Jongeren geloven niet alles

Brian (tot de menigte): ‘You are all individuals!’
Menigte (in koor): ‘We are all individuals!’
Brian: ‘You are all different!’
Menigte (opnieuw in koor): ‘Yes, we are all different!’
Een voorzichtige stem in de menigte: ‘I’m not!’

De Nijmeegse cultuurpsycholoog Maerten Prins herinnert in zijn dissertatie, getiteld The Fragmentization of Youth, aan dit hilarisch fragment uit Monty Python’s The Meaning of Life. Het fragment is tekenend voor de problematiek van identiteitsvorming in de hedendaagse westerse samenlevingen. Enerzijds willen wij een uniek individu zijn, onderscheiden van anderen, maar anderzijds willen wij ook deel uitmaken van een groep, waarmee wij ons identificeren, waarbinnen onze individualiteit erkend wordt, en waarin de culturele repertoires aangeboden worden aan de hand waarvan wij onze identiteit vorm geven. Het is deze spanning tussen identificatie enerzijds en differentiatie anderzijds die de identiteitsvorming, door Prins aangeduid als een zoeken naar een evenwicht tussen deze twee, bepalen. En deze zoektocht wordt vandaag de dag getekend door een tweetal ontwikkelingen, namelijk individualisering, door Prins voornamelijk begrepen als de opkomst van het individualisme met haar morele categorieën van individualiteit en uniciteit, en fragmentisering, door Prins begrepen als een uiteenvallen van sociale groepen en culturen. Prins laat in zijn dissertatie de invloed van beide processen zien op de domeinen van opleiding, religie en jeugdcultuur.

De fragmentisering van het domein van opleiding wordt aangetoond in een tweetal hoofdstukken over veranderingen in de universiteitsculturen van de Katholieke Universiteit van Nijmegen (tegenwoordig Radboud Universiteit) en de Katholieke Universiteit van Leuven. Uit het in 1992 en 1994 onder studenten uitgevoerde onderzoek blijkt dat op beide universiteiten de overkoepelende en min of meer homogene katholieke identiteit of cultuur uiteengevallen is en plaats heeft gemaakt voor een zestal faculteitsculturen, die elk een eigen ‘composition of cultural practices and preferences, values, ideology, life-style and political and religious orientation’ hebben. (17) Studenten binnen de afzonderlijke faculteitsculturen lijken op elkaar in hun politieke, maatschappelijke en levensbeschouwelijke opvattingen, alsmede in hoe men tegen wetenschap aankijkt. Hieruit blijkt de culturele fragmentisering van de academische wereld.

