Mar 25 2006
Brabants Dagblad - Het kronkelpad van een rekkelijke moslim
Het kronkelpad van een rekkelijke moslim
Het kronkelpad van een rekkelijke moslim
Donderdag 23 maart 2006 - Tilburg - De islam is verworden tot een fabriek van verboden, schrijft Mohamed Ajouaou in zijn boek De moslim die ik ben. „Het is niet de vuile was die ik buiten hang, maar luchten mag-ie wel’, zegt de in Tilburg werkzame moslim-theoloog.
Geloven is voor veel moslims een benauwde bedoening geworden, vindt Mohamed Ajouaou. Maakt een natte droom het vasten tijdens ramadan ongeldig? Mag een vrouw werken? Mag mijn dochter trouwen met iemand die bij een bank werkt? Geloofsgenoten waken er voortdurend bangelijk voor om geen stap af te dwalen van het juiste pad.
„De produktie van ge- en verboden draait op volle toeren en wordt in stand gehouden door een leger aan schriftgeleerden, een netwerk aan religieuze experts die zich al te graag de voogdij over het reilen en zeilen van de moslimgelovigen wil toe-eigenen“, schrijft Ajouaou in zijn recent verschenen boek De moslim die ik ben.
Vrijheid
Kernboodschap van de Koran is voor Ajouaou (37) juist vrijheid van denken en handelen. De vele regels en voorschriften in de Hadieth, waarin derden later de leefwijze en uitspraken van de profeet Mohammed hebben vastgelegd, moeten niet het leven bepalen, vindt hij. „Het feit dat de Koran zelf zo weinig richtlijnen bevat, is geen toeval, maar moet gezien worden als goddelijke opzet ten behoeve van de handelingsvrijheid en de volle ontplooiing van het individu.“
Voor wie hem enigszins kent is die boodschap niet verrassend. In talrijke colums en bijdragen in vooral dagblad Trouw heeft de in Eindhoven woonachtige en bij welzijnsorganisatie Prisma in Tilburg werkzame Ajouaou zich laten kennen als een steeds vrijzinniger moslim. Het boek is een bundeling van die teksten, aangevuld met een essay waarin hij de rode draad van zijn denken theologisch onderbouwt.
Denk voor jezelf, houdt hij zijn mede-moslims voor, je kunt je geloof zonder enige botsing met je omgeving vormgeven. Imams en moskeeën spoort hij aan ’in plaats van wekelijks te schelden op pooiers, het prostitutiebeleid en de verderfelijke wereld’ zich liever te richten op de sociale noden: de zorg voor armen, daklozen, verslaafden en criminelen. „Moslims én niet-moslims, dat is voor mij de maat.“
Vroom
Het pad naar die rekkelijke islam heeft voor Ajouaou zelf langs kronkels en bochten geleid. Geboren in een conservatief islamitische gezin in de Marokkaanse stad Nador - als oudste van dertien kinderen - werd hij geacht vooral vroom te leven. Maar op school sprak het vak filosofie hem aan, daar leerde je immers zelf na te denken.
Na een universitaire studie filosofie in Fès kwam hij in 1991 naar Nederland. Opmerkelijk genoeg was zijn vader, na dertig jaar als gastarbeider in Helmond, toen juist definitief teruggekeerd. Hij had hier nooit kunnen aarden en wilde niet dat zijn kinderen overkwamen. „Hij was bang dat we onszelf zouden kwijtraken. Maar Nederland trok me enorm aan. Ik was er nooit geweest, maar had vanaf mijn zesde maandelijks brieven gestuurd naar dit land.“
Missen
In Utrecht kwam Ajouaou als vanzelf in aanraking met de kerk. De lerares Nederlands gebood hem elke dag het spreken te oefenen, hij benaderde een dominee die hij zo duidelijk en rustig zag praten. „Ik deed mee aan de missen, at wel het brood, maar dronk alleen geen wijn“.
