Vragen?

Op dit moment ben ik met heel veel vragen bezig rondom het spirituele circuit en de praktijken hierin, met verschillende theoretische invalshoeken. Wanneer ik Spiegelogie en het fanclubspel vergelijk met een aantal huidige uitspraken over het spirituele circuit, vraag ik me af of er tot de zelfde uitspraken worden gekomen na empirisch onderzoek naar de daadwerkelijk gemeenschappelijke praktijken zoals het fanclubspel, maar ook andere praktijken?
Is er alleen sprake van de combinatie van ‘gebaren van connectiviteit’ en een kosmologisch wereldbeeld tijdens het fanclubspel of ook bij andere gemeenschappelijke geritualiseerde praktijken in spirituele circuit? Hoe verhouden deze ‘gebaren van connectiviteit’ zich met de subjectivationthesis en het onderscheid tussen relational subjectivity en individuate subjectivity (Heelas en Woodhead 2005).

Tijdens het Fanclubspel lijkt het alsof er sprake is van tegelijk een zoektocht naar een dieper zelf, als een zoektocht naar een hoger zelf, lijkt er tegelijk sprake te zijn van immanentie en transcendentie en lijkt er tegelijk sprake te zijn van horizontale transcendentie en verticale transcendentie (Kunneman). Zijn deze termen te vergelijken en is er wel degelijk een verschil aan te wijzen tussen deze termen? Is er inderdaad sprake van beide transcendente ervaringen tegelijk (is dit mogelijk?) en wat kan dit voor nieuw licht werpen op andere praktijken in het spirituele circuit. Of wordt dit verschil bekeken vanuit een rituele setting en de liminale staat minder van belang, als een staat van tegelijk wel en niet, betwixt and between (immanent EN transcendent)?
Spiegelogie wordt door de deelnemers verschillend gerefereerd aan dan wel het spirituele, een godsbeeld (i.p.v alwetende god, een alcreërende god), New Age en een pseudo natuur/ psychologisch wetenschappelijk wereldbeeld. Waar komen de verschillen van referentie aan transcendente wereldbeelden vandaan en volgt hieruit verschillende keuzes voor praktijken in het mind-body-spirit circuit.

Verder heb ik een aantal ideeën over het gebruik van het rite the passage idee ten opzicht van het rite the marge idee of het liminoïde in een samenleving. Tijdens het fanclubspel lijkt er wel degelijk sprake te zijn van een overgang naar een nieuwe socio-mentale staat, zowel individueel als een overgang of verandering naar een meer ideale samenleving (Turner: limina en/ of ideologische/ normatieve communitas).
In het onderzoek naar het spirituele circuit is er voornamelijk aandacht voor de marge (hoewel subjectivationthesis goed tegenvoorbeeld is), daarom misschien uitspraken/ constateringen als dualisatie/ demonisatie van sociale instituten (Aupers en Houtman). In mijn ogen is er juist sprake van vorming van meer ideale, nieuwe sociale instituten. Hoewel de ervaring van deze dualisatie tussen het zelf een ‘traditionele’ instituten wel wordt uitgesproken in het “Handboek Spiegelogie” wordt tijdens het fanclubspel geoefend voorbij te gaan aan deze ervaring. Nogmaals missen we hier een belangrijk inzicht in de werking van het spirituele circuit zonder empirisch onderzoek naar de gemeenschappelijke praktijken, dus niet alleen het collectieve narratief, maar het hele complex van praktijken?
Het Fanclubspel wordt ook op werkvloer (van boven- en onderaf) en op scholen toegepast. Wanneer is er geen sprake meer van de marge? Kan het liminoïde weer overgaan in het liminale, tijdens gemeenschappelijke praktijken waar zowel het gemeenschappelijke als het subjectieve zelf centraal staat?