De laatste jaren is er veel discussie onder moslims en over moslims als het gaat om het verbeelden van levende wezens of historische figuren zoals de profeet Mohammed. Daarbij gaat het om films als Submission I (waar Asma Barlas vorige week aan refereerde), de Deense Mohammedcartoons of het afbeelden van de profeet Mohammed als een hond door de Zweedse kunstenaar Lars Vilks. In deze bijeenkomst gaan we in op de debatten hierover.

• Silvia Naef, ‘Representing prophets and saints in Islam: from classical positions to present-day reactions’, in: Nilüfer Göle (ed.), Islam and public controversy in Europe, Burlington, Farnham 2013, pp. 101-112.
• Anja Kublitz, ‘The cartoon controversy: creating Muslims in a Danish setting’, Social analysis: the International journal of social and cultural practice, vol. 54 (2010), no. 3, pp. 107-125.
• Charlotte van der Ploeg, ‘Dutch Muslim youth bloggers: challenging the national discourse on Islam’, in: Merve Kayikci/ Leen d’Haenens, European Muslims and new media, Leuven University Press, Leuven 2017, pp. 71-87.
• Shabbir Akhtar, Be careful with Muhammad! The Salman Rushdie affair, Bellew Publishing, London 1989, pp. 1-12.

De discussies daarover lijken vaak uit te draaien op een strijd voor de vrijheid van meningsuiting (als zogenaamd typisch Europese verworvenheid) tegenover islam en de vrijheid van godsdienst want de islam zou geen afbeeldingen toestaan.

Afbeeldingen, islamitische tradities en veranderingen

De tekst van Naef plaatst dit laatste idee, van het beeldverbod, in de context van historisch gegroeide doctrines en posities van islamitische geleerden. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is dat het afbeelden van levende wezens als probleem gezien worden. Het gaat daarbij onder meer om het tegengaan van afgoderij (met verwijzingen naar Koran en hadith). Tegelijkertijd echter kennen diverse islamitische tradities door de tijd heen allerlei afbeeldingen van mens en dier, inclusief de profeet Mohammed en diens familie. Deze tradities (met uitzondering van de laatste) waren vaak wereldlijke tradities buiten de religieuze context en de islamitische tradities hebben eigenlijk nooit grote iconoclastische crises gehad (zoals de Beeldenstorm). Het was lange tijd simpelweg niet zo’n prioriteit.

Met de komst van de moderne drukpers, lithografie, fotografie, film televisie en digitale afbeeldingen, heeft de productie en verspreiding van beelden een enorme vlucht genomen en werd er steeds meer een uitgesproken standpunt verwacht van islamitische geleerden hierover. Veel geleerden en juristen nemen daarover een redelijk pragmatisch standpunt in en stellen dat afbeeldingen slechts de beeltenis van een echt (levensecht) object vastleggen en niet de persoon zelf, bijvoorbeeld. Zolang aanbidding of het imiteren van God’s schepping niet het doel is of de afbeelding niet in strijd is met het toelaatbare in de islam, zou het kunnen. Anderen geleerden kiezen echter voor een lijn dat geen enkele afbeelding van levende wezens is toegestaan. Maar ook daar zit een pragmatische kant aan: zo zijn foto’s voor een paspoort gewoon toegestaan, evenals fotografie, film en televisie. Ook de verbeeltenis van de profeet Mohammed bij het Amerikaanse Hooggerechtshof wordt door sommigen als toegestaan gezien. In de Shia tradities is er juist een zeer uitbundige traditie van het afbeelden van de profeet en van bijvoorbeeld Hoessein.

Een belangrijke rol is ook weggelegd voor de film De Boodschap (The Message / Al-Risala). De film laat de profeet en zijn metgezellen niet zien of horen.

In sommige gevallen werd deze film net als andere films verboden. Of er dus wel of geen conflict ontstaat over het afbeelden van levende wezens, in het bijzonder de profeet, is dus niet te verklaren vanuit een een of andere theologische essentie van de islam, maar er kunnen wel legitimeringen voor worden gevonden. Of dat ook daadwerkelijk gebeurt is afhankelijk van veranderingen in samenlevingen (zoals nieuwe technieken) en de socio-politieke context.

Iconen in de debatten: Rushdie affaire en de Mohammed Cartoons
Eén zo’n conflict wordt beschreven door Shabbir Akhtar: de Rushdie affaire. Salman Rushdie ging in zijn boek De Duivelsverzen aan de haal met verschillende literaire tradities over profeten en in het bijzonder over de profeet Mohammed. De parodie werd door diverse organisaties wereldwijd en de toenmalige ayatollah Khomeiny gezien als onrespectvol en beledigend over een persoon die in de islamitische tradities als de meest navolgenswaardige persoon wordt gezien: de reputatie van hem moet dan ook beschermd worden.

