Vandaag begint de Parlementaire Onderzoekscommissie Ongewenste Beïnvloeding uit onvrije landen met de openbare verhoren. Als eerste zullen gehoord worden Dhr. D. Schoof (AIVD),  Dhr. R. Sandee (terreurdeskundige) en Dhr. M. Roscam Abbing (Taskforce Problematisch Gedrag en Ongewenste BeÏnvloeding en Financierng). Het is een onderzoek dat nogal wat vragen oproept. Het is eigenlijk onduidelijk wat nu precies geldt als beïnvloeding, wanneer die ongewenst is en wat een land nu precies onvrij maakt en waarom dat een criterium is. Met andere woorden, eigenlijk is onduidelijk waar het onderzoek over gaat. Maar gezien de verhoren is toch wel helder dat het om islam en moslims in Nederland gaat. Zie ook het blog van Marcel van den Akker hierover.

De hoorzitting is hier te bekijken:

Financiering van Nederlandse moskeeorganisaties

In dit stuk, achtergrond informatie over de financiering van Nederlandse moskeeorganisaties door de tijd heen. Het in kaart brengen van de financiën van Nederlandse moskeeorganisaties is een ingewikkelde kwestie. De meeste moskeeorganisaties zijn niet verplicht om openheid van zaken te geven, maar dat wil niet zeggen dat er geen enkel inzicht mogelijk is. Maar dat is niet het enige waarom het een complexe zaak is:

Moskeebestuurder: ‘Hier, hier, kijk in de boeken van de laatste 20 jaar. En hier zie je de toezeggingen uit de Golf.’

Martijn: ‘Ik zie veel toezeggingen, flinke bedragen ook. Maar als ik dan verder kijk, is er toch niet veel gekomen’?

Moskeebestuurder: ‘Ze zijn gierig. Mooie praatjes, maar we wachten nog steeds.’

Bovenstaande is een weergave van een fragment van een gesprek tussen een moskeebestuurder en mij ergens in den lande. Het geeft enigzins de weerbarstige praktijk van de financiering uit het buitenland aan. Veel moskeeorganisaties, ook van de betreffende moskeebestuurder, konden de gelden uit de Golfregio goed gebruiken. Immers, de draagkracht van de lokale gemeenschappen is niet altijd groot genoeg voor volledige financiering en de Nederlandse overheid heeft over de jaren heen een heel wisselende houding gehad over het wel/niet bijdragen aan moskeebouw. De gelden uit het buitenland zijn dan een welkome aanvulling en er is zeker bereidheid en welwillendheid om geld toe te zeggen, maar toch weer minder om het daadwerkelijk over te maken.

Mediterrane moslims en de ‘Moorse bouwstijl’

Al in de jaren ’70 was de bekostiging van moskeeorganisaties een politieke kwestie. In die periode werd ook een nieuwe beleidscategorie in het leven geroepen voor Turkse en Marokkaanse gastarbeiders: de ‘mediterrane moslims’.  In de debatten in de Tweede Kamer over financiering van moskeebouw door de Nederlandse overheid, vond een kamerlid van het christelijke GPV het geloof geen zaak van de overheid, maar een privékwestie. Daarnaast moest de overheid volgens hem vermijden de ‘Moorse bouwstijl, een moskee of minaret, (die) het Nederlandse stads- of dorpsbeeld zou gaan beïnvloeden’ te bekostigen.[i]

Niettemin, kwam er voor ‘mediterrane moslims’  een regeling die voorzag in gedeeltelijke subsidiering van gebedsruimten. Dit betekende dat Molukse, Surinaamse en Indische Nederlanders  binnen deze regeling geen financiering kregen.[ii] Wel overheid de Molukse moskeeën in Ridderkerk en Waalwijk gefinancierd. Uiteindelijk heeft is er maar één moskee in Nederland gefinancierd vanuit de regeling voor ‘mediterrane moslims’.

Deze subsidieregeling liep af in de jaren ’80 en na lange discussies werd in 1989 besloten geen nieuwe subsidieregeling meer in te stellen voor religieuze gebouwen. Maar zeker één moskee in een grote stad kreeg nog wel, via gemeentelijk beleid, subsidie voor een klein deel van de bouwkosten van een nieuwe moskee in de jaren ’80. Niettemin, de moeilijke financiële positie van de kerken na de Tweede Wereldoorlog was voldoende reden geweest voor een subsidieregeling, maar werd uiteindelijk niet meer noodzakelijk geacht. Veranderende opvattingen over de positie van kerken en religies maakten de regeling ook steeds moeilijker te handhaven, laat staan te verlengen. De zwakke financiële positie van moskee organisaties legde als argument niet of nauwelijks gewicht in de schaal.[iii]

Patronen

Op basis van het academische onderzoek uit de jaren negentig kunnen we enkele patronen vaststellen over de financiering van moskeeën en de rol van Nederlandse en buitenlandse overheden en instituties. Het overheersende beeld van de afgelopen decennia over de bekostiging van moskeeën is dat het merendeel (zeker in de jaren ’80) voor elkaar kwam via giften en jarenlange moeizame inzamelingsacties (soms van moslims en niet-moslims) bij de lokale eigen achterban en van andere moskeeën in Nederland (en soms Duitsland) en de achterban van bevriende islamitische instituties uit het landen met een moslimmeerderheid. Ook het bedrijfsleven hielp mee met de inzamelingen, evenals een popster als Yusuf Islam (aka Cat Stevens), de Rabita en vermogende particulieren van buiten Europa. Ook allerlei fondsen werden gaandeweg opgericht die soms verbonden waren met mondiale islamitische bewegingen zoals de Moslimbroederschap.

