Sep 30 2004

Profile Image of

Islam is niet de bron van alle ellende

Posted at 11:29 pm under Multiculti Issues

ReligionResearch Islam Blog

In reactie op Paul Scheffers Herzberglezing en hij neemt en passant Bernard Lewis mee (zie hieronder): Dick Douwes, uitvoerend directeur van het International Institute for the Study of Islam in the Modern World (ISIM) waarin de Universiteit van Amsterdam, Universiteit Leiden, Radboud Universiteit Nijmegen en Universiteit Utrecht samenwerken. en voorzitter van de Vereniging voor Studie van het Midden-Oosten en Islam (MOI).

(artikel via Islam en Meer, copyright Trouw)

Islam is niet de bron van alle ellende

DICK DOUWES

Scheffer telt Israel, Kashmir en Irak bij elkaar op
Dit betaalde artikel wordt u gebracht door “Islam & Meer”

Paul Scheffer ziet te veel onbehagen in de islam. Hij vergeet voor het gemak het westers ingrijpen in de levens van moslims. Allerlei onlusten gooit hij op een hoop. Maar geweld heeft vaak een lokale context en de islam kent vele variaties.

In de Abel Herzberglezing koppelt Paul Scheffer zijn verhaal over het falen van de multiculturele samenleving aan het oudere relaas over het fiasco van de islam in de moderne tijd. Paul Cliteur (Letter & Geest, 25 september) meent dat Scheffer maar een juiste conclusie kan trekken; de islam is intolerant en staat geen variatie toe. Beide gaan voorbij aan de praktijk van alledag.

Paul Scheffer stelt vast dat geweld gepleegd in naam van de islam onze wereld onzeker heeft gemaakt. Omdat hij uitgaat van een confrontatiemodel tussen de islam en het Westen, en omdat hij niet-islamitisch geweld buiten beschouwing laat, worden ‘wij’ in het beeld dat hij oproept belaagd door de islam. Moslims voelen zich superieur terwijl de islam feitelijk aan alle kanten op achterstand is gezet, vooral door het Westen. Deze paradox veroorzaakt het ‘onbehagen in de islam’. Scheffer brengt -tot ongenoegen van de rechtlijnige Cliteur- enkele nuanceringen aan maar de rode lijn is die van de gefrustreerde islam als risicofactor in de wereld en daarmee in onze eigen samenleving.

Scheffer houdt de zelfkritiek beperkt; geen woord over de chaos die ‘wij’ in Irak hebben veroorzaakt, geen woord over het dodelijk cynisme van het Kremlin, geen woord over het geweld dat Palestijnen treft. Natuurlijk vormen aanslagen in de naam van de islam een risico voor het Westen; de aanslagen van 11 september werden gepleegd door jonge mannen met een zeer gewelddadige gelovige visie. Ongetwijfeld lopen er nog mannen rond met dergelijke boosaardige dromen. De strijd tegen dit soort doodsverachting is ongewis.

Toch is het belangrijk om te kijken naar de dagelijkse praktijk; die leert dat geweld vooral andere moslims treft. De meeste aanslagen in naam van de islam worden gepleegd in islamitische landen en hebben moslims tot slachtoffer. Waar het gaat om slachtoffers is het niet zinnig over ‘wij’ en ‘zij’ te spreken. Bovendien kent geweld vaak een specifieke lokale context en dat geldt ook voor conflicten die gemakshalve worden opgeteld bij 11 september, zoals het oude geweld in Israel/Palestina, Tsjetsjenie/Rusland en Kashmir/India/Pakistan; en het nieuwe geweld in Afghanistan en Irak.

Hoe gruwelijk zij ook waren, de aanslagen in Madrid kunnen niet los worden gezien van westers optreden in Irak. In Spanje wordt dat onderkend. In Nederland ontbreekt de kritische benadering. Door het onbehagen in de islam als bron van alle ellende aan te wijzen, ontneemt Scheffer het zicht op complexe omstandigheden waarin geweld ontstaat en begrepen wordt, door slachtoffers en door plegers.

In de visie van Scheffer en Cliteur bepaalt geloof het dagelijks handelen van moslims, waar ook ter wereld. Deze benadering biedt vooral Scheffer veel gemak; hij kan allerlei gevallen die weinig met elkaar te maken hebben combineren en zo springt hij van de migrant in Nederland, naar Indonesie, naar Turkije, naar de Arabische wereld; van de 21ste eeuw naar de dertiende en de zevende en weer terug. Gebeurtenissen worden buiten de eigen context begrepen. Deze benadering negeert de eigenheid en zelfstandigheid van de groep en het individu binnen de islamitische wereld, en daarmee ook de waardigheid als persoon. Zo wordt Scheffers vertoog een parodie op dat van islamitische geleerden die geloof ook als allesbepalend zien en het handelen van moslims louter begrijpen uit de leer en uit slecht onderbouwde opvattingen over het verloop van de geschiedenis. Cliteur gaat nog een stap verder en verklaart dat er maar een interpretatie van de islam bestaat; de ultieme fantasie van een radicale ayatollah. De meeste moslims zullen beamen dat er maar een islam bestaat, maar feit is dat de islam een praktijk van grote variatie kent.

In zijn argumentatie volgt Scheffer een essay uit 1990 van de nu hoogbejaarde Britse historicus Bernard Lewis. Lewis’ idee om de moderne Arabier te begrijpen vanuit onbehagen en frustratie vindt al langere tijd weerklank in Amerika en Israel omdat deze benadering mogelijke rechten die Arabieren kunnen ontlenen uit de geschiedenis of uit internationaal recht ondergeschikt maakt. Immers, frustratie verleent niemand enig recht, omdat het irrationeel en wraakzuchtig is. Onder meer de islamoloog Hans Jansen bedient zich al jaren van Lewis’ inzichten. Anders dan Lewis en Jansen die zich vooral uitspreken over de islam in het Midden-Oosten, spreekt Scheffer de gehele islamitische wereld op deze wijze aan, inclusief de moslims die in het Westen leven.

De grote meerderheid van moslims leeft in landen die verschillende maten van democratie kennen, veelal buiten het Midden-Oosten. De onredelijkheid van het vertoog van Scheffer schuilt vooral daar waar het gaat om relaties van afhankelijkheid. Het gemak waarmee hij ‘demografische chantage’ combineert met migratie gaat voorbij aan koloniale relaties en postkoloniale arbeidsmigratie die de basis legden voor de moslimse aanwezigheid in West-Europa. Zijn veroordeling van het vroege islamitische imperialisme negeert alles wat gangbaar is in het begrijpen van premoderne staten waarvan de grotere bijna allemaal gebaseerd waren op gebiedsuitbreiding en buit.

Belangrijker is dat Scheffer, om maar te zwijgen over Cliteur, de variatie en het zelfreinigende vermogen in de islamitische wereld onderschat. Cliteur meent zelfs dat er geen individuele beleving van de islam kan bestaan. Echter, ondanks alle problemen hebben moslims meer te kiezen dan Scheffer en Cliteur voor mogelijk lijken te houden.

Dick Douwes is uitvoerend directeur van het International Institute for the Study of Islam in the Modern World (ISIM) waarin de Universiteit van Amsterdam, Universiteit Leiden, Radboud Universiteit Nijmegen en Universiteit Utrecht samenwerken en voorzitter van de Vereniging voor Studie van Midden-Oosten en Islam (MOI).

No responses yet

Comments RSS

Leave a Reply