Het tweede domein dat Prins bespreekt is het domein van de religie. Fragmentisering binnen dit domein blijkt vooral hieruit, dat, ondanks dat 39% van de jongeren aangeeft nog altijd lid te zijn van een kerk, institutionele religie feitelijk niet langer een dominante structurerende functie heeft, en slechts aanwezig is als een deel van een breed en gefragmentiseerd aanbod van religieus materiaal op een spirituele markt. Religieuze opvattingen en praktijken worden vandaag de dag voornamelijk buiten de traditionele instituties vormgegeven. Religieuze praktijken zijn privaat, experimenteel, ervaringsgericht en divers; religieuze opvattingen en beelden zijn onzeker, niet-specifiek en abstract. (40-41) Althans, dat is de conclusie die Prins (e.a.) verbindt aan een tweetal in 1991 gehouden onderzoeken naar godsbeeld en gebedspraktijken onder jongeren. Wat het gebed betreft: voor het merendeel van de jongeren geldt, dat het gebed voornamelijk meditatief en psychologisch is. Meditatief in de zin dat gebed voor jongeren niet zozeer een vorm van communicatie met God of een hoger wezen is, maar een ‘ponder and think’. Psychologisch, in de zin dat gebed voor jongeren geldt als een coping mechanisme, ‘a non-directional therapy’, een manier om met gevoelens van schuld, teleurstelling en onzekerheid om te gaan. En wat betreft het godsbeeld: traditionele beelden van God spelen bij jongeren een steeds minder belangrijke rol. Jongeren hebben een vaag en abstract beeld van een hogere geest of kracht (en niet zozeer van een persoon), dat voortdurend bijgesteld en geconstrueerd wordt. ‘God is reinvented on the basis of daily practice.’ (54)
In zowel godsbeelden als religieuze praktijken toont zich volgens Prins e.a. de invloed van een verandering die de afgelopen decennia heeft plaatsgevonden met betrekking tot het fenomeen cultuur. Cultuur is niet een ‘package of beliefs, values and guidelines for behavior’, dat volgens institutioneel kerkelijk model overgeleverd kan worden op nieuwe generaties. (55) Cultuur vandaag de dag is een ‘do-it-yourself-culture’, een actief construeren van betekenis. Jongeren zijn niet langer ontvangers van cultuur, maar bricoleurs, die elementen uit hun alledaagse leefwereld eclectisch en experimenteel combineren en herscheppen tot nieuwe betekenissen. En dit heeft gevolgen voor religie. Een enkeling bekeert zich weliswaar tot religieus fundamentalisme. Een kleine minderheid noemt zich atheïstisch. Maar het merendeel van de jongeren construeert, buiten een institutionele settings om, gebruik makend van het materiaal dat in een heterogene ‘spiritual marketplace’ wordt aangeboden, een eigen religiositeit. Religie is veranderd van een ‘ready-made belief’ in een ‘do-it-yourself belief’. (102)

Het derde domein dat Prins bespreekt is het domein van jeugdcultuur. Juist ook in dit domein vindt individualisering plaats, in de zin dat één van de belangrijkste functies van jeugdculturen, het voorzien in een sociale identiteit en een ‘sense of belonging’, verdwijnt. Weliswaar gebruiken jongeren de stijlkenmerken van jeugdculturen als muziek en kleding nog altijd om anderen te categoriseren en de sociale identiteit van anderen te bepalen. Maar wanneer deze jongeren reflecteren op hun eigen kleding, muzieksmaak en lifestyle, die in zekere zin uitnodigen om eenzelfde categorisering op hen toe te passen, distantiëren zij zich van de betreffende jeugdcultuur, in de zin dat zij wel aangegeven affiniteit te hebben met deze jeugdcultuur, maar er niet zondermeer bij horen. Met andere woorden: men geeft aan affiniteit te hebben met bepaalde jeugdculturen, maar men distantieert zich van een ‘well-defined’ sociale identiteiten. En juist hierin toont zich het individualisme van jongeren, het morele framework waarin individualiteit en uniciteit benadrukt wordt, een framework waarbinnen een distantie wordt gevraagd van sociale identiteiten, ook van identiteiten die in de jeugdcultuur geboden worden. Jeugdcultuur blijft weliswaar van belang, maar dan meer als een soort van verlengstuk van het zelf. Of, zoals Prins e.a. het uitdrukken: ‘Youth culture has become a language that can be quoted when necessary to highlight specific qualities of the individualized self.’ (86)

