Mar 31 2005
Bevoogding werkt niet
Zeer interessant artikel van Frank Westerman in het NRC over de relatie tussen Integratiebeleid en ontwikkelingshulp: bevoogding werkt niet.
Hij stelt:
Wat vond ik er eigenlijk van dat Nederland de `uitlanders’ binnen zijn grenzen met dwang wil voegen naar de dominante (blanke) cultuur? Daar, in het surreële Park Station, dacht ik na over de aanpassingen die `wit’ Nederland eist van `zwart’ Nederland, en ik zag een parallel tussen het integratiebeleid en de ontwikkelingshulp. Onze inspanningen om niet-westerse culturen in eigen land te `integreren’ en inheemse volken in den vreemde te `ontwikkelen’, berusten op dezelfde misvatting. In beide gevallen zie je eenzelfde patroon: hoe dwingender het idee van `word zoals wij’, des te groter de weerstand en uiteindelijk de kloof.
Hij legt dit uit door de ontwikkelingsfasen in ontwikkelingssamenwerking te schetsen:
In de grofweg vier decennia van het ontwikkelingstijdperk (1960-2000) zijn verschillende fasen doorlopen. De aanvankelijke no-nonsense aanpak van het rücksichtlos overplanten van westerse technologie, in de geest van de Marshallhulp die voor Europa zo heilzaam was gebleken, had al in de jaren zestig geleid tot nooit gebruikte tractorparken en onder stuifduinen bedolven machinerie. Van de weeromstuit zwoeren de tropenwerkers een decennium lang bij `aangepaste technologie’ (liever een kameel die al rondjes lopend een waterstraaltje oppompt, dan een krachtige, maar onderhoudsgevoelige dieselpomp). Dit houtje-touwtje-idee sloot aan bij de alternatieve bewegingen in West-Europa, maar had geen meetbaar effect in de Derde Wereld. Toen de milieulobby opkwam, ging het roer opnieuw om, in de richting van `duurzame ontwikkeling’ ditmaal, en tijdens de laatste feministische golf werden alle kaarten gezet op vrouwenprojecten.
In de jaren negentig verdween ook de politieke correctheid uit het van oudsher linkse ontwikkelingscircuit. Ineens was het niet langer taboe je gal te spuwen over plaatselijke opperhoofden die met hun machtswellust en cliëntelisme de ontwikkeling zouden saboteren. Je zag de grr-factor toenemen: het gevoel van grr, die achterlijke natives willen het domweg ook niet leren ook. De opgekropte frustratie baarde weer een nieuw sleutelbegrip: good governance. Vrij vertaald: jullie hebben er zo’n bende van gemaakt dat we alleen nog willen helpen op voorwaarde dat jullie eerst de corruptie afzweren en de stammentwisten staken. Dat de voorafgaande, subtielere vormen van bedilzucht nauwelijks dankbaarheid hadden geoogst maar vooral bot verzet hadden opgeroepen in de gedaanten van een Desi Bouterse en een heel palet aan Afrikaanse krijgsheren dat leek vrijwel niemand onder ogen te willen zien.
De voorhoede van zachte heelmeesters heeft gefaald. Het legioen van 80.000 buitenlandse experts dat in de jaren tachtig op het Afrikaanse continent aan het werk was (meer dan er ooit koloniale ambtsdragers waren), is verslagen bij de strijd tegen de onderontwikkeling. Meer dan eens waren zij door rebellen omsingeld, en moesten ze met helikopters worden ontzet. Hun plaats is nu ingenomen door vredessoldaten die geen palaver beginnen onder de kapokboom, maar met een gebaar van hun geweerloop eisen dat die kofferbak open moet. In door oorlog verscheurde landen als Liberia, Sierra Leone, Congo, Angola en Ethiopië zien deze militairen er vroeg of laat op toe hoe er stembussen worden ingevlogen en verspreid, in de hoop dat er democratieën van Westerse kweek wortel schieten.
En vervolgens een parallel te trekken met het integratiebeleid:
Waar het telkens weer misgaat, is bij dit scharnierpunt: zodra betrokkenheid omslaat in pogingen de ander te willen heropvoeden. De aanvechting om `word zoals wij’-hulp te bieden, is kennelijk onweerstaanbaar groot, want van alle tijden. Halverwege de twintigste eeuw probeerde de Belgische kolonisator de Congolezen te verheffen tot évolués: wie een blanke levensstijl overnam, kwam (vanaf 1948) in aanmerking voor `de kaart van burgerlijke verdienste’, vier jaar later gevolgd door een nog gewichtiger papier: `het statuut van de geïmmatriculeerde’.
