Resolutie 1743: islam, islamisme en islamofobie in Europa

Wat weet u er eigenlijk van?

Van het achterliggende mondiale plan? En wat weet u van Resolutie 1743 dat daar onderdeel van is?
Het is allemaal vooropgezet om u en uw kinderen te laten lijden. Uw vrijheid wordt bedreigd door het politieke satanistische pedo-kartel dat er in is geslaagd om islamofobie voorgoed te verbieden en moslims met allerlei misdrijven te laten wegkomen. Behalve dan, dat dit allemaal niet echt hout snijdt.

Maar het is wel verhaal dat je af en toe tegenkomt en na de ongeveer vijfde mail die ik kreeg over het wangedrocht dat resolutie 1743 zou zijn, leek het me goed toch even een en ander op een rij te zetten.

Resolutie 1743 is een resolutie die in 2010 is aangenomen door de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa (PACE). Deze PACE is één van de twee instanties van de Raad van Europa en houdt zich onder andere bezig met mensenrechten. Resolutie 1743 lijkt een zekere populariteit (of beruchtheid) te hebben in kringen die een omvolkingsmythe voorstaan: het idee dat de oorspronkelijke bevolking van een gebied vervangen zou worden door moslims, Afrikanen en anderen. Soms hoort daar nog bij dat dit een international complot is van de Joden (Soros). De volgende punten worden in deze kringen besproken en verspreid (onder meer via Veren of Lood, JD Report, E.J. Bron en meestal gebaseerd op deze tekst en vaak verbonden met complottheorieën waarin de mythen van omvolking en islamisering met elkaar worden verbonden) als het gaat om resolutie 1743. De versie die meestal in die radicaal-rechtse en/of complotkringen wordt verspreid staat in gewoon schrift. Daarachter volgt vetgedrukt de werkelijke tekst van deze resolutie die u in het Engels hieronder kunt terugvinden:

1743-1: Radicalisering en terrorisme zijn het gevolg van uitsluiting, stigmatisering en discriminatie van moslims. De Parlementaire Vergadering merkt op dat islamitisch radicalisme en manipulatie van religieuze overtuigingen om politieke redenen in strijd zijn met mensenrechten en democratische waarden. Tegelijkertijd voelen moslims zich in veel lidstaten van de Raad van Europa sociaal uitgesloten, gestigmatiseerd en gediscrimineerd; ze worden het slachtoffer van stereotypen, sociale marginalisatie en politiek extremisme. De Vergadering maakt zich grote zorgen over islamitisch extremisme en over extremisme tegen moslimgemeenschappen in Europa. Beide verschijnselen versterken elkaar.

1743-2: Islamofobie is het gevolg van een verkeerd begrip van de islam. Nationale regeringen pakken islamofobie onvoldoende aan, wat rechts in de kaart speelt. De Vergadering herinnert eraan dat islamisme de opvatting is dat de islam niet alleen een religie is, maar ook een sociale, wettelijke en politieke gedragscode. Islamisme kan gewelddadig of mainstream en vreedzaam zijn, maar in beide gevallen accepteert het de scheiding tussen religie en staat niet, wat een fundamenteel principe is van democratische en pluralistische samenlevingen. De Vergadering herinnert er ook aan dat discriminatie van moslims onaanvaardbaar is en moet worden bestreden. Een grote meerderheid van de Europese moslims deelt de principes die aan onze samenlevingen ten grondslag liggen en het is essentieel om te vechten tegen islamofobie, die voornamelijk voortkomt uit een gebrek aan bewustzijn en uit negatieve percepties die de islam met geweld associëren. Bij gebrek aan een oplossing voor deze kwesties, effenen veel Europese regeringen de weg voor de opkomst van extremisme. De Islamitische Onderwijs-, Wetenschappelijke en Culturele Organisatie (ISESCO) en de Arabische Liga Educatieve, Culturele en Wetenschappelijke Organisatie (ALECSO) werken samen met de Raad van Europa aan het bestrijden van islamisme en islamofobie of andere religieuze discriminatie en het bevorderen van het respect voor universele mensenrechten. ISESCO en ALESCO kunnen bijzonder belangrijk zijn om ervoor te zorgen dat hun leden het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESCR) van de Verenigde Naties respecteren.

