Voor de kerken die aan de staatsgodsdienst gewijd zijn, is het integendeel van groot belang dat ze ruim en weelderig zijn.’

 De religie van het land

Dit idee van Spinoza week weinig af van de Europese praktijk, waarin natiestaten verdeeld waren geraakt gebaseerd op dominante, christelijke, stromingen. Katholieken mochten in deze vroegmoderne periode geen kerken bouwen, kerkklokken luiden of processies organiseren. Pas na de Amerikaanse en Franse Revoluties begint de metafoor van een Scheiding van Kerk en Staat terrein te winnen van de hegemonie van de enkelvoudige staatsgodsdienst.

In de negentiende eeuw raakten de katholieken geëmancipeerd, mochten opnieuw kerken bouwen en in toenemende mate kerkklokken luiden, bijvoorbeeld in Rotterdam in 1835 voor het eerst sinds de Reformatie. Ondanks deze emancipatie kwam in 1848 het zogenaamde processieverbod tot stand, een wet die publieke katholieke uitingen tegen kon werken of geheel verbieden. Thorbecke waarschuwde dat de overheid herinnerd zou worden als ‘een bekrompen en onverdraagzamen of onverdraagzaamheid bekrachtigenden wetgever,’ maar de wet kwam er toch.

Pas in 1983 werd het processieverbod afgeschaft, dankzij de Wet Openbare Manifestaties. Onder politieke filosofen wordt dit jaartal gemarkeerd als een voortschrijdende vervolmaking van het ideaal van de Scheiding van Kerk en Staat. De Staat zou niet langer een of meerdere religies boven andere plaatsen in het openbare domein.

De secularisering van het land

Of we deze vooruitgang te danken hebben aan acceptatie van elkaars verschillen valt te betwijfelen. Het verbod op processies werd formeel opgeheven toen een steeds groter deel van de bevolking ontkerkelijkte en onverschillig werd ten opzichte van het christendom, terwijl de joodse bevolking al grotendeels en systematisch door de Nazis was vernietigd in de Holocaust. Toch was deze ontwikkeling een belangrijke stap voor Nederlands ‘constitutioneel secularisme.’ Het was een secularisering van de wet.

Tegelijkertijd werd met de Wet Openbare Manifestaties erkenning gegeven aan demografische veranderingen, ten gevolge van de komst van postkoloniale burgers, de globalisering en arbeidsmigratie en het opnemen van vluchtelingen. Het was in deze context dat het parlement instemde met een voorstel om de islamitische oproep tot gebed grondwettelijk te beschermen. Nota bene een VVD’er, Jan-Kees Wiebenga, attendeerde er op dat moslims de oproep tot gebed elektronisch versterken en dat ook deze specifieke uitingsvorm bescherming verdiende. De Minister van Justitie, de VVD’er Frits Korthals Altes, sprak zijn vreugde uit, dat er definitief een streep werd gezet onder wetgeving die herinnerde aan een rumoerige tijd van religieuze twisten. Enkele moskeeën in Den Haag, Leiden, Tiel en Almelo begonnen de oproep tot gebed te versterken. Dat was al vanaf 1986. In de jaren negentig werden met de toenemende zichtbaarheid van moskeegebouwen ook de stemmen die ‘onze cultuur’ willen beschermen sterker.

Vandaag heeft de VVD het politiek liberalisme de rug toegekeerd, en lijkt te zijn vergeten waarom de Scheiding van Kerk en Staat er is. Zo dacht VVD-senator Eric van der Burg vorig jaar als wethouder slim te zijn door in een erfpachtregeling vast te leggen dat een nog te bouwen moskee in Amsterdam de oproep tot gebed niet zal laten horen. De gemeente probeert daarmee de historische en politiek filosofische achtergronden van de Grondwet te omzeilen.

Namelijk: de meest vooraanstaande filosofen van het liberalisme van de twintigste eeuw, zoals John Rawls, hebben het religieuze pluralisme getheoretiseerd als de kwestie waar politiek liberalisme om draait. In een onthullende kritiek op Spinoza stelde Rawls dat het publiekelijk willen opleggen van één religieuze doctrine of levensbeschouwing in strijd is met een gelijke behandeling. Wie de uiteenlopende manifestaties van religieus en levensbeschouwelijk pluralisme wil bannen uit de stad, betreurt in feite de producten van de vrijheid zelf.

Pluralistische kakofonie

Natuurlijk kan de kakofonie van een bruisende, religieus diverse, hoofdstad verbazen en irriteren. Voor een Turkse moskee is een versterkte oproep tot gebed een recht, maar voor andere groepen, zoals Koerden, Armenen en Syrische Christenen is het horen van die oproep dikwijls juist een symbool van agressief Turks nationalisme. Wanneer de emoties hoog oplopen kan een volledig grondwettelijk begrip gepaard met kritische zelfreflectie niet van alle burgers worden verwacht. Pragmatisch polderen met de Grondwet als scheidsrechter en met wethouders die iets van de geest van de liberaal-democratie over weten te brengen is daarom noodzakelijk en broodnodig. We moeten nu eenmaal met elkaar leven.

Pooyan Tamimi Arab is universitair docent religiewetenschappen aan de Universiteit Utrecht waar hij ook verbonden is aan het onderzoeks project “Religious Matters in an Entangled World: Things, Food, Bodies and Texts as Entry Points to the Material Study of Religion in Plural Settings” onder leiding van Birgit Meyer. In zijn onderzoek richt hij zich op betwiste afbeeldingen, islam en religieuze diversiteit in Nederland.