Er is een potentie goed nieuws vanuit het PVV-front voor allochtonen. De PVV (gesteund door de VVD) wil namelijk exact weten hoeveel geld allochtonen de staat kosten en hoeveel ze opleveren. Dit betekent dus dat als deze kosten-baten analyse voor het verleden en de toekomst positief uitvalt, de PVV een groot deel van haar bezwaren tegen migratie en allochtonen laat vallen.

Het idee is bepaald niet nieuw. Jaren geleden deed Pieter Lakeman al zo’n soortgelijke analyse in een zeldzaam vertoont stukje pseudo-wetenschappelijke goochelarij. Volgens Lakeman koste migratie ‘ons’ zo’n 70 miljard gulden; zo’n 32 miljard euro. Lees zijn boek Binnen zonder kloppen vooral en let op de onderbouwing van zijn cijfers. Het is niet duidelijk waarom hij bepaalde posten wel meeneemt en anderen weer niet en of de kosten van migratie als gevolg van dekolonisatie ook meetellen is eveneens onduidelijk. Het is onduidelijk waarom hij bij de economische bijdrage van migranten alleen het inkomen laat tellen dus ook de baten blijven vaag.

In het buitenland bestaat inmiddels bijna een traditie aan (wel) wetenschappelijke onderzoeken naar de fiscal impact van migratie. In Nederland heeft het CPB hier eerder onderzoek naar gedaan en gepresenteerd in de studie Immigration and the Dutch Economy. Al eerder publiceerde het CPB Hoe meer zielen, hoe minder vreugd. Wilders’ eerdere claim dat het 100 miljard kost (als je dat al meent te weten, waarom dan nog een onderzoek eigenlijk?) komt ook niet uit de lucht vallen zoals ik al eerder liet zien naar aanleiding van zijn bizarre speech in Denemarken (en willen journalisten die dit punt gebruiken, voortaan gewoon aan bronvermelding doen!?):
C L O S E R » Blog Archive » Geert wilders in Denmark

1. The 100 billion euro costs of migration is based upon a report that can be read HERE. The report estimates the costs of migration (among things) based upon constructed profiles in which the profiles of future migrants is based upon the age profiles of native citizens and socio-economic characteristics of current migrants p. 68-72):

Figure 4.4 also provides the opportunity to assess the effects of the immigration of families. A few examples are worked out here. The first is a family with a husband and wife aged 25 and the characteristics of the non-Western immigrants. The family has two children, aged 0 and 5, whose characteristics correspond to the average of those the Dutch and non-Western residents. It can be calculated from the data in figure 4.4 that the family carries a negative net contribution of 230,000 Euros (minus 43,ooo Euros for each of both parents and minus 68,000 Euros for the 0 year old child and minus 76,000 Euros for the 5 year old child) and thus forms a substantial burden to public finances. Even if the parents have the average of the non-Western and Dutch characteristics, and the children have the ‘Dutch’ characteristics the total lifetime contribution is negative (minus 48,000 Euros). A positive contribution requires that the social and economic characteristics of the family of immigrants almost fully equal those of the average Dutch residents. If all members of the family have the Dutch characteristics the total lifetime contribution amounts to 76,000 Euros, and if the parents are ‘highly performing’, the contribution rises to 226,000 Euros.

This means that in the most negative scenario the future costs of migration will be 230,000 euro for every non-western household. It does not say it pertains to current migrants and if we can come with that conclusion. Even if that would be the case, which it isn’t, Wilders takes the most negative contribution (minus 230,000) euros and extrapolates that to existing non-western households in the Netherlands. But also here he is sloppy: there are 224,500 of these households. Let’s include the households with one non-Western partner (85,000) that the total number becomes 309,000. 230,000 * 309,000 = 71,070,000,000. This is still considerably less than 100 billion. And I probably don’t even have to mention that not all of these people in the non-western category are Muslims.