1743-3: De islam hoort bij Europa, deelt haar culturele wortels, heeft veel bijgedragen aan de beschaving en erkent de universele rechten van de mens en de vrijheid van meningsuiting. Moslims zijn thuis in Europa, waar ze al vele eeuwen aanwezig zijn, zoals de Vergadering opmerkte in haar Aanbeveling 1162 (1991) over de bijdrage van de islamitische beschaving aan de Europese cultuur. De islam, het jodendom en het christendom – de drie monotheïstische religies – delen dezelfde historische en culturele wortels en erkennen dezelfde fundamentele waarden, in het bijzonder de hoogste waarde van het menselijk leven en waardigheid, het vermogen en de vrijheid om gedachten te uiten, het respect voor anderen en hun eigendom, en het belang van maatschappelijk welzijn. Die waarden zijn weerspiegeld in Europese filosofieën en zijn opgenomen in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (“het verdrag”; ETS nr. 5).

1743-9: Moslims moeten een speciale status krijgen en beschermd worden. Zij moeten daarvoor juridisch worden ondersteund om islamofobie te bestrijden. De Vergadering roept de lidstaten op om de sociale en economische uitsluiting van moslims en andere minderheden in Europa doeltreffend aan te pakken – onder meer door de goedkeuring, uitvoering en regelmatige monitoring van uitgebreide antidiscriminatiewetgeving, -beleid en -praktijken om hen vanaf de dag van vandaag te beschermen. de discriminatie waarmee ze tegenwoordig worden geconfronteerd en om een ​​betere toegang tot rechtsmiddelen te verzekeren wanneer hun rechten zijn geschonden.

1743-11: De islam is een religie van vrede. Het is noodzakelijk dat personen die tot een minderheidscultuur in hun land behoren, zichzelf niet isoleren en niet proberen een parallelle samenleving te ontwikkelen. Daarom roept de Vergadering de vertegenwoordigers van de moslimgemeenschappen op om de interculturele dialoog aan te moedigen en tegen verdeeldheid te vechten die anders tot maatschappelijke fricties en conflicten zou leiden. Onder verwijzing naar Resolutie 1605 (2008) en Aanbeveling 1831 (2008) over Europese moslimgemeenschappen die worden geconfronteerd met extremisme, nodigt de Vergadering moslims, hun religieuze gemeenschappen en hun religieuze leiders uit om elke vorm van extremisme onder de dekmantel van de islam te bestrijden. De islam is een religie die vrede handhaaft. Moslims zouden de eersten moeten zijn die met ontzetting en oppositie reageren wanneer terroristen of politieke extremisten de islam gebruiken voor hun eigen machtsstrijd en daardoor de fundamentele waarde van het menselijk leven en andere waarden die in de islam zijn verankerd, niet respecteren.

1743-12: Haatzaaiende politieke partijen versterken de angst voor moslims door de islam te verbinden met geweld, waarmee een simplistische en negatieve voorstelling van zaken wordt gegeven. Deze politieke partijen moeten bestreden worden. De Vergadering betreurt het dat een groeiend aantal politieke partijen in Europa de angst voor de islam uitbuit en aanmoedigt, en politieke campagnes organiseren die simplistische en negatieve stereotypen over moslims in Europa promoten en de islam vaak gelijkstellen aan extremisme. Het is niet toegestaan ​​om intolerantie en soms zelfs haat tegen moslims aan te wakkeren. De Vergadering roept de lidstaten op om politieke actie te ondernemen in overeenstemming met algemene beleidsaanbeveling nr. 5 (2000) van de Europese Commissie tegen racisme en onverdraagzaamheid (ECRI) ter bestrijding van onverdraagzaamheid en discriminatie van moslims. Het herhaalt dat het aan de lidstaten is om politieke uitspraken die angst en haat tegen moslims en de islam aanwakkeren, af te wijzen, met inachtneming van de bepalingen van het verdrag, met name artikel 10.2.

