Home » Archive

Articles tagged with: Koran

Important Publications »

[5 May 2008 | One Comment | 194 views]

Koranlezen doe je zó een kritische bespreking van:

  • Kader Abdolah: De Koran, een vertaling en De boodschapper, een vertelling.De Geus, 382 blz., € 39,90
  • Mahmoud Hussein: A l – S î ra. De verhalen over Mohammed in Mekka. Bulaaq, 478 blz., € 29,50
  • Maxime Rodinson: Mohammed: Een biografie.Vertaling Vreni Obrecht. Bulaaq, 368 blz., €19,95
  • Hans Jansen: Islam voor varkens, apen, ezels en andere beesten. Van Praag, 199 blz., €12,50

Kader Abdolahs didactische Koran en oer-Nederlandse Mohammed

In zijn Koranbewerking probeert Kader Abdolah didactiek en soefisme te mengen. Het levert een danig verpolderde Mohammed op.

Enige ironie spreekt er wel uit: Kader Abdolah, een zelfverklaard marxistisch atheïst die in de jaren tachtig uit de islamitische republiek Iran naar Nederland is gevlucht, voelt zich door de gebeurtenissen rond 11 september en door de overspannen Nederlandse islamdiscussie gedwongen om zich uit te spreken over wat er mooi en waardevol is aan de islamitische traditie. Het resultaat van deze ironie is een tweeluik, bestaande uit een vrijzinnige en bekorte vertaling van de Koran, en uit een geromantiseerde biografie van de profeet. Die biografie laat Abdolah door Mohammeds adoptiefzoon en biograaf Zeeëd van buitenaf reconstrueren in gesprekken met diverse voor- en teg enstanders.

Een Re a d e r ’s Digest-versie van de Koran, die met dichterlijke vrijheid is vervaardigd – het klinkt gewaagd.

Maar omdat de Koran volgens gelovigen (en ook volgens menig islamwetenschapper) onvertaalbaar is, is elke vertaling in feite al een interpretatie ervan. Abdolahs interpretatie wijkt echter op enkele punten duidelijk af van gangbaarder versies.

Om te beginnen rangschikt hij de soera’s of hoofdstukken van de Koran niet op de kanonieke manier, maar in de volgorde waarin ze volgens islamitische en andere geleerden vermoedelijk aan Mohammed zijn geopenbaard. Zo maakt hij ook de stilistische en inhoudelijke ontwikkeling van de openbaringen zichtbaar. De vroegste soera’s, die Mohammed volgens de overlevering in Mekka heeft ontvangen, zijn poëtisch, algemeen, en soms duister; ze roepen de mensen dikwijls op om niet op hun macht of rijkdom te pochen of vertrouwen, en de goddelijke almacht te vrezen. De latere verzen, geopenbaard toen Mohammed in Medina de wereldse macht had verworven, zijn vaak concreter en ‘wereldser’: ze vaardigen specifiek geboden en verboden uit, of ze roepen op tot strijd.

Een ander kenmerk van Abdolahs visie is dat hij, in strijd met de traditie, er van uitgaat dat Mohammed wel degelijk kon lezen en schrijven.

In geheel multiculturele stijl betoogt hij voorts dat de profeet vooral tot zijn werk kwam door contact met andere culturen en beschavingen, en met name door het lezen van andermans (heilige) boeken. Met andere woorden, Abdolahs Mohammed is geen profeet die religieuze openbaringen ontvangt, maar eerder een schrijver die naar inspiratie zoekt.

Deze geseculariseerde visie beheerst Abdolahs visie op leven en werk van de profeet. Zo wordt zijn Mohammed een strijder tegen maatschappelijke ongelijkheid, slavernij en corruptie, die in zijn jeugdjaren ook aan clandestiene jongerenorganisaties deelneemt. Ik denk dat je niet te ver gaat als je hier sporen ontwaart van Abdolahs eigen activistische jeugd, en met name van de visie van Ali Sjariati, die een immense invloed heeft gehad op de generatie Iraanse jongeren (waartoe ook Abdolah behoort) die de Iraanse revolutie van 1979 heeft gedragen, en die meer met Marx dan met Mohammed bezig was. Volgens Sjariati is de Iraans-sji’itische Islam een progressieve en zelfs revolutionaire religie, V e r v o l g o p p a g i n a 2 en is Mohammeds neef, de door sji’ieten verheerlijkte imam Ali, een volmaakt mens die in zich existentialistische filosofen als Sartre, revolutionairen als Che Guevara en mystici als Hallaadj verenigt.

