Jun 04 2007

Profile Image of

Trouw, deVerdieping| religie_filosofie - Bekeren met de vrouwenfluisteraar

Posted at 7:05 pm under Religious and Political Radicalization

Trouw, deVerdieping| religie_filosofie - Bekeren met de vrouwenfluisteraar

Cokky van Limpt

Historica Marjet Derks corrigeert het beeld van het knusse leven uit het interbellum. Twee rk vrouwenbewegingen waren heel radicaal en uit op bekering van de hele wereld.

Ze heeft zich er zelf ook schuldig aan gemaakt, bekent de Nijmeegse historica Marjet Derks. Ze deed mee aan een KRO-programma over het ’rijke roomsche leven’ uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. En aan een tentoonstelling in het Catharijneconvent met huiskamertjes van het knusse katholieke huisgezin. Het ’ideaalplaatje’, zegt Derks, is dat van het katholieke geloof dat een warm samenzijn bood in een eenvoudige wereld ’waarin we nog wisten wat normen en waarden waren’.

Derks snapt best dat hier een markt voor is, maar het is een ’façade’. „Daarachter ontdek je dat het zo simpel en gezellig niet was.”

’Baanbrekend’ onderzoek van haar collega Paul Luykx maakte enkele jaren geleden al een eind aan clichébeelden. Voor sommige groepen stortte de boel niet pas in de jaren zestig ineen, maar al in het interbellum – die zogenaamde hoogtijdagen van de verzuiling. Toen schokten conflicten de katholieke zuil. „Juist in de jeugdcultuur, met bioscoopbezoek, moderne dans en sport – dat vermeende typisch jaren zestig onderwerp – gingen mensen tegen de zuilideologie in.”

Beschrijft Luykx vooral de mensen die zuil en gezagsdragers teveel in zichzelf gekeerd en te weinig modern vonden, Derks kijkt juist naar mensen die vonden dat het allemaal nog niet katholiek genoeg was. „Dat was heel fundamentele kritiek, omdat deze groep vraagtekens zette bij de emancipatie en de burgerlijke gelijkstelling waarop katholieken nu juist zo trots waren. Ze zeiden: je bent nu gelijk aan de rest, maar dat heeft met de essentie van geloven niets te maken. Deze radicaal-kritische groep streefde naar een vurig katholicisme en vertaalde dat in een beweging die eerst Nederland en daarna de hele wereld zou moeten herkatholiseren of bekeren.”

Dat was wel bekend, zegt Derks, maar het ging toen uitsluitend om jonge mannen, schrijvers en journalisten. Deze katholieke ’Jongeren’, zoals Gerard en Henri Bruning, Jan Engelman, Gerard Knuvelder en Anton van Duinkerken, schreven pamfletten en richtten radicale tijdschriften op, zoals De Gemeenschap en Roeping, en kregen veel aandacht maar waren in feite met weinig. Zo gaat dat vaak en toch vindt Derks het vreemd: een handjevol mannen haalt de geschiedschrijving, terwijl de veel grotere religieus-radicale vrouwenbewegingen buiten beeld blijven. Derks: „Die vrouwen schreven niet maar ondernamen van alles, van clubhuiswerk voor kinderen tot retraites voor niet-katholieken en fabriekswerk met meisjes; dat is kennelijk niet zo interessant geweest voor de geschiedenis.”

Tijdens onderzoek naar de populaire cultuur van het interbellum stootte Derks op de Graalbeweging, die nogal voorlijk was in het op een nette katholieke manier organiseren van moderne sport en dans. „Ze maakten zelfs hun eigen films.”

Gaandeweg ging ze zich verdiepen in de achtergronden van de Graal, en kwam zo onvermijdelijk uit bij de Nijmeegse jezuïet en vermaarde taalkundige Jacques van Ginneken.

„Bij toeval kreeg ik in het archief van de jezuïeten een stapel brieven in handen van vrouwen aan hem. Ik kon niet meer ophouden met lezen. Het waren brieven vol levensvragen, bijna alle afkomstig van bekeerlingen of niet-katholieke vrouwen die speelden met de gedachte zich te bekeren, en van vrouwen die hij probeerde te rekruteren voor een van zijn vrouwengroepen. Hij benaderde de vrouwen erg persoonlijk en gaf hen het gevoel dat ze heel speciaal waren, uitverkorenen. Vanuit deze brievenvondst heeft mijn onderzoek zich verder ontwikkeld.”