1743-13: Anti-islam partijen willen de vrijheid van godsdienst voor moslims inperken, wat onaanvaardbaar is. Zo heeft Zwitserland een minarettenverbod ingevoerd wat ongedaan gemaakt moet worden. De Vergadering blijft ook bezorgd over het beleid en de praktijken – door zowel nationale als regionale en lokale autoriteiten – die moslims discrimineren en over het gevaar van misbruik van populaire stemmen, initiatieven en referenda om beperkingen op het recht op vrijheid te legitimeren. religie en expressie die onaanvaardbaar zijn volgens de artikelen 9 en 10 van het Verdrag. In dit verband maakt de Vergadering zich met name zorgen over het recente referendum in Zwitserland en dringt ze er bij de Zwitserse autoriteiten op aan een moratorium in te stellen en zo spoedig mogelijk het algemene verbod op de bouw van minaretten voor moskeeën in te trekken.

1743-14: Islamofobie moet uitgeroeid worden. Herinnerend aan Resolutie 1464 (2005) over vrouwen en religie in Europa, roept de Vergadering alle moslimgemeenschappen op om af te zien van traditionele interpretaties van de islam die gendergelijkheid ontkennen en de rechten van vrouwen beperken, zowel binnen het gezin als in het openbare leven. Deze interpretatie is niet verenigbaar met menselijke waardigheid en democratische normen; vrouwen zijn in alle opzichten gelijk aan mannen en moeten zonder uitzondering dienovereenkomstig worden behandeld. Discriminatie van vrouwen, al dan niet gebaseerd op religieuze tradities, druist in tegen de artikelen 8, 9 en 14 van het Verdrag, artikel 5 van Protocol nr. 7 en Protocol nr. 12. Er mag geen beroep worden gedaan op religieus of cultureel relativisme om schendingen te rechtvaardigen van persoonlijke integriteit. De Parlementaire Vergadering dringt er daarom bij de lidstaten op aan alle nodige maatregelen te nemen om radicaal islamisme en islamofobie, waarvan vrouwen de belangrijkste slachtoffers zijn, uit te bannen.

1743-16: Boerka’s mogen niet verboden worden. Om deze reden wordt de mogelijkheid om het dragen van de boerka en de nikab te verbieden door parlementen in verschillende Europese landen overwogen. Artikel 9 van het Verdrag omvat het recht van individuen om vrij te kiezen om al dan niet religieuze kleding privé of in het openbaar te dragen. Wettelijke beperkingen van deze vrijheid kunnen waar nodig gerechtvaardigd zijn in een democratische samenleving, met name voor veiligheidsdoeleinden of wanneer openbare of professionele functies van individuen hun religieuze neutraliteit vereisen of dat hun gezicht kan worden gezien. Echter, een algemeen verbod op het dragen van de boerka en de nikab zou vrouwen die dat vrijwillig wensen, hun recht ontzeggen om hun gezicht te bedekken.

1743-20: Stereotypen, misverstanden en angst m.b.t. de islam zijn typische symptomen van een wijdverbreid gebrek aan kennis van de islam onder niet-moslims, wat mensen vatbaar maakt voor islamofobie. Stereotypen, misverstanden en angsten met betrekking tot de islam zijn typische symptomen van een wijdverbreid gebrek aan adequate kennis onder niet-moslims in Europa. Evenzo missen veel moslims in Europa voldoende kennis van de islam, laat staan ​​van andere religies, waardoor ze kwetsbaar kunnen zijn voor ‘islamisme’ als een religieus verkapte vorm van politiek extremisme. In dit verband herinnert de Vergadering aan haar Aanbeveling 1720 (2005) over onderwijs en religie en roept zij de lidstaten op ervoor te zorgen dat kennis over de islam, het jodendom en het christendom op school en door middel van levenslang onderwijs wordt onderwezen.

1743-21: Het onderwijs moet daarom meer én structurele aandacht geven aan de zegeningen van de islam en de gemeenschappelijke waarden die hij deelt met het judaïsme en het christendom. Universiteiten en hogescholen moeten islamitische studies aanbieden die onderschrijven dat de islam onze democratische waarden, mensenrechten en wetten respecteert. Onderwijs over religies moet worden ondersteund door de lidstaten om het publiek bewust te maken van de gemeenschappelijke oorsprong en waarden van het jodendom, het christendom en de islam en hun impact op het moderne Europese humanisme. Instellingen voor hoger onderwijs en onderzoek in Europa zouden islamitische studies moeten aanbieden om religieuze geleerden, leraren en leiders op te leiden en de islam te onderscheiden van het islamisme. De Vergadering is ervan overtuigd dat de meeste Europese moslims een gemeenschappelijke benadering aanvaarden die de islam verzoent met democratische waarden, mensenrechten en de rechtsstaat; inderdaad, velen hebben dat al een hele tijd gedaan.