Je hoort duidelijke echo’s van deze visie in Abdolahs verhaal. Bij hem is het specifiek sji’itische element weliswaar grotendeels afwezig, maar zijn Islam is wel duidelijk Iraans. Dat blijkt alleen al uit het feit dat hij Arabische woorden in een zelfverzonnen Perzische transcriptie weergeeft. Zo wordt de veelgehoorde frase bismillah al-rahman al-rahim, die vrome moslims prevelen bij het aanvangen van een examen of het starten van hun auto, bij hem tot besmellahe rahmane rahim.

Gewoonlijk wordt deze spreuk vertaald als ‘in de naam van God de genadige en barmhartige,’ maar Abdolah maakt ervan: ‘in de naam van Allah/ Hij is lief/Hij geeft/Hij vergeeft.’

Die weergave, en met name dat lief, lijkt gewaagd en eigenzinnig, om niet te zeggen ronduit ketters, en de jeremiades over de gevaren die Abdolah er wel niet mee zou lopen waren niet van de lucht; maar in feite sluit hij ermee aan op een lange traditie.

Dat is natuurlijk de traditie van het soefisme, ofwel de islamitische mystiek, waarin God tegelijkertijd als liefhebbend en als geliefde wordt voorgesteld. Bij de beroemdste soefi’s moet zelfs de angst voor de hel en de hoop op het paradijs plaatsmaken voor de volmaakte en belangeloze liefde (hoebb) tot God.
Ook Abdolah verklaart dat zijn eigen vertaal- en vertelwerk hier gedreven is door liefde. Zo zoekt hij overduidelijk aansluiting bij de Perzische literaire traditie van dichters als Roemi, Hafez en Nizami, die diepgaand door het soefisme met zijn beeldspraak van wijn, licht en liefde is beïnvloed. De beroemdste basis van die traditie is wel het zogeheten Lichtvers (soera 24.35), dat aanleiding heeft gegeven tot talloze, naar ons idee soms buitengewoon gewaagde, figuurlijke duidingen, en dat voor de islamitische mystiek en literatuur van een immens belang is geweest.

Het is beslist geen toeval dat dit Lichtvers ook de inscriptie is in het Koranexemplaar van Abdolahs vader. (zie inzet) Met andere woorden: Abdolahs ambities zijn niet zozeer maatschappelijk, politiek of religieus van aard, maar zuiver literair.

Zijn vertaalwerk drukt een soortgelijke verhouding tot de islam uit als je bij bijvoorbeeld Jan Wolkers of Maarten ‘t Hart vindt ten aanzien van het protestantse Christendom. Allen zijn in hun jeugd afgevallen van het geloof der vaderen en tot verklaard atheïst geworden. En al uiten ze felle kritiek op religieuze gezagsdragers die menen zich met andermans leven te mogen bemoeien, toch hebben ze allemaal een blijvende liefde voor de beelden en verhalen die in de traditie zijn vervat. Zelf omschrijft Abdolah de taal van de Koran als ‘goddelijk proza’: voor hem is de veelgeroemde onimiteerbaarheid van de Korantaal geen teken van een goddelijke oorsprong, maar een literair wonder. Zijn literaire insteek is duidelijk: de inlijving van de Koran en het leven van de profeet bij de Nederlandse literatuur, en daarmee bij het Nederlandse culturele erfgoed.

De Koran als literaire tekst, die literaire interpretatie behoeft: het is een lot dat eerder de Bijbel heeft ondergaan. Maar ook dit is minder gewaagd dan het lijkt: hele generaties moslims waarderen de Koran als een tekst die traag gereciteerd wordt, waarbij de rijke beeldspraak en de talrijke herhalingen een overweldigend emotioneel effect op de hoorder kunnen hebben.

Overigens gaat dit literaire effect grotendeels verloren in Abdolahs ingekorte vertaling, die juist de herhalingen weglaat.