Van Ginneken bleek de spil te zijn van vrouwengezelschappen. Hij zag zichzelf als een briljant geleerde en een bevlogen docent en bovenal als het boegbeeld van een trots en strijdbaar katholicisme. Hij streefde naar verdieping van het geloofsleven van zogenaamde ’geboren katholieken’ en naar de bekering van niet-katholieken. Zijn niet van megalomanie gespeende doel was niets minder dan wereldbekering. Van Ginniken werd een van de initiatiefnemers van het Comité tot Bekeering van Nederland en hij richtte hij drie lekengezelschappen op, die zich elk op de bekering van een bepaalde maatschappelijke groep moesten gaan richten. De Vrouwen van Bethanië (1919) richtten zich met vormingswerk op niet-katholieke kinderen, bij voorkeur in de grote steden, de Kruisvaarders van Sint Jan (1919) en de Vrouwen van Nazareth (1921) ontfermden zich over niet-katholieke pubers.

Derks plaatst Van Ginneken in de context van de zuiverings-, bezinnings- en bekeringsbehoefte die zich in het cultuurpessimisme van na de Eerste Wereldoorlog van sommige katholieken had meester gemaakt. Derks beschrijft het „tegenoffensief van een verontruste elite die zich afzet tegen de heersende cultuur en terug wil naar de basis – radicalisme is altijd terug naar de wortel, de radix – in geloofszaken vooral, maar dat moest wel het hele leven betreffen. Deze elite zocht een radicaal katholiek antwoord op de uitdaging van de moderne tijd.”

Als het een puur conservatieve beweging was geweest die overal nee op had gezegd, hadden ze nooit iets bereikt, meent Derks. „Maar wat zij deden – en dat zie je vandaag de dag ook vaak bij radicale bewegingen – was het inzetten van alle moderne middelen om hun eigen inhoud te propageren. Ik noem dat in de ondertitel van mijn boek met een knipoog retro-modern: ze willen inhoudelijk terug naar een vermeend verleden vol mystiek, martelaarschap en kruisridders, maar dan wel met moderne middelen, zoals zang, dans en film.”

Eerst verzamelde Van Ginneken mannen om zich heen, met wie hij het genoemde bekeringscomité oprichtte, maar dat was hem niet genoeg. Want, zegt Derks, hij was ervan overtuigd dat vrouwen in de kerkgeschiedenis eigenlijk dé toonaangevende figuren waren geweest, hoewel de kerk hen – in zijn eigen woorden – ’op geheel onvoldoende wijze had geëxploiteerd’. Vrouwen waren niet alleen krachtiger maar ook naar hun natuur geschikter zich helemaal te geven voor een ideaal. En als je nu maar het juiste ideaal opvoerde, dan had je een geweldig krachtig leger van vrouwelijke kruisridders tot je beschikking.

Zijn appèl viel bij honderden, meest goed opgeleide en soms ook bemiddelde vrouwen, in vruchtbare aarde. Wie niet het klooster inging en niet trouwde, had immers maar weinig kansen in de maatschappij van de jaren twintig en dertig. Van Ginneken zei: jij bent geen restcategorie, jij bent juist de belangrijkste die er toe doet. „Dat was natuurlijk een welkom verhaal”, zegt Derks, „en het bekeren van de wereld vonden ze wel interessant omdat ze vaak zelf ook grote religieuze idealen koesterden, zonder dat ze daarvoor een vorm wisten te vinden. Bovendien maakte de persoon Van Ginneken indruk. Hij was een romanticus, een charismaticus die geloofde in zijn eigen grote ideaal. Veel mannen vonden hem onuitstaanbaar, maar vrouwen aanbaden hem. Ik noem hem een ’vrouwenfluisteraar’. Ze vonden hem ook artistiek, met zijn wat langere haren en zijn lijntjes naar kunstkringen. Jan Toorop, een bekeerling van Van Ginneken, was kind aan huis bij de vrouwengezelschappen.”

De Vrouwen van Bethanië en van Nazareth waren nadrukkelijk geen kloosterzusters, opgesloten achter de tralies. Dat vond Van Ginneken maar dom kuddevolk waar je niets aan had. „Hij wilde wel die vrouwen aan zich binden, maar zij moesten zich vrij kunnen bewegen onder de mensen, anders zou het bekeren niet lukken.” In de praktijk leek hun leven trouwens wel op dat van nonnen. Ze hielden zich aan regels die aan het kloosterleven waren ontleend, en ze hadden een moederhuis waar ze in habijt en sluier liepen.