Zulke certificaten lijken op de `vignetten’ die de Nederlandse minister van Integratie in 2004 wilde toekennen aan allochtonen met een bepaalde graad van inburgering. Ook al is dat plan niet uitgevoerd, het legt de assimilatiegedachte achter het Nederlandse integratiebeleid bloot. Onze niet-westerse landgenoten hebben in die visie nog een hele beschavingsweg af te leggen voordat ze als `geëvolueerden’ kunnen opgaan in de maatschappij.
Natuurlijk gaat de vergelijking op sommige punten mank, dat ziet hij gelukkig wel, maar stelt ook terecht:
Maar om nu de gewenste culturele aanpassingen van niet-westerse allochtonen (homofobie afleren, hoofddoekjes afleggen, et cetera) met dirigisme en moralisme af te dwingen, dat werkt averechts.
Precies die bevoogdende aanpak heeft zich ook in de Werdegang van het ontwikkelingswerk afgetekend, en zal zich wreken. In beide gevallen gaat een naïef maakbaarheidsgeloof hand in hand met de minstens zo naïeve veronderstelling dat niet-westerse culturen het zich zullen laten welgevallen wanneer westerlingen hun vermeende culturele zwaktes komen `fixen’.
Als het gaat om gedwongen inburgering en bijbehorende projecten ter correctie van de veronderstelde achterlijkheid van migrantengroepen in Nederland, zie ik akelige overeenkomsten met de stadia die het ontwikkelingswerk heeft doorgemaakt. Het is alsof de geschiedenis van de westerse inspanning om de Derde Wereld te `ontwikkelen’, met haar toenemende grr-factor, zich de laatste paar jaar samengebald aan het herhalen is in het Nederlandse beleid om de vreemdelingen hier te lande te `integreren’ in de samenleving. De zachte heelmeesters (linkse straathoekwerkers) die ijverden voor een idyllische multiculturele samenleving, zijn verdwenen. De grr-factor is hoog opgelopen en het devies is nu: schikken of stikken. In no time zijn de inburgeringseisen voor allochtonen aangescherpt als onderdeel van een `word zoals wij’-offensief. Of het nu gaat om het publiekelijk aan de kaak stellen van een imam die weigert vrouwen (zelfs een bewindsvrouw) de hand te schudden, of om de aankondiging om gezakte inburgeraars met sancties te straffen, steeds opnieuw krijg je de indruk dat de overheid met het woord integratie assimilatie bedoelt, zo niet disciplinering.
Nederlands spreken, een uitgestrekte hand aannemen, iemand aankijken tegen wie je spreekt dat zijn gangbare omgangsvormen in Nederland. Maar gelukkig nog Nederlandser is de vrijheid om je daar niet aan te hoeven houden. Wat wel en niet is toegestaan, staat omschreven in de wet. Imams uitzetten die tijdens hun preken strafbare feiten plegen, dat lijkt me gewoon het toepassen van de regels - als de toetsing daarvan tenminste aan de rechter wordt overgelaten.
Maar neem nu het besluit om uitgerekend de protestants-christelijke Vrije Universiteit imams te laten opleiden, met overheidsgeld, in de hoop dat zij een verdraagzame uitleg van de koran zullen prediken. Het is een goedbedoeld experiment in maakbaarheid met als voorspelbare uitkomst de radicalisering van al dan niet zelfbenoemde korangeleerden in het huiskamer- of internetcircuit, die deze `valse profeten’ te vuur en te zwaard zullen willen bestrijden. Zulke belerende en ondoordachte projecten keren zich tegen zichzelf.
Aangezien ik op dit moment één dag per week betrokken ben bij het opzetten van die imam-opleiding ben ik natuurlijk niet helemaal objectief. Duidelijk mag zijn, ook uit de woorden van Westerman, dat samenwerking tussen de VU en de moslimorganisaties noodzakelijk is en gelukkig gaat de VU dat ook niet uit de weg. Verder lijkt het mij ook een interessant experiment zeker gezien de geschiedenis van de VU. Westerman heeft wel een duidelijk, geen nieuw, punt en zijn artikel is dan ook het aanbevelen waard.
One response so far



Landen zich laten ontwikkelen in door hen zelf bepaalde richting kan alleen als je de inwoners van die landen serieus neemt. Dus geen hulp opdringen maar ook geen belachelijk lage prijzen betalen voor bijvoorbeeld katoen of koffie uit “ontwikkelings”landen. Als boeren een eerlijke prjs krijgen houden ze wat geld over. Dat kunnen ze dan zelf aan ontwikkeling besteden. Bijvoorbeeld scholing voor hun kinderen of aanleg van wegen, maar dat is aan hen. Gelukkig verkopen steeds meer supermarkten fair trade wijn, koffie, chocola, rijst, sinaasappelsap etc.