Ook duidt, opmerkelijk genoeg, de Korantekst zelf al aan dat interpretatiewerk nodig is. Zo staat in soera 3.7: ‘Hij is het die tot jou het boek heeft neergezonden; een deel ervan bestaat uit eenduidige tekenen – zij zijn de grondslag van het boek – en een ander deel uit meerduidige… Maar de verklaring ervan kent niemand behalve God en zij die een diepgewortelde kennis hebben.’ De vraag is dan natuurlijk welke verzen eenduidig (moehkam) zijn, en welke meerduidig (moetasjaabih). De Koran zelf geeft dat doorgaans niet aan. Een plaats waar dat wel gebeurt is de beroemde Lichtsoera, het naar het Lichtvers genoemde hoofdstuk waarin ondubbelzinnig de straffen op overspel en het valselijk iemand van overspel beschuldigen staan uitgespeld. Vandaag de dag is het onderscheid tussen eenduidige en meerduidige verzen van cruciaal belang, niet alleen voor Abdolahs eigen Koranuitleg, maar algemener voor hedendaagse pogingen om de islam opnieuw te definieren. Dat maakt het des te verbazingwekkender dat hij soera 3.7, helemaal uit zijn vertaling heeft weggelaten.

Wat verder opvalt als je Abdolahs vertaling leest, is hoe zelden de Koran eigenlijk gewag maakt van ongelovigen, en hoeveel vaker christenen en joden worden aangemerkt als ‘volken van het boek’, die een deel van de enige ware, monotheïstische openbaring hebben ontvangen. Bovendien wordt binnen deze volken nog een onderscheid gemaakt tussen gelovigen en ongelovigen. De ongelovige joden zijn blijkbaar degenen die de Torah, ofwel hun eigen openbaring, hebben afgewezen, of zoals soera 62.5 het in Abdolahs vertaling plastisch uitdrukt: ‘het verhaal van hen aan wie de Tora is gegeven en van hen die haar niet naleven, is gelijk aan het verhaal van een ezel die boeken draagt.’ Overigens voegt Abdolah hieraan toe: ‘De ezel weet ook niet wat hij draagt,’ wat niet in de Korantekst staat maar het punt van vergelijking verduidelijkt. Misschien probeert hij hier en elders iets te hard om de suggestieve kracht van de oorspronkelijke beeldspraak weg te nemen. Dit vers kan echter evengoed uitdrukken dat de Torah slechts als een zware last wordt ervaren door ongelovige dragers, die er de zin en waarde niet van begrijpen.

Abdolahs levensverhaal van de profeet heeft, behalve zijn literaire vormgeving, niet veel nieuws te bieden ten opzichte van de al bestaande en in het Nederlands beschikbare biografieën, zoals Tariq Ramadans vrome hagiografie en Maxime Rodinsons klassieke, onlangs opnieuw in vertaling uitgegeven, meer politieke levensbeschrijving.

Wie werkelijk iets nieuws wil leren over het ontstaan van de Koran, en een duidelijker indruk van het klimaat waarin Mohammed leefde, kan nu terecht bij Al-Sîra, een uitvoerige selectie uit de vroegste islamitische historische bronnen, gemaakt door Mahmoud Hussein, een pseudoniem van twee linkse (en eveneens seculiere) dissidente Egyptenaren.

Anders dan meer hagiografische portretten schuwen deze auteurs ook niet om de minder aangename dingen uit de antieke bronnen te vermelden.

Abdolahs verhaal steekt wat flets af tegenover zulke antieke bronnen. Ook is zijn beschrijving soms wel erg anachronistisch: zoals Rodinsons Mohammed bij tijd en wijle wel erg op een Parijse rive gauche- aktivist lijkt, zo lijkt Abdolahs profeet vooral op een Overijsselse familievader met een kantoorbaan. Mohammeds Mekka, een plek die hij kent ‘als zijn broekzak’, is hier meer een polderprovincie dan een woestijnstad. Het enige wat eraan ontbreekt is dat Abdolah de profeet laat rondbewegen op een fiets.

Abdolah vervalt dus niet zozeer in stereotiepe oriëntalistische voorstellingen over het mysterieuze oosten vol geurige bazaars, sensuele vrouwen en spirituele mannen; wat opvalt is vooral hoe oer-Nederlands zijn Mohammed is geworden.

In zijn Koranvertaling wordt die vernederlandsing of inpoldering van de islam zichtbaar door de figuurtjes van tulpen, klompen en regenbuien tussen de soera’s; in De boodschapper wordt de profeet geplaatst in een milieu dat sterk lijkt op het moderne, multiculturele Nederland, inclusief de bedrijfscultuur en gezinsverhoudingen.

Zo ontvangt Mohammed hier zijn eerste openbaring na een echtelijke ruzie met zijn vrouw Ghadiedja.

Het is de vraag of Abdolah hier niet het religieuze en mystieke kindje met het polderwater wegpompt. Juist omdat hij zo vervuld is van zijn didactische missie de politieke carrière van de profeet te schetsen, verdwijnt het aspect van mystieke liefde en van de profeet als spiritueel wezen teveel naar de achtergrond.

Anderzijds: Abdolah mag dan niet helemaal geslaagd zijn in zijn poging om Islam, God en profeet als bron en object van liefde op een literair overtuigende manier gestalte te geven, hij maakt wel de weg vrij voor zo’n onderneming. Of om het met een profetisch beeld uit te drukken: ook Mozes wees de weg naar het beloofde land zonder er zelf binnen te kunnen treden.

Koranlezen: niet zó

Een andere invloedrijke poging om de Koran voor een groter publiek te ontsluiten is die van arabist Hans Jansen. Onlangs publiceerde hij vrijwel gelijktijdig drie populariserende boekjes over de Islam en de Koran (Zelf Koranlezen (De Arbeiderspers); Bombrieven en Islam voor varkens, apen, ezels en andere beesten ( u itgeverij Van Praag). Dat Jansen hierin duidelijk stelling neemt zij hem gegund; het probleem is veeleer de ongelofelijke slordigheid waarmee hij te werk gaat. Die brengt hem tot overbodige, vergezochte of misleidende lezingen, en geregeld tot elementaire leesfouten.

In Zelf Koranlezen is Jansens visie op de abrogatie of herroeping van specifieke Koranverzen op basis van een latere openbaring bijvoorbeeld problematisch. Zo beweert hij dat het beroemde vers ‘in religie bestaat geen dwang’ (2.256), dat tolerantie en godsdienstvrijheid kan legitimeren, door latere, militantere verzen zou zijn herroepen. Het is niet duidelijk wie zijn autoriteit is voor deze opvatting, die zelfs de roemruchte fundamentalist Sayyid Qoetb te ver ging: zelfs die hield vast aan het idee dat er in religie geen dwang bestaat.

Vervolgens legt Jansen een aantal soera’s voor de beginnende lezer uit. Bizar genoeg doet hij dat vooral met een veelvuldig beroep op het werk van Christoph Luxenberg, een islamoloog die betoogt dat veel uitdrukkingen in de Koran niet afkomstig zijn uit het Arabisch maar uit het Aramees, een verwante taal.

Luxenbergs werk is onder islamwetenschappers niet onomstreden; erger, het is voor een beter begrip van de Koran en van de hedendaagse islamitische wereld overbodig, omdat geen moslim de Korantekst ooit begrepen heeft op de manier die hij voorstelt.

Ook Jansens insinuatie dat de Koran ongelovigen uitmaakt voor apen, ezels en varkens is onzin, zoals iedereen kan zien die de moeite neemt om zijn verwijzingen na te lopen. Zo zegt vers 62.5 niet dat joden ezels zijn: het vergelijkt alleen de ongelovige joden met ezels die een te zware last dragen. Een dergelijke verwarring tussen beweringen en vergelijkingen zou je zelfs van een middelbare scholier niet toelaten. Ofwel Jansen ziet zulke elementaire tekstuele onderscheiden over het hoofd, maar dan deugt hij niet als wetenschapper; of hij negeert ze opzettelijk en misleidt daarmee welbewust zijn publiek -wat nog veel erger is.

Koranlezen doe je zó een kritische bespreking van:

  • Kader Abdolah: De Koran, een vertaling en De boodschapper, een vertelling.De Geus, 382 blz., € 39,90
  • Mahmoud Hussein: A l – S î ra. De verhalen over Mohammed in Mekka. Bulaaq, 478 blz., € 29,50
  • Maxime Rodinson: Mohammed: Een biografie.Vertaling Vreni Obrecht. Bulaaq, 368 blz., €19,95
  • Hans Jansen: Islam voor varkens, apen, ezels en andere beesten. Van Praag, 199 blz., €12,50

Misc. News »

[25 Apr 2008 | Enter your password to view comments | 103 views]

There is no excerpt because this is a protected post.