Een pijnlijk hoofdstuk uit de geschiedenis van de vrouwengezelschappen is dat van de boetedoening, die onder leiding van Van Ginneken excessieve vormen aannam. Dat er sprake was van disciplinering vindt Derks op zich logisch. „Als je wilt dat vrouwen levenslang gaan doen wat jij zegt, dan heb je zoiets nodig als ’Selbstzwang’. Om zich volledig te kunnen inzetten voor het grotere ideaal moesten de vrouwen hun eigen verlangens leren overwinnen. En daarop moest geoefend worden, net als in kloosters. Maar omdat zijn gezelschappen geen kloosters waren, bestond daar ruimte om te experimenteren.”

En dat deed Van Ginneken. Het begon met kiezelsteentjes in je schoen dragen, een bosje hulst om je been geknoopt, jezelf iets ontzeggen of iets moeilijks opleggen, maar het liep op den duur behoorlijk uit de hand. „De boetedoening werkte vitaliserend, zegt Derks, „maar werd daarnaast een manier om zich te onderscheiden. Ook mochten sommige vrouwen anderen boete opleggen.” Het kreeg sektarische trekken, bevestigt ze. In 1923 riep de Haarlemse bisschop Callier van Ginniken op het matje, waarop zijn provinciaal hem het leiderschap van de Vrouwen van Bethanië afnam.

Bij de Vrouwen van Nazareth bleef Van Ginneken, zonder dat de bisschop het wist, wel de lakens uitdelen. Hij wilde een eigen vrouwenuniversiteit oprichten op Java, vervolgens het werk van Nazareth deels overplaatsen en dan de inlandse vrouwen opvangen en katholiek maken. Maar zover kwam het niet, vertelt Derks, want Calliers opvolger, bisschop Aengenent, had een veel groter probleem, vond hij: in het bisdom Haarlem was geen uniforme katholieke meisjesorganisatie. „Die moesten de Vrouwen van Nazareth opzetten. Hun ideaal was echter te gaan bekeren, niet om katholieke meisjes op te vangen. Ze hadden echter geen keus en zo ontstond in 1928 de zeer succesvolle Graalbeweging, waaraan duizenden katholieke meisjes deelnamen. Wat voor de bisschop een leuke meisjesbeweging leek, zagen de Vrouwen van Nazareth, onder leiding van Van Ginneken, uiteindelijk als een soort katholieke militaire dienst voor potentiële stoottroepen om straks de wereld mee te kunnen bekeren.”

In de Tweede Wereldoorlog moest Van Ginneken onderduiken. Hij kon zijn gezag niet meer doen gelden. Kort na de bevrijding overleed hij. De vrouwen kozen een nieuwe koers, oecumenisch. Hun eerste, radicaal katholieke fase is in hun eigen herinnering erg geminimaliseerd, heeft Derks kunnen vaststellen. „Wat dat betreft weerspiegelt hun collectieve geheugen de wetenschappelijke geschiedschrijving: hun radicale gedachtegoed is onzichtbaar geworden.”

Marjet Derks: Heilig moeten. Radicaal-katholiek en retro-modern in de jaren twintig en dertig. Uitgeverij Verloren, ISBN 9789065509826, 432 blz., euro34. Marjet Derks is werkzaam als onderzoekster bij de onderzoeksgroep Geschiedenis van het Nederlands Katholicisme van de Radboud Universiteit Nijmegen.
In het spoor van Lidwina van Schiedam en haar lijden

In Letter & Geest (26/5) wijst sociologe Jolande Withuis op overeenkomsten tussen radicale moslima’s, RAF-terroristes, Tsjetsjeense gijzelnemers en de radicale rk heilige Lidwina van Schiedam. Een vergelijking die, zo blijkt uit Marjet Derks’ studie waarop ze op 15 mei promoveerde, kan worden uitgebreid met andere religieuze voorbeelden. Zoals de door Derks onderzochte lijdende en strijdende katholieke bekeringsgezelschappen uit het interbellum: de Vrouwen van Nazareth en de Vrouwen van Bethanië. Deze radicale katholieke vrouwen hadden veel op met vrouwelijke heiligen en martelaressen, en droegen – inderdaad – ook Lidwina van Schiedam en haar lijden een warm hart toe.

No responses yet

Trackback URI | Comments RSS

Leave a Reply