Meten is weten lijkt het adagium te zijn, maar schijn bedriegt natuurlijk. Want wat ga je precies meten? De kosten van de opleiding van migranten? Inburgeringscursussen? Inkomsten aan belasting en accijnzen? En (hoe) houd je rekening met verschillen in leeftijdsopbouw van verschillende groepen? Allochtonen zijn gemiddeld wat jonger dan autochtonen en dat kan wel eens een verschil in kosten opleveren, maar ook een verschil in potentiële baten. Houd je rekening met feit dat veel eerste generatie migranten hier weliswaar jaren gewerkt hebben, maar geen volledige pensioenrechten hebben opgebouwd en dan dus relatief goedkoper zijn geweest? Hoe verwerk je het gegeven dat migranten die hier binnenkomen soms gelijk aan het werk kunnen; wel arbeidskrachten zonder dat je hebt te hoeven investeren in hun opleiding? Houd je rekening met de kosten wanneer zij er niet meer zouden zijn? En als er een bepaald positief of negatief saldo uitkomt, wat zegt dat dan? Dan moet je eerst bepalen wat de vergelijkingsgroep is. Meten is weten is dus nog helemaal niet zo evident, maar het venijn zit ‘m nog ergens anders dan in bovenstaande punten die anderen ook al aangehaald hebben. Het venijn zit ‘m in de term allochtoon en de geschiedenis ervan. Met de term allochtoon worden over het algemeen niet-westerse migranten en hun nakomelingen bedoeld, meer in het bijzonder Marokkaanse, Turkse, Surinaamse, Antilliaanse, Afrikaanse en Aziatische Nederlanders. Zeg maar iedereen die niet blank is.Allochtoon (persoon) – Wikipedia

Het begrip werd in 1971 geïntroduceerd door de sociologe Hilda Verwey-Jonker in een rapport voor het Nederlandse ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM), ter vervanging van het tot dan toe gangbare woord immigrant. Feitelijk was het bedoeld als eufemisme. De termen ‘allochtoon’ en ‘autochtoon’ bestaan overigens al veel langer in het Nederlands, voor 1954 werden ze gespeld als ‘allochthoon’ en ‘autochthoon’. Ook in de biologie en geologie worden ze gebruikt om in- of uitheemse planten, dieren of verschijnselen mee te duiden. Nog in de jaren zeventig kon bijvoorbeeld een persoon uit Den Bosch die enkele kilometers verderop naar Sint-Michielsgestel verhuisde daar als allochtoon gezien worden.

Inmiddels heeft het woord ‘allochtoon’ ook een pejoratieve lading. In 2006 werd er zelfs een voorstel werd gedaan door de fractie van de PvdA in de Amsterdamse gemeenteraad, om het gebruik van de term ‘allochtoon’ in officiële stukken te verbieden. Bij gebrek aan een alternatief bleek dit niet haalbaar. Dit woord is dus een voorbeeld van een eufemismetredmolen. In februari 2008 suggereerde minister van justitie Ernst Hirsch Ballin ook maar weer eens dat de term allochtoon afgeschaft moest worden, maar kreeg direct veel kritiek over zich heen, vanwege het immers reeds lang bekende tredmoleneffect.

Kijken we naar het beleid dan is de term allochtoon gereserveerd voor die groepen die als problematisch worden beschouwd in culturele of sociaal-economische termen. Die problematiek was aanleiding om er beleid voor te bedenken; aanvankelijk etnische minderhedenbeleid en later allochtonenbeleid. Hiermee schept de staat dus een aparte categorie en een apart label voor migranten die als problematisch worden aangemerkt. Men is geen allochtoon van geboorte, maar omdat men zo aangemerkt wordt en men wordt zo aangemerkt omdat men (of de ouders) buiten Nederland afkomstig zijn en als probleem gezien wordt. En dan gaat men nu proberen vast te stellen hoeveel deze categorie ‘ons’ kost? Maar het hele punt was toch al dat deze categorie een probleem was/is? Anders was dat hele beleid niet nodig en ook die hele term niet. Een cirkelredenering in progress zou je kunnen zeggen. Tsja…zo lust ik er nog wel een paar.