1743-24: De EU moet meer samenwerken met islamitische organisaties uit moslimlanden om islamofobie te bestrijden en de islam te promoten. De Vergadering nodigt de Islamitische Onderwijs-, Wetenschappelijke en Culturele Organisatie (ISESCO) en de Educatieve, Culturele en Wetenschappelijke Organisatie van de Arabische Liga (ALECSO) uit om samen met de Raad van Europa te werken aan de strijd tegen islamisme en islamofobie of andere religieuze discriminatie, alsook aan het bevorderen van respect voor universele mensenrechten. ISESCO en ALESCO kunnen bijzonder belangrijk zijn om ervoor te zorgen dat hun leden het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESCR) van de Verenigde Naties respecteren.

Lang verhaal kort: vrijwel ieder punt in de samenvatting is een enorm eenzijdige, onjuiste en manipulatieve weergave van het origineel. Er is geen sprake van een plan om islamofobie te verbieden en er is geen sprake van een plan om moslims met misdrijven weg te laten komen. PACE uit haar bezorgdheid (en veel meer dan dat is het ook niet) over zowel islamisme en islamofobie die zich tegelijkertijd voordoen en allebei intolerant zijn. Men roept de Europese overheden op om de burgerrechten van moslims en andere minderheden te beschermen. Men staat voor de vrijheid van godsdienst voor moslims, maar men vindt ook dat moslims islamisme moeten aanpakken. Zowel (radicaal) islamisme als islamofobie moeten volgens PACE aangepakt worden. Daarmee is deze resolutie een typisch voorbeeld van de scheiding goede en slechte moslims zoals die in beleidskringen gebruikelijk is en die zich inderdaad onderscheid van wat radicaal-rechts te melden heeft over islam, maar die in feite nog steeds islamofoob is. Maar in ieder geval is er geen sprake van dat moslims met dit document een status aparte krijgen. Het is een erkenning van de lange aanwezigheid van moslims in Europa en een pleidooi voor gelijkwaardigheid en vrijheid. Dat pleidooi voor gelijkwaardigheid en vrijheid van moslims neerzetten als een probleem omdat het zou bijdragen aan omvolking en islamisering, is een klassiek racistisch fenomeen.

 

Resolution 1743

Resolution Text

Resolution 1743 (2010) Final version

Islam, Islamism and Islamophobia in Europe

Author(s): Parliamentary Assembly

Origin - Assembly debate on 23 June 2010 (23rd Sitting) (see Doc. 12266, report of the Committee on Culture, Science and Education, rapporteur: Mr Mogens Jensen; Doc. 12303, opinion of the Political Affairs Committee, rapporteur: Mr Hancock; Doc. 12305, opinion of the Committee on Legal Affairs and Human Rights, rapporteur: Mr Rafael Huseynov; and Doc. 12304, opinion of the Committee on Equal Opportunities for Women and Men, rapporteur: Mrs Memecan). Text adopted unanimously by the Assembly on 23 June 2010 (23rd Sitting). See also Recommendation 1927 (2010).