Prins’ dissertatie biedt een aantal mooie artikelen over jeugd, jeugdcultuur en religie, die verslag leggen van een al even mooi onderzoek naar jongeren. Voor religieonderzoekers is dit onderzoek bijzonder relevant, met name ook omdat de niet-kerkelijke jongeren, die veelal buiten het religie-onderzoek bleef, een gezicht krijgt. En die jongeren zijn religieus, al is de saillantie van hun religie beperkt en bestaat deze religie vooral uit zelf geconstrueerde en onsamenhangende elementen met een hoog therapeutisch gehalte. Dat is althans het beeld van religie onder jongeren dat Prins concludeert vanuit zijn onderzoek. En daarmee geeft hij een belangrijke bijdrage aan het onderzoek naar jongeren en geloof.
Niettemin heb ik enkele vragen en punten van kritiek. Ik zal hier verder niet ingaan op een aantal catchy en sweeping statements van Prins – bijvoorbeeld zijn ongedifferentieerde uitspraak ‘jongeren geloven alles’. (107) Een dergelijk statement roept bij mij toch enkele vraagtekens op. Ook zal ik verder niet ingaan op zijn duiding van jongeren uit meer orthodoxe hoek (reformatorisch, gereformeerd of evangelicaal, waarbij maar de vraag is in hoeverre deze laatste groep als orthodox geduid moet worden). Ik heb het vermoeden dat enkele van zijn beschrijvingen van deze groep niet helemaal correct zijn – bijvoorbeeld wanneer het gaat over de saillantie van geloof voor het alledaagse leven van deze jongeren. Ik beperk mij tot één punt van kritiek, en dat heeft betrekking op het idee van bricolage. Mijn vraag is, hoe Prins denkt over de mogelijkheden van het concrete individu in het samenstellen van zijn of haar persoonlijke religiositeit – ik richt mij hier slechts op één van de thema’s van zijn boek. Prins schetst een beeld van jongeren met onbegrensde mogelijkheden in het creëren van een eigen religiositeit, maar in hoeverre heeft hij oog voor processen als socialisatie van religiositeit in het ouderlijk milieu, en standaardisering en homogenisering in de peer group van jongeren, mede ook door de commercialisering van het repertoire waaruit jongeren putten in het construeren van een eigen identiteit en religiositeit? Mijn indruk is dat individualiteit, authenticiteit en uniciteit inderdaad begrippen zijn die veelvuldig voorkomen in het discours van jongeren, maar dat het tevens begrippen zijn die de zojuist genoemde processen enigszins verbloemen. De vraag die hieruit voortkomt is dan ook, in hoeverre Prins zich teveel heeft laten leiden door het discours van jongeren, en te weinig oog heeft gehad voor de genoemde sociale processen. En dit laatste is toch opmerkelijk, omdat Prins’ eigen onderzoek naar universiteitsculturen aanleiding geeft tot het thematiseren van dergelijke processen. Immers, ondanks het feit dat er een zekere fragmentisering plaats heeft gevonden binnen een cultuur (in dit geval een universiteitscultuur), is de huidige cultuur niet een volledig gefragmentiseerde cultuur, waarin geen enkele vorm van cultuur meer gedeeld zou worden door een populatie van atomaire studenten. Nog altijd zijn er culturen (faculteitsculturen, in dit geval), die – dat is althans de suggestie van het onderzoek – een structurerende werking op het individu. Een dergelijke conclusie plaatst op z’n minst enkele vraagtekens bij het idee van bricolage. En dat zijn tegelijkertijd vraagtekens bij het cultuurbegrip dat door Prins gehanteerd wordt. Jongeren maken hoe dan ook altijd deel uit van bepaalde sociale contexten en culturen, en geloven juist daarom niet alles.

Maerten H. Prins, The Fragmentization of Youth, Nijmegen 2006


Comments

  1. Quote

    Jongeren construeren hun identiteit en religie altijd in interactie met anderen. Dit betekent dat automatisch machtsstructuren een rol gaan spelen. Het idee dat jongeren zomaar wat doen is volgens mij evenmin juist. Het mag misschien wat willekeurig overkomen in onze ogen, maar kan in de ogen van diezelfde jongeren nog wel volledig logisch en doordacht zijn. Hetzelfde wordt ook vaak beweert voor moslimjongeren, maar ook voor hen lijkt dit niet op te gaan. Precies om dezelfde reden als jij beschrijft: de sociale praktijk is vaak anders dan het discours suggereert (en jongeren misschien zelf wel zouden willen).

Leave a Comment

(required)

(required)

Formatting Your Comment

The following XHTML tags are available for use:

<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <code> <em> <i> <strike> <strong>

URLs are automatically converted to hyperlinks.