Misc. News, Public Islam »

[22 Mar 2008 | One Comment | 9 views]

Islam is het probleem, niet de moslims – Binnenland – de Volkskrant
De islam is een politieke ideologie die streeft naar wereldheerschappij en die het Westen bedreigt, betogen Geert Wilders en Martin Bosma.

SP-sympathisant Harry de Winter verdiende miljoenen met het tv-spelletje Lingo. De lingo die hij maandag op de voorpagina van de Volkskrant deponeerde, is ronduit verwerpelijk. Eigenlijk adverteerde hij vooral zijn eigen onnozelheid.

Het zou niet belangrijk zijn daarop te reageren, ware het niet dat zijn redeneertrant kenmerkend is voor de progressieve elite. Wat De Winter schrijft vertolkt de mening van de linkse grachtengordel, het mediapark in Hilversum en de biotoop aan het Binnenhof in Den Haag.

Althans, hun mening in het openbaar. Wij zijn ervan overtuigd dat de bovenonsgestelden wel degelijk aanvoelen dat er iets fundamenteel mis is met de islam. Dat deze zogenaamde godsdienst een bedreiging is. Maar politiek-correcte groepsdwang of ontkenning van de werkelijkheid verhindert hen het beestje bij de naam te noemen.

Om aan die innerlijke verwarring een einde te maken, komen de Geert Maks, Clairy Polakken en Doekle Terpstra’s met vergelijkingen die het probleem moeten weg-veralgemeniseren. ‘Er is in elke godsdienst wel iets mis’, of ‘vroeger droegen vrouwen in Nederland ook hoofddoekjes’ of ‘de kruistochten waren ook heel erg’ of ‘Staphorst!’.

Allemaal drogredeneringen die ons afhouden van de realiteit: de islam is uniek. Onvergelijkbaar en zeker niet te vatten in westerse begrippen. Als we dat niet begrijpen, wacht ons een donkere toekomst.

Praten over de islam als een godsdienst is levensgevaarlijk. Het geeft de islam een onaantastbaarheid die ons ervan weerhoudt het gevaar in de ogen te kijken.

Weliswaar heeft de islam bepaalde religieuze kenmerken (een opperwezen, een hiernamaals et cetera) maar de doelen van de islam liggen hier op aarde: de invoering van de sharia, werelddominantie, de jihad, dhimmitude (de onderdrukking van ongelovigen), de apartheid tegen vrouwen en het onderdrukken en vermoorden van niet-moslims. De islam is allesomvattend van erfrecht tot strafrecht. Daarom is het meer een politieke ideologie dan een religie.

Links is niet altijd blind geweest. Jacques de Kadt (groot denker en toch lid van de PvdA) noemde in 1939 niet voor niets het nationaal-socialisme de nieuwe islam. Maar tegenwoordig kan de progressieve elite alleen maar wegvluchten in dwaze vergelijkingen.

Bijvoorbeeld dat keppeltjes hetzelfde zijn als hoofddoeken. Dat sluit de ogen voor het imperialistische karakter van de islam. Waar elke bidruimte, moskee, hoofddoek of begraafplaats een zegepraal is; territorium dat nooit meer zal worden opgegeven aan de minderwaardige kaffir.

Maar pas werkelijk ziek is het gelijkstellen van het lot van de Joden in de holocaust met het brede volksverzet tegen de islamisering. De shoa is een volstrekt dieptepunt in de geschiedenis: de industriële vernietiging van een totaal volk. Elke vergelijking holt dat unieke karakter uit en reduceert de herinnering aan de zes miljoen tot een goedkope speelbal in een vrijblijvend debat.

De derde onzinvergelijking is dat de Harry de Winters van deze wereld steeds aankomen met andere heilige boeken waar ook dubieuze dingen in zouden staan. Zo van: ‘kijk eens in Leviticus’.

Al die pseudo-intellectuelen weigeren echter oog te hebben voor deze keiharde waarheid: dat de Koran het zeer letterlijke woord van Allah is, en via Mohammed op aarde gekomen. Plus dat Mohammed de perfecte mens is. Die twee zaken maken het onmogelijk voor de ware moslim ooit afstand te nemen van de Koran of het verwerpelijke gedrag van Mohammed.