Een andere grote kwestie was de controverse over de Mohammed cartoons in de Deense krant Jylland Posten in 2005 en 2006. Deze komt aan de orde in het artikel van Kublitz die een demonstratie analyseert die is gericht tegen de cartoons met als boodschap ‘Islam is vrede’. De cartoons werden gepubliceerd als onderdeel van de ‘cultuurstrijd’ tegen migranten uit ‘moslimlanden’ die de Deense cultuur en Europese normen niet zouden erkennen, aldus toenmalig minister Brian Mikkelsen. Een cultuurcanon moest een oplossing brengen. De 12 cartoons, met als gezamenlijke titel De gezichten van Mohammed’ zelf waren het resultaat van een wedstrijd die was uitgeschreven door de Jylland Posten omdat het zo moeilijk zou zijn mensen te krijgen die afbeeldingen van de profeet Mohammed wilden vervaardigen. De vrijheid van meningsuiting moest niet ondergeschikt zijn aan religieuze gevoelens, maar de demonstranten zagen de cartoonstrijd als discriminatie van een minderheidsgroep en protesteerden tegen het beledigen van de profeet en richten hun boodschap daarbij op de Deense regering en samenleving als geheel. De gehele discussies over de cartoons maar ook over migranten bestond daarbij uit opposities:

• Anja Kublitz, ‘The cartoon controversy: creating Muslims in a Danish setting’, Social analysis: the International journal of social and cultural practice, vol. 54 (2010), no. 3, pp. 107-125.

In lijn met Said’s Orientalisme, stelt Kublitz dat de cartoons maar ook deze opposities geen getrouwe weergave zijn van islam en moslims of van Denemarken, maar wel van hoe Deense politici en anderen Denemarken en de Deense identiteit construeren. En op deze manier wordt ‘De moslim’ als categorie geconstrueerd in beleid en debat tegen de achtergrond van post-9/11 en de mondiale crisis die uitbrak met de verspreiding van de cartoons in bepaalde landen die daar weer werden gebruikt om lokale belangen te dienen zoals in het geval van Palestina met Hamas en Islamitische Jihad.

De rol van internet in de reacties van jonge moslims
Om de stigmatisering van islam en moslims tegen te gaan, die mede wordt verspreid door de cartoons zelf en die er ook een weerspiegeling van is, hebben met name jongeren zich gericht op social media als platform om hier tegen te strijden zo laat Van der Ploeg zien. Mede op basis van het werk van Habermas over de public sphere, laat zij zien dat de public sphere uit meerdere publieken bestaat. Een dominant of meerdere min of meer dominante publieken en tegenpublieken. Dus ook groepen die niet de agenda en de termen van de debatten bepalen, kunnen met een eigen agenda, eigen termen en eigen argumenten komen. En met name cyberspace is daar heel geschikt voor. Van der Ploeg kijkt daarbij naar bloggers en uit de gesprekken met hen komen verschillende thema’s naar voren:

  1. Bloggen stelt hen in staat hun identiteit te formuleren in hun eigen termen en vaak ook als meervoudige identiteiten. Bloggen draagt voor de schrijvers bij aan het scheppen van een ruimte waarin moslims ‘genormaliseerd’ kunnen worden, tegen de achtergrond van een vertoog dat stigmatiserend of zelfs dehumaniserend is.
  2. Bloggen stelt hen in staat hun eigen ervaringen naar voren te brengen en zo de stereotypen en misrepresentaties in het publieke debat ter discussie te stellen.
  3. Stelt hen in staat op creatieve en humoristische wijze om te gaan met ervaringen van het meten met twee maten.
  4. Een blog is een goede manier om in debat te gaan met de dominante publieken.

De blogs zijn dan ook tegelijkertijd een manier van engagement en participatie als wel van kritiek. Open blijft in hoeverre zij daarmee daadwerkelijk de bestaande machtsstructuren in de samenleving beïnvloeden. Samengevat, kunnen we stellen dat hoe kernsymbolen uit een cultuur worden afgebeeld, is altijd een gevoelige kwestie. Die gevoeligheid leent zich uitstekend om te gebruiken om mensen te mobiliseren om te protesteren tegen zaken uit bepaalde tradities en culturen die zij onwelgevallig achten, maar ook om te protesteren tegen verandering. Uiteindelijk wordt het antwoord op de vraag waar, wanneer, welke protesten komen en door wie, nooit alleen bepaald door islamitische geschreven tradities, maar altijd (ook) door sociale en politieke factoren die zeer context bepaald zijn.