1. The Parliamentary Assembly notes that Islamic radicalism and manipulation of religious beliefs for political reasons oppose human rights and democratic values. At the same time, in many Council of Europe member states, Muslims feel socially excluded, stigmatised and discriminated against; they become victims of stereotypes, social marginalisation and political extremism. The Assembly is deeply concerned about Islamic extremism as well as about extremism against Muslim communities in Europe. Both phenomena reinforce each other.
2. The Assembly recalls that Islamism is the view that Islam is not only a religion but also a social, legal and political code of conduct. Islamism can be violent or mainstream and peaceful, but in both cases it does not accept the separation between religion and state, which is a fundamental principle of democratic and pluralistic societies. The Assembly also recalls that discrimination against Muslims is unacceptable and must be combated. A great majority of European Muslims share the principles at the basis of our societies and it is essential to fight against Islamophobia, which stems mainly from lack of awareness and from negative perceptions associating Islam with violence. Failing to address these issues, many European governments pave the way to the rise of extremism.
3. Muslims are at home in Europe where they have been present for many centuries, as the Assembly noted in its Recommendation 1162 (1991) on the contribution of the Islamic civilisation to European culture. Islam, Judaism and Christianity – the three monotheist religions – share the same historic and cultural roots and recognise the same fundamental values, in particular the paramount value of human life and dignity, the ability and freedom to express thoughts, the respect for others and their property, and the importance of social welfare. Those values have been reflected by European philosophies and have been included in the European Convention on Human Rights (“the Convention”; ETS No. 5).
4. Article 9 of the Convention guarantees freedom of thought, conscience and religion, including the right to manifest one’s religion or belief, either alone or in community with others, in public or in private, in worship, teaching, practice and observance. Article 10 of the Convention enshrines freedom of expression, including the right to express religious or philosophical views or oppose and criticise them. Both freedoms constitute the necessary requirements for a democratic society. However, they are not absolute and may be subject to limits imposed under strict control. Moreover, in accordance with Article 17 of the Convention, they must not be abused for the destruction or undue limitation of any of the rights and freedoms set forth in the Convention.
5. The Assembly has already stressed the importance of reconciling these two freedoms in its Resolution 1510 (2006) on freedom of expression and respect for religious beliefs, as well as its Recommendation 1805 (2007) on blasphemy, religious insults and hate speech against persons on grounds of their religion. The Assembly firmly condemns death decrees and threats against people who criticise Islam or political views linked to Islam. It regrets, however, the initiatives taken by a number of United Nations member states that have resulted in the Human Rights Council adopting resolutions on action against defamation of religions, and in particular Islam, as this strategy constitutes a threat to freedom of expression.
6. Recalling its Recommendation 1804 (2007) on state, religion, secularity and human rights, the Assembly emphasises that democratic standards require a separation of the state and its organs from religions and religious organisations. Governments, parliaments and public administrations that democratically reflect and serve their society as a whole must be neutral towards all religious, agnostic or atheist beliefs. Nevertheless, religion and democracy are not incompatible, in particular as religions may play a beneficial social role. Member states should therefore encourage religious organisations to support actively peace, tolerance, solidarity and intercultural dialogue.
7. The Assembly notes with concern, however, that some Islamic organisations active in member states have been initiated by governments abroad and receive financial support and political guidance from those governments. The objectives of such organisations are hence not religious. National political expansion into other states under the disguise of Islam should be brought to light. In keeping with Article 11 of the Convention, member states can limit the activities of such organisations on condition that such limitations satisfy the requirements set forth in paragraph 2 of Article 11. Therefore, member states should require transparency and accountability of Islamic as well as other religious associations, for instance by requiring transparency of their statutory objectives, leadership, membership and financial resources.
8. As the Assembly indicated in its Recommendation 1774 (2006) on the Turkish presence in Europe: migrant workers and new European citizens, member governments and parliaments as well as the Council of Europe must give priority to fostering the social inclusion of Muslims and other religious minorities. The many efforts undertaken by member states to better integrate migrants are to be commended, but this integration is often still far from reality, in particular with regard to Muslim migrants. Thus, the Assembly invites member states to be proactive in dealing with social, economic and political inequalities.
9. The Assembly calls on member states to effectively address the social and economic exclusion of Muslims and other minorities in Europe – including through the adoption, implementation and regular monitoring of comprehensive anti-discrimination legislation, policies and practices to protect them from the day-to-day discrimination they face and to ensure better access to legal remedies when their rights have been violated.
10. While organisational structures of Muslim communities in member states are desirable in order to facilitate contacts with governmental and administrative bodies, member governments and parliaments should also seek to establish direct political contacts with Muslims as equal citizens. Such direct contacts could be facilitated, for example, through public hearings at local and regional levels as well as through regional and national discussion platforms on the Internet. Referring to Recommendation 170 (2005) of the Congress of Local and Regional Authorities of the Council of Europe on intercultural and inter-faith dialogue: initiatives and responsibilities of local authorities, the Assembly calls on national parliaments to ensure that local authorities in their countries have the necessary legal, administrative and financial frameworks for local activities intended to foster social inclusion and intercultural dialogue.
11. It is necessary that persons belonging to a minority culture in their country do not isolate themselves and do not attempt to develop a parallel society. Thus the Assembly calls on the representatives of the Muslim communities to encourage intercultural dialogue and fight against divisions which would otherwise lead to societal frictions and conflicts. Recalling its Resolution 1605 (2008) and Recommendation 1831 (2008) on European Muslim communities confronted with extremism, the Assembly invites Muslims, their religious communities and their religious leaders to combat any form of extremism under the cover of Islam. Islam is a religion which upholds peace. Muslims should be the first to react with dismay and opposition when terrorists or political extremists use Islam for their own power struggle and thus disrespect the fundamental value of human life and other values enshrined in Islam.
12. The Assembly deplores that a growing number of political parties in Europe exploit and encourage fear of Islam and organise political campaigns which promote simplistic and negative stereotypes concerning Muslims in Europe and often equate Islam with extremism. It is inadmissible to incite intolerance and sometimes even hatred against Muslims. The Assembly calls on member states to pursue political action in accordance with General Policy Recommendation No. 5 (2000) of the European Commission against Racism and Intolerance (ECRI) on combating intolerance and discrimination against Muslims. It reiterates that it is for the member states to reject political statements that stir up fear and hatred of Muslims and Islam, while complying with the stipulations of the Convention, in particular Article 10.2.
13. The Assembly also remains concerned at policies and practices – by both national as well as regional and local authorities – that discriminate against Muslims and at the danger of the abuse of popular votes, initiatives and referenda to legitimise restrictions on the rights to freedom of religion and expression which are unacceptable under Articles 9 and 10 of the Convention. In this context, the Assembly is particularly concerned about the recent referendum in Switzerland and urges the Swiss authorities to enact a moratorium on and repeal as soon as possible, the general prohibition on the construction of minarets for mosques.
14. Recalling its Resolution 1464 (2005) on women and religion in Europe, the Assembly calls on all Muslim communities to abandon any traditional interpretations of Islam which deny gender equality and limit women’s rights, both within the family and in public life. This interpretation is not compatible with human dignity and democratic standards; women are equal to men in all respects and must be treated accordingly, with no exceptions. Discrimination against women, whether based on religious traditions or not, goes against Articles 8, 9 and 14 of the Convention, Article 5 of its Protocol No. 7 and its Protocol No. 12. No religious or cultural relativism may be invoked to justify violations of personal integrity. The Parliamentary Assembly therefore urges member states to take all necessary measures to stamp out radical Islamism and Islamophobia, of which women are the prime victims.
15. In this respect, the veiling of women, especially full veiling through the burqa or the niqab, is often perceived as a symbol of the subjugation of women to men, restricting the role of women within society, limiting their professional life and impeding their social and economic activities. Neither the full veiling of women, nor even the headscarf, are recognised by all Muslims as a religious obligation of Islam, but they are seen by many as a social and cultural tradition. The Assembly considers that this tradition could be a threat to women’s dignity and freedom. No woman should be compelled to wear religious apparel by her community or family. Any act of oppression, sequestration or violence constitutes a crime that must be punished by law. Women victims of these crimes, whatever their status, must be protected by member states and benefit from support and rehabilitation measures.
16. For this reason, the possibility of prohibiting the wearing of the burqa and the niqab is being considered by parliaments in several European countries. Article 9 of the Convention includes the right of individuals to choose freely to wear or not to wear religious clothing in private or in public. Legal restrictions to this freedom may be justified where necessary in a democratic society, in particular for security purposes or where public or professional functions of individuals require their religious neutrality or that their face can be seen. However, a general prohibition of wearing the burqa and the niqab would deny women who freely desire to do so their right to cover their face.