Geluk bij een ongeluk is dan dat veel moslims hun eigen ideologie onvoldoende kennen, bijvoorbeeld omdat ze geen Arabisch spreken of de Koran niet lezen. Dat is (voorlopig!) ons voordeel en geeft ons de tijd tegenmaatregelen te nemen. Nu het nog kan. Daarbij is het belangrijk een verschil te maken tussen de islam en moslims. Ons probleem ligt bij de ideologie, niet bij de mensen.

Binnenkort wordt de film Fitna gelanceerd. Die film gaat niet zozeer over moslims, maar over de Koran en de islam. De islamitische ideologie heeft als hoogste doel het kapot maken wat ons het meest dierbaar is: onze vrijheid.

Het ‘weldenkend’ deel der natie weigert trots te zijn op wat onze voorouders hebben opgebouwd en waar zwaar voor is geofferd. Hun morele relativisme is zover doorgeslagen dat zij bereid zijn ons voortbestaan in de waagschaal te stellen om maar te bewijzen dat alle culturen gelijk zijn en dat de islam ‘gewoon’ een godsdienst is. Democratie of sharia, het maakt ze niet uit. Anders discrimineer je en ben je een racist.

Fitna is de laatste waarschuwing voor het Westen. Of we kiezen ervoor onze vrijheid door te geven aan de kinderen van Nederland, of we laten onze vrijheid afzinken in het multiculturele moeras en staan de verdere groei van de islamitische ideologie toe. Dat is geen lingo die populair is bij het ‘weldenkend’ deel der natie. Maar populariteit in de grachtengordel of in het mediapark is nooit ons doel geweest. Wij hebben een andere verantwoordelijkheid.

Het gevecht voor de vrijheid is nog maar net begonnen.

Geert Wilders en Martin Bosma zijn voorzitter en lid van de Tweede Kamerfractie van de PVV.

Islam is het probleem, niet de moslims – Binnenland – de Volkskrant
De islam is een politieke ideologie die streeft naar wereldheerschappij en die het Westen bedreigt, betogen Geert Wilders en Martin Bosma.

SP-sympathisant Harry de Winter verdiende miljoenen met het tv-spelletje Lingo. De lingo die hij maandag op de voorpagina van de Volkskrant deponeerde, is ronduit verwerpelijk. Eigenlijk adverteerde hij vooral zijn eigen onnozelheid.

Het zou niet belangrijk zijn daarop te reageren, ware het niet dat zijn redeneertrant kenmerkend is voor de progressieve elite. Wat De Winter schrijft vertolkt de mening van de linkse grachtengordel, het mediapark in Hilversum en de biotoop aan het Binnenhof in Den Haag.

Althans, hun mening in het openbaar. Wij zijn ervan overtuigd dat de bovenonsgestelden wel degelijk aanvoelen dat er iets fundamenteel mis is met de islam. Dat deze zogenaamde godsdienst een bedreiging is. Maar politiek-correcte groepsdwang of ontkenning van de werkelijkheid verhindert hen het beestje bij de naam te noemen.

Om aan die innerlijke verwarring een einde te maken, komen de Geert Maks, Clairy Polakken en Doekle Terpstra’s met vergelijkingen die het probleem moeten weg-veralgemeniseren. ‘Er is in elke godsdienst wel iets mis’, of ‘vroeger droegen vrouwen in Nederland ook hoofddoekjes’ of ‘de kruistochten waren ook heel erg’ of ‘Staphorst!’.

Allemaal drogredeneringen die ons afhouden van de realiteit: de islam is uniek. Onvergelijkbaar en zeker niet te vatten in westerse begrippen. Als we dat niet begrijpen, wacht ons een donkere toekomst.

Some personal considerations »

[8 Aug 2007 | No Comment | 26 views]

Geert Wilders wil graag de Koran verbieden en laat daarmee precies zien waarom hij de verkeerde man op de verkeerde plaats is (en niet voor het eerst) Zelfs als je van mening bent dat er iets fundamenteel mis is met de islam en dat dat te vinden is in de Koran, is het verbieden ervan het paard achter de wagen spannen. Ik laat even argumenten als dat hij met twee maten zou meten achterwege. Het gaat er mij om dat zijn punt inhoudelijk volslagen belachelijk is en eigenlijk nogal laf.

