Oct 20 2007
Trouw, Goslinga / Nationaal gevoel als rustig besef van eigenwaarde deugt
Trouw, Voorpagina| teasers - goslinga / Nationaal gevoel als rustig besef van eigenwaarde deugt
Hans Goslinga
Het is op zichzelf goed, schreef elf jaar geleden de historicus Ernst Kossmann, dat de verbijsterde burgers zich tegen het chaotische geweld van de veranderingen gaan verweren door houvast in het eigen huis te zoeken.
Maar waarom, vroeg hij zich af, zouden zij daarbij zulke pompeuze woorden als nationale identiteit moeten gebruiken? ‘Een land als het onze heeft zulke retoriek niet nodig. Of onze cultuur in de brede zin van het woord Nederlands blijft, hangt niet af van haar ‘eigenheid’, en evenmin van de graad van politieke en economische zelfstandigheid, maar van onze behoefte primair met elkaar in gesprek te blijven’.
Uit deze waarneming van Kossmann spreken een rust en nuchterheid, die extra opvallen bij de opgewondenheid die thans het debat over de Nederlandse identiteit beheerst. De historicus, die in 2003 is overleden, beschouwde alle pogingen om die identiteit te definiëren als romantisch. ‘Het is romantiek te veronderstellen dat het Nederlandse volk of de Nederlandse samenleving een soort van ziel bezit die zichzelf al eeuwen gelijk is gebleven. Dat betekent het namelijk als men van identiteit spreekt’.
Kossmann schreef zijn woorden toen ons land een belle époque beleefde en de zorgen over de bestemming van de natie nog niet zo politiek geladen waren. Nu bestaat zelfs de kans dat het noodzakelijke gesprek stokt door de politisering van nationale sentimenten en de polarisatie die daarvan het gevolg is. Het effect van polarisatie is dat beelden belangrijker worden dan feiten en aldus het zicht op de werkelijkheid verwringen.
Nu tilde Kossman in het geheel niet licht aan de toen al bestaande zorgen, zoals de opkomende beduchtheid voor verlies van soevereiniteit aan de Europese Unie. Sterker nog, hij getuigde van een vooruitziende blik door zich tegen een institutionalisering van Europa te keren die ten koste zou gaan van de natiestaten. Door de mateloze groei van de Unie zou er van een overkoepelende parlementaire democratie in zijn ogen geen sprake meer kunnen zijn. Daarom zag hij het als ‘een dwingende noodzaak’ de structuur van de staten niet te ondermijnen, maar haar met zorg te handhaven en te beschermen.
Dit inzicht is pas tot de politieke hoofdstroom doorgedrongen na het overweldigende ‘nee’ van de Nederlandse bevolking tien jaar later. In de jaren negentig zaten de grote partijen nog zo op de lijn van voortgaande Europese eenwording dat zij het zelfs niet bezwaarlijk vonden dat de overdracht van nationale bevoegdheden vooruitliep op de democratische controle. De gang van zaken geeft al aan dat het articuleren van het nationaal besef gezond kan zijn, zelfs als dit zou voortkomen uit een ingesleten reflex op gevaar van buiten, meer dan uit de rationele argumenten die Kossmann tot zijn waarschuwing brachten.
Paul Scheffer noemt de correcties die de burgers in de afgelopen jaren op heftige wijze hebben aangebracht op een aantal politieke axioma’s in zijn boek ‘Het land van aankomst’ zelfs een teken van vitaliteit van onze democratie. In de krant van vrijdag heb ik het accent gelegd op de risico’s die Rita Verdonk oproept met het mobiliseren van nationale sentimenten, het blijft ook zaak dwars door de retoriek heen authentieke zorgen in de samenleving te onderkennen.
Kossmann vond dat er met het in standhouden van het nationaal gevoel niks mis was, zolang het strekt tot ‘een rustiger besef van eigenwaarde dat zou moeten steunen op enige kennis van de Nederlandse geschiedenis en enig inzicht in de betekenis van dit land in vroeger tijden en nu’. Maar bovenal achtte hij het van belang om in nationale debatten met elkaar in gesprek te blijven. Hij had, zoals boven beschreven, de pest aan grote woorden, zeker als die werden ingegeven door een romantisch beeld van de geschiedenis van de natie.
De historicus nam de liberale aartsvader Thorbecke tot bondgenoot, die zich in zijn tijd blauw ergerde aan de oud-vaderlandse opgeblazenheid omdat die het publiek het zicht op de werkelijkheid ontnam en de noodzaak van diepgaande hervorming verborg. Omgekeerd kan een taboe op alles wat aan het nationale gevoel refereert evenzeer de blik vertroebelen en, zoals bij de verkiezingen in 2002 is gebleken, tot politieke blikvernauwing leiden. In deze context ligt de betekenis van een politieke journalistiek die onverstoorbaar poogt op basis van de feiten de werkelijkheid zo eerlijk en waarheidsgetrouw mogelijk weer te geven en te duiden. In tijden van polarisatie is dat eens te meer van belang, omdat deze strategie gemakkelijk ontaardt in een beeldenstrijd waarbij de feiten niet meer heilig zijn.
Voor het zicht op werkelijkheid kan het ook behulpzaam zijn ingesleten begrippen en schijnbare vanzelfsprekendheden van tijd tot tijd op te ruimen. Zo stak Kossmann elf jaar terug de draak met wat hij de multiculturele spraakverwarring noemde: wij noemen een hier lang wonende Brit geen ‘allochtoon’ maar ‘vreemdeling’. Daarentegen noemen we een hier opgeleide, correct Nederlands sprekende en van een Nederlands paspoort voorziene man of vrouw die zwart van kleur is, uiteraard geen ‘vreemdeling’, maar ‘allochtoon’. Een zwarte Noord-Amerikaan is echter geen allochtoon, maar een buitenlander.
Kossmann stelde dan ook vast dat de immigratie en integratie een probleem vormen ‘waar deze samenleving nog in de verste verte niet uit is’. Ook met die waarneming getuigde de geschiedkundige van een vooruitziende blik.
No responses yet


