De uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen in november bevestigde precies dat Nederland in 2006 een kleinburgerlijk, provinciaals, xenofoob land is geworden. De winnaars wa - ren de SP, de ChristenUnie, de anti-islampartij van Geert Wilders en in mindere mate het CDA van premier Balkenende, dat in elk geval de grootste partij bleef.
Wat deze partijen gemeen hebben, is hun diepe geworteldheid in de provincie, in Oss, in de bible belt, in Limburg en op het katholieke en christelijke platteland. Wat deze partijen gemeen hebben, is hun conservatief provinciaals gedachtengoed.
Ook de SP is een partij van normen en wa a r d e n . Partijleider Jan Marijnissen vindt zelfs dat het appèl van Balkenende op ouderwets burgerlijk fatsoen niet ver genoeg is gegaan. Wat deze partijen gemeen hebben, is dat ze geen van alle veel verwachten van buitenlanders en het buitenland in het algemeen. De drie grote winnaars waren precies de drie partijen die het verzet tegen het Tweede Verdrag van Rome belichaamden. Het zijn de partijen die de belachelijke en xenofobe uitkomst van het referendum over Europa begroetten als een overwinning.
De grote verliezers bij de verkiezingen waren de partijen die representatief zijn voor vrijzinnigheid, tolerantie en cultureel liberalisme: GroenLinks, D66, de PvdA en de VVD. Het zijn de partijen die hun wortels hebben in de Randstad. Het zijn de partijen die naar de toekomst kijken in plaats van naar het verleden toen alles in Nederland nog zo gezellig was zonder al die buitenlanders en met Mies Bouwman op televisie. Het zijn de partijen die begrijpen dat er buitenland bestaat en dat Nederland daar heel erg veel van heeft. Het zijn de partijen die in de periode van de Paarse coalities euthanasie en abortus hebben gelegaliseerd en een begin hebben gemaakt met de legalisering van drugs.
Wat dit jaar aan het licht is gekomen, is dat Nederland een gespleten land is, zoals de Verenigde Staten. Het schijnt dat er daar aan de oost- en westkust best nog wat verlichte zielen wonen die er een weldenkende wereldvisie op nahouden. Maar het land is in de greep van het conservatieve gedachtengoed van zijn rurale staten. Ook in Nederland is dit nu zo. En in 2006 hebben de boeren de macht gegrepen.
Volgens Ilja Pfeiffer zijn we er beroerd aan toe in Nederland. En als we Heleen Mees moeten geloven wordt ook internet erg ‘geruraliseerd’:
“De gemiddelde internetgebruiker, dat wil zeggen de gemiddelde Nederlander, is een benepen, bange burgerman die de globalisering, mogelijk gemaakt door datzelfde internet, uitsluitend ziet als een bedreiging voor zijn eigen bestaanszekerheid.”
(hat tip: Sargasso)
Dergelijke opmerkingen doen een beetje denken aan de politieke en intellectuele elite in 2001 en 2002 die de aanhang van Pim Fortuyn met nogal wat dedain benaderden. In Pfeiffers opiniestuk zit wel een kern van waarheid naar mijn mening, namelijk dat de partijen die gewonnen hebben vooral gericht zijn op het binnenland, erg communitaristisch zijn en een soort herstel van Nederland nastreven. Dat wil niet zeggen dat men niet toekomstgericht is; een inschattingsfout die we ook nogal eens tegenkomen als het om religieuze fundamentalisten gaat. Men is juist bij uitstek bezig met een programma voor de toekomst en daarvoor grijpt men terug naar het verleden als ijkpunt, maar omdat te kunnen te doen zal men het verleden ook moeten moderniseren. De punten waar men naar verwijst, zijn niet zomaar gekozen. Met name het gemeenschapsgevoel (cultureel en/of sociaal-economisch gebaseerd) wat in het verleden zeer sterk naar voren zou zijn gekomen, wordt eruit gepikt. Duidelijk als resultaat van het idee dat we in Nederland met een sterk geindividualiseerde samenleving, afhankelijk van internationale relaties in en buiten Europa, iets zijn kwijtgeraakt. Daarmee is dat verlangen naar het verleden niet zomaar nostalgie of een vlucht naar achteren, maar een manier om je tot het hedendaagse moderne leven te verhouden en een antwoord te vinden op de uitdagingen die daarmee gepaard gaan.
Wat met name Pfeiffer in zijn stuk doet is zich neerzetten als ruimdenkend, tolerant en dus als goed. Doordat hij ‘de provincialen’ behandelt als kleinburgerlijk, xenofoob en angstig plaatst hij hen eigenlijk buiten het publieke debat. In dat debat is immers geen ruimte voor irrationele emoties; de legitimiteit van hun opvattingen wordt daarmee ter discussie gesteld. Pfeiffers opvattingen zijn per definitie ‘goed’ en ‘de provincialen’ of the white working class, zijn degenen die hun positie moeten verantwoorden en laten zien dat zij ook aan de ‘goede’ kant staan. Met andere woorden dat zij zich conformeren aan het juiste gedachtegoed.
Het dedain dat nogal wat mensen binnen de culturele elite tentoonspreiden in dergelijke artikelen, maar ook op allerlei bijeenkomsten, ten opzichte van ‘mensen uit de provincie’ of ‘fortuyn-stemmers’ laat vooral zien dat zij erg ver van de ‘gewone man’ af staan. Geen enkel idee hoe diep EU-regelgeving ingrijpt in de agrarische bedrijfstak, de evenwichtskunsten die zij moeten uitvoeren om alle regels te kunnen toepassen. In het verleden geen enkel idee wat het betekent voor een dorp van ongeveer 1200 inwoners om een asielzoekerscentrum met enkele honderden asielzoekers gedropt te krijgen. Geen enkel gevoel van inlevingsvermogen in mensen die vinden dat er uit naam van de islam wel degelijk ernstige zaken zijn gebeurd, geen enkel idee wat de moord op Van Gogh nog steeds betekent voor mensen (en dan hebben we het nog niet over de - pogingen tot - brandstichtingen in scholen, moskeeën en kerken). Geen enkel idee wat het betekent dat de enige buurtsuper dichtgaat, het bejaardenhuis sluit en zelfs de buurtbus een dorp niet meer vier keer dag aandoet terwijl de oprukkende stad alle voorzieningen krijgt en hun landelijke omgeving wordt aangetast door de verstedelijking. Het feit dat de ruimdenkende en kosmopolitische politieke en intellectuele elite er tijdens de verkiezingscampagne er niet in is geslaagd om ook meer één relevant idee van hen voor het voetlicht te brengen, doet vrezen dat zij ook geen enkel idee hebben wat ze willen voor de toekomst van Nederland in Europa en de rest van de wereld, de plaats van religie in het publieke domein, de relatie tussen moslims in Nederland en de wereldwijde oorlog tegen terreur enzovoorts.
In plaats van ‘de provincialen’ te benaderen als achterlijk, bekrompen, belachelijk, xenofoob en racistisch (waar zitten de ‘Lonsdalers’ immers?), zouden ze misschien beter van hun morele voetstuk kunnen afstappen en kijken wat er precies aan de hand is. Je kunt of je afvragen of het niet moralisten zijn zoals Pfeiffer die krampachtig vasthouden aan iets wat er sinds ‘Fortuyn’ en ‘Van Gogh’ niet meer is en misschien zelfs wel nooit bestaan heeft: het tolerante, vooruitstrevende Nederland dat open stond voor de wereld waarin non-conformisme een deugd was.