Het begint al met het citaat van Fallaci dat hij gebruikt:

‘Een gematigde islam bestaat niet. Het bestaat niet, omdat er geen onderscheid is tussen Goede islam en Slechte islam. Er is islam, en daar houdt het mee op. En islam is de Koran, en niets dan de Koran. En de Koran is het Mein Kampf van een religie die beoogt anderen te elimineren, die die anderen – niet-moslims – ongelovige honden noemt, inferieure wezens. Lees de Koran, dat Mein Kampf, nog eens. In welke versie dan ook, je zult zien dat al het kwade dat de zoons van Allah tegen ons en henzelf begaan, uit dat boek afkomstig is (Oriana Fallaci, The Force of Reason, post-script, pag. 305, februari 2006).’

Allereerst is de islam niet de Koran en de islam is veel meer dan alleen de Koran. Naast de Koran beschouwt het grootste deel van de moslims de hadith (de overleveringen van de profeet) ook als een schriftelijke bron van de islam. Verhalen over de profeet Mohammed als voorbeeld (de soenna) zijn ook te zien als bron van de islam. De islam bestaat echter niet alleen uit geschriften, maar ook nog eens uit een repertoire van praktijken (zoals bidden, vasten, dragen van bepaalde kleding, enz.) en religieuze ervaringen (het contact met Allah).

Nu zijn er genoeg daden van moslims gericht tegen niet-moslims, maar komen lang niet allemaal voort uit de Koran. Fallaci doelt onder meer op de jihad, maar de jihad-doctrine van iemand als Bin Laden wordt door de meeste islamkenners, zoals Bernard Lewis (toch ook niet onbekend bij Wilders), gezien als een verdraaiing van de aloude tradities.

Wilders negeert dat alles echter en stelt:

De kern van het probleem is de fascistische islam, de zieke ideologie van Allah en Mohammed zoals neergelegd in de islamitische Mein Kampf: de Koran. De teksten uit de Koran laten weinig aan de verbeelding over.

In verschillende soera’s worden moslims opgeroepen joden, christenen, andersgelovigen en niet-gelovigen te onderdrukken, vervolgen of vermoorden, vrouwen te slaan en te verkrachten en met geweld een wereldwijde islamitische staat te vestigen. Soera’s te over die moslims oproepen en aanzetten tot dood en verderf.

Wat Wilders (en ook Fallacci) doet is aangeven dat bepaalde vertogen of discoursen (zoals neergelegd in de Koran) leiden tot een bepaald gedrag. Hij lijkt er daarbij vanuit te gaan dat discursieve formaties hun eigen logica en kracht hebben. De conclusie is dan logischerwijze dat mensen voortdurend gedreven worden door deze vertogen en dat zij deze vertogen continu reproduceren. Deze vertogen vormen een essentieel kenmerk van de groep waar deze mensen deel van uit zouden maken.

Dat een dergelijke analyse volslagen onzinnig is, blijkt uit het feit dat Wilders geen antwoord kan geven op twee vragen.

Ten eerste als de Koran inderdaad zou leiden tot geweld of maakt dat mensen meer geneigd zouden zijn tot geweld, hoe kan hij dan verklaren waarom er zulke variaties zijn in het geweld waarbij moslims betrokken zijn? Het geweld in Afghanistan, de Palestijnse gebieden is toch echt van een andere aard dan de recentelijke mishandeling van Jami.

Ten tweede is de islam, waaronder de Koran, niet alleen gericht op geweld, maar bevat ook spirituele, politieke, juridische en sociale aspecten (zeker als we de Shari’a erbij betrekken). Soms zijn deze aspecten vreemd aan wat we zo graag beschouwen als de Westerse cultuur (positie van vrouwen, integriteit van het lichaam, geloofsvrijheid), maar lang niet altijd. Een discursieve formatie is derhalve veel rijker en complexer dan Wilders suggereert. Hoe kan hij dan tot de conclusie komen dat zo’n complex geheel per definitie aanzet tot geweld als met hetzelfde gemak kan worden gesteld dat het moet leiden tot vreedzaam samenleven:

Soera 109, Kafiroen:
Zeg: O, gij, ongelovigen. Ik aanbid niet, wat gij aanbidt. Noch wil ik aanbidden, wat gij aanbidt. Nogmaals, gij wilt niet aanbidden wat ik aanbid, derhalve voor u uw godsdienst en voor mij mijn godsdienst.’

Natuurlijk spelen de Koran andere schriftelijke elementen van de islamitische tradities wel een rol in bepaalde processen onder moslims. De rol van religieuze en politieke leiders is daarbij cruciaal. De Koran, hadith enzovoorts kunnen worden gebruikt door leiders om hun acties te legitimeren en kunnen bronnen zijn voor langdurige, vaak onbewuste, voorkeuren en opinies zoals afgunst, arrogantie, argwaan en intolerantie in de richting van buitenstaanders. De daadwerkelijke religieuze, maatschappelijke en politieke posities en opvattingen van mensen worden echter niet alleen bepaald door, in dit geval, religieuze vertogen. De maatschappelijke positie van migrantenvrouwen in Nederland (waaronder veel moslimvrouwen) bijvoorbeeld wordt mede bepaald door het feit dat ze vaak afhankelijk zijn van hun mannen voor hun verblijfsvergunning. Een vrouw uit Marokko bijvoorbeeld die trouwt met een man in Nederland is voor haar legale status afhankelijk van haar man (hetzelfde geldt voor mannen die trouwen met een vrouw uit Nederland, maar voor hen is dit vaak minder problematisch).

Dit alles betekent dat mensen weliswaar beïnvloed worden door vertogen, maar dat hun positie ook wordt bepaald door andere factoren en dat religieuze en politieke leiders daar een grote rol bij spelen. Daarbij zijn mensen geen passieve consumenten van die vertogen, maar deze vertogen worden actief geïnterpreteerd en eigen gemaakt. In dit proces van bemiddeling en overdracht worden vertogen altijd geproduceerd en gereproduceerd. Hierdoor verandert de oorspronkelijke boodschap altijd omdat dergelijke vertogen toegepast en zinvol moeten worden gemaakt aan de huidige politieke, religieuze, sociale, economische en politieke omstandigheden.

Als Wilders echt serieus de problemen zou willen aanpakken zou hij moeten komen met een sterke analyse van de rol van religieuze en politieke leiders en van de wijze waarop mensen islamitische tradities in verschillende contexten gebruiken, reproduceren en veranderen. Waarom sommige vertogen dominant worden terwijl andere naar de achtergrond lijken te verdwijnen. Aandacht voor de talloze manieren waarop bijvoorbeeld vrouwen zichzelf proberen te emanciperen door de islam (en daarbuiten). Dat zal duidelijk maken dat er tussen verschillende groepen moslims (en niet-moslims) altijd een machtsbalans is. Mensen moeten altijd onderhandelen over de definitie en interpretatie van ideeen, praktijken en ervaringen die een bepaalde religie of identiteit vormen. Religie en identiteit zijn voortdurend onderwerpen van onderhandeling. Een politiek op basis van een dergelijke analyse zou veel meer zoden aan de dijk zetten, maar is wel veel ingewikkelder. Ook veel confronterender aangezien men ook moet kijken naar de eigen samenleving en het functioneren van niet-moslims, bijvoorbeeld naar de wijze waarop de Nederlandse wetgeving vrouwen in een afhankelijke positie houdt. Alleen wanneer men die ook in ogenschouw neemt kunnen structuren die vrouwen (of andere groepen) in een ondergeschikte en kwetsbare positie houden, aangepakt worden. Dat is echter geen makkelijke boodschap; het vereist zelfinzicht en zelfkritiek. Wat Wilders nu doet is kiezen voor de ‘easy way out’ en eigenlijk nogal laf.

Geert Wilders wil graag de Koran verbieden en laat daarmee precies zien waarom hij de verkeerde man op de verkeerde plaats is (en niet voor het eerst) Zelfs als je van mening bent dat er iets fundamenteel mis is met de islam en dat dat te vinden is in de Koran, is het verbieden ervan het paard achter de wagen spannen. Ik laat even argumenten als dat hij met twee maten zou meten achterwege. Het gaat er mij om dat zijn punt inhoudelijk volslagen belachelijk is en eigenlijk nogal laf.