Tijdens zijn studie theologie werd zijn islamitische geloofsbeleving intensiever. Hij liet een baardje staan en kende een periode dat alles was verboden, behalve wat de imam expliciet toestond. Met zijn jonge, diepgelovige vrouw kwam hij voor menig dilemma te staan. Hun eerste kans om in Eindhoven een huis te kopen, lieten ze lopen. „De islam verbood rente. Punt!. Jaren later pas zagen we in dat ook andere belangen mochten meewegen. Maar de prijzen waren inmiddels omhoog geschóten.“
Van lieverlee ontdekte Ajouaou in de moslimgeschriften meer en meer mogelijkheden het keurslijf verder op te rekken. Op een protestante, middelbare school werd hij docent levensbeschouwing. „Ik vind het nog steeds een compliment dat leerlingen nooit hebben gevraagd waar ik vandaan kwam of wat mijn geloof was.“ Hij bedacht dat de islam om hier te overleven net als het christendom in de samenleving moet integreren. „Het wordt nog teveel gezien als een exotische godsdienst. Moslims moeten actief helpen de samenleving op te bouwen. Nadruk leggen op het humane. Menszijn is wat ons op de eerste plaats bindt, niet God en de profeten.“
Natuurlijk doemen dan voor gelovigen vragen en problemen op. De imam die een vrouw geen hand wil geven, het dragen van hoofddoeken en sluiers, homoseksualiteit. „Er moet over gesproken worden. Basis is dat mensen persoonlijke keuzes mogen maken, maar altijd bereid moeten zijn hun gedrag te bespreken en minstens naar argumenten te luisteren. Zo moet een verpleegster die weigert een man te behandelen niet verrast zijn als de directeur zegt: zoek jij maar een andere baan.“
Divers
De reacties van moslims op zijn ideeën? Die zijn even divers als de moslimgemeenschap zelf, zegt Ajouaou. Kafir is hij nog niet genoemd - die term is gereserveerd voor openlijke afvalligen als Ayaan Hirsi Ali - maar wel nep-moslim. „Veel mensen voelen zich aangevallen. Ze bidden voor me, vragen me berouw te tonen. Ik heb in Eindhoven eens een lezing gegeven over islam en geweld en, verwijzend naar uitspraken van de profeet, afstand genomen van het verheerlijken van martelaarschap. Toen werden een groepje jongens heel agressief. Wie was ik dan wel om de profeet tegen te spreken? Gelukkig stonden meteen anderen op die zeiden: ho, hij zegt gewoon zijn mening.“
„Ik krijg ook het verwijt dat ik de vuile was buiten hang. Dan zeg ik: het is geen vuile was, het is was die moet luchten: práát erover. Het besef dat dat nodig is, dringt steeds beter door. Ik heb met veel imams contact, tot op het hoogste niveau. Ze zijn het vaak helemaal met me oneens, maar zeggen wel: jouw geluid is nodig, het scherpt onze visie. Ik denk dat we in Nederland aardig op weg zijn in het besef dat we alles moeten bespreken, maar nooit accepteren dat iemand zich bedreigd voelt om wat hij zegt, schrijft of tekent.“
Schulp
De Eindhovenaar is ervan overtuigd dat de rekkelijke islam de boventoon voert tegen de tijd dat zijn jonge kinderen volwassen worden. Nee, zegt hij, blind voor radicalisering en haatzaaierij is hij allerminst.
„Maar er zijn en worden grote inspanningen geleverd om dat tegen te gaan. Niet alleen door politiek, het openbaar ministerie en de AIVD, maar ook door moskeeën. Moslims komen eindelijk uit hun schulp, je ziet het ook aan de toenemende politieke participatie. Er zijn imamopleidingen op universiteiten en hogescholen. Op alle niveaus is de islam bezig zijn weg te vinden in de samenleving.“
In de opvoeding van hun drie jonge kinderen doen Ajouaou en zijn echtgenote hun best vooral ’een humane ethiek’ over te brengen.
„Ze gaan niet naar de islamitische school, want geloofsoverdracht is voor ons een verantwoordelijkheid van ouders. De kinderen zien ons bidden, gaan soms mee naar de moskee. Maar we spreken nooit over de hel en het paradijs. We zeggen dat ze niet mogen liegen, want liegen is niet goed. Dat ze niet mogen stelen, want stelen is verkeerd. Geloof mag voor hen geen vanzelfsprekendheid zijn waarvan ze zich niet kunnen losmaken.“
De Moslim die ik ben. Notities over een rekkelijk geloof 174 pagina’s. Uitgeverij Bulaaq. ISBN 90 54-60 1191. Prijs: 14,90
No responses yet