17. In addition, a general prohibition might have the adverse effect of generating family and community pressure on Muslim women to stay at home and confine themselves to contacts with other women. Muslim women could be further excluded if they were to leave educational institutions, stay away from public places and abandon work outside their communities, in order not to break with their family tradition. Therefore, the Assembly calls on member states to develop targeted policies intended to raise Muslim women’s awareness of their rights, help them to take part in public life and offer them equal opportunities to pursue a professional life and gain social and economic independence. In this respect, the education of young Muslim women as well as of their parents and families is crucial. It is especially necessary to remove all forms of discrimination against girls and to develop education on gender equality, without stereotypes and at all levels of the education system.
18. Female genital mutilation under the pretext of Islamic or other customs should be considered as a crime as it violates the right to physical and moral integrity of all individuals and especially of girls. Member states must do their utmost to put an end to this crime and provide practical help to children and their parents, including in particular through education. The Assembly recalls in this context its Resolution 1247 (2001) on female genital mutilation.
19. The Assembly accordingly urges member states to take every step to prevent and combat all forms of oppression or violence undergone by women and, in particular, as part of the negotiations for the future Council of Europe convention on preventing and combating violence against women and domestic violence, to support the provisions enabling women irrespective of their origin or status to have access to protection, prevention and rehabilitation facilities.
20. Stereotypes, misunderstandings and fears with regard to Islam are typical symptoms of a widespread lack of adequate knowledge among non-Muslims in Europe. Similarly, many Muslims in Europe lack adequate knowledge of Islam let alone other religions, which can make them vulnerable to “Islamism” as a religiously disguised form of political extremism. In this context, the Assembly recalls its Recommendation 1720 (2005) on education and religion and calls on member states to ensure that knowledge about Islam, Judaism and Christianity is taught at school and through lifelong education.
21. Teaching about religions should be supported by member states, to raise public awareness of the common origin and values of Judaism, Christianity and Islam and their impact on modern European humanism. Institutions of higher education and research in Europe should provide Islamic studies in order to educate religious scholars, teachers and leaders and distinguish Islam from Islamism. The Assembly is confident that most European Muslims accept a common approach reconciling Islam with democratic values, human rights and the rule of law; indeed, many have done so for a long time.
22. The Assembly also welcomes the White Paper on Intercultural Dialogue prepared by the Council of Europe during the European Year of Intercultural Dialogue in 2008 as well as other activities by the Committee of Ministers in this field. Member governments should use the White Paper in their related national action, including in schools and educational institutions.
23. It is important to create synergies with other international organisations in this respect. Therefore, the Assembly invites the United Nations Alliance of Civilizations to co-operate more closely with the Council of Europe, in particular by setting up joint programmes of action. In this context, the Assembly invites the Secretary General of the Council of Europe to seek additional funding for such activities through member states and facilitate reciprocal secondment of staff between the two organisations.
24. The Assembly invites the Islamic Educational, Scientific and Cultural Organization (ISESCO) and the Arab League Educational, Cultural and Scientific Organization (ALECSO) to work with the Council of Europe on combating Islamism and Islamophobia or other religious discrimination as well as on promoting the respect for universal human rights. ISESCO and ALESCO can be particularly important in ensuring that their members respect the International Covenant on Civil and Political Rights (ICCPR) and the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights (ICESCR) of the United Nations.
25. In this context, the Assembly regrets that some member governments of ISESCO and ALECSO have adopted national legislation based on an interpretation of Sharia law or have pursued national policies which are in conflict with the ICCPR and the ICESCR: imposing severe penalties or even the death penalty on persons wishing to adopt a religion other than Islam is incompatible with Article 18 (2) ICCPR; imposing severe sanctions on, or passing public death decrees against, persons who have criticised Islam is incompatible with Article 19 of the ICCPR; calling for a “holy war” or violence against other countries or their citizens and glorifying terrorists as “holy martyrs” is incompatible with Article 20 (2) of the ICCPR; educating children to hate or fight persons of faiths other than Islam is incompatible with Article 13 (1) of the ICESCR.
26. Contacts between Muslim and non-Muslim Europeans and Muslims in North Africa, the Middle East and Asia should be facilitated, in particular among young people, students and teachers. The Assembly invites, therefore, the European Youth Forum to expand its activities in this field. Co-operation between educational and cultural institutions as well as cities around the Mediterranean Basin should be supported, for instance in the framework of the Convention on the Recognition of Qualifications concerning Higher Education in the European Region (ETS No. 165) and the European Outline Convention on Transfrontier Co-operation between Territorial Communities or Authorities (CETS No. 106).

Box Sample Title

Box Sample Description

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*
*
Website