Er waren in de jaren ’70 al wel initiatieven voor bekostiging vanuit het Midden-Oosten, maar dat zette nog niet veel zoden aan de dijk. Onder Marokkaanse moskeeën gebeurde er veel informeel en de behoefte was ook heel divers. Soms ging het om de bouw van grote moskeeën, maar er waren ook initiatieven van informele, niet-geregistreerde gebedsruimten. Dat leverde onder de Marokkaanse moskeeën een hele brede waaier aan religieuze en nationale oriëntaties op. Soms zelfs binnen één moskee. Zo was er een moskee die tot stand kwam via lokale giften vooral en zich onafhankelijk bewoog van de Marokkaanse overheid, een zogeheten Vrije Moskee. Die kreeg een imam die vervolgens dezelfde lijn als die van de Marokkaanse en Saoedische overheid volgde. Een lijn die prima was voor de bezoekers: die kregen wat ze gewend waren want het leek vooral Marokkaans. De lijn was absoluut niet prima voor de moskeebestuurders die zich alsnog gebonden zagen aan de lijn van Marokko in plaats van de meer vrije mix van conservatieve en progressieve elementen die ze voor zich zagen.

Onder Turkse Nederlanders zien we gaandeweg de jaren ’80 en daarna steeds vaker professioneel geleidde projecten geleid en gefinancierd vanuit de eigen netwerken in Europa en Turkije met die van de Diyanet, Milli Gorus en Suleymanli. In sommige gevallen werd expliciet de eis gesteld om openlijk de lijn van de buitenlandse overheden te volgen, maar in veel gevallen is daar geen sprake van. Wat we wel diverse keren hebben kunnen zien is dat een moskeebestuur voorzichtig zal zijn met openlijke kritiek vanuit de achterban op buitenlandse regering en kritische gastsprekers en imams vermijdt.

Er is vooral aandacht in beleidskringen en ook in de wetenschap, voor de transnationale islam van de Marokkaanse en Turkse Nederlanders en dat dan in relatie tot Marokko en Turkije en Saoedi-Arabië en de Golfstaten. Daarmee ontbreekt het zicht op financiële en andere banden binnen Europa (in het bijzonder Engeland en Duitsland) en met de VS en Canada. Evenmin is er veel aandacht voor internationale fondsenwerving en de betekenis van grote fondswervers die over de gehele wereld werken. En ook voor andere etnische gemeenschappen is nauwelijks aandacht. De volgende keer (komend weekend), maar aandacht voor de kwestie van beïnvloeding.

Lees ook: Transnationale islam in Nederland 1 – Onderzoek beïnvloeding uit onvrije landen #pocob

Voor de hele serie over transnationale islam in Nederland tegen de achtergrond van de Parlementaire Onderzoekscommissie Ongewenste Beïnvloeding, zie Transnationale Islam series.

Verwijzingen (deze zijn niet compleet, in de laatste bijdrage van de serie volgt een volledige bronnenlijst).

[i] Handelingen van de Tweede Kamer 1974-1975, p. 573. Zie ook: C. Brand ‘Moorse minaretten’ op kosten van de staat? Overheidssubsidie voor moskeeën (1960-1990), in: C.C. van Baalen (red.) e.a., Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2005, God in de Nederlandse politiek, Den Haag: Sdu 2005.

[ii] E. Samuels en P. Gransbergen, Behoeftenonderzoek moslims (Rijswijk 1975) als bijlage opgenomen in J. Waardenburg, Religieuze voorzieningen voor etnische minderheden in Nederland. Rapport tevens beleidsadvies van de niet-ambtelijke werkgroep ad hoc (Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur; Rijswijk 1983). Zie ook: R. Hampsink, Nederland en de islam. Steunverlening aan islamitische gebedsruimten. Een rechtssociologisch onderzoek, Nijmegen: Radboud Universiteit, 1992; N. Landman, Van mat tot minaret. De institutionalisering van de islam in Nederland, Amsterdam: VU Uitgeverij 1992, p. 278 – 282.

[iii] M. Maussen, ‘Pillarization and Islam: Church-state traditions and Muslim claims for recognition in the Netherlands’, in: Comparative European Politics, 10 (2012) 3, p.337-353, London: Palgrave.