Foto via @ehsanjami1985 in Den Haag

Zo’n rechtszaak als die tegen Wilders (of welke dan ook) is te zien als een soort van ritueel; verschillende spelers nemen deel aan een juridische dans die een bepaalde gestandaardiseerde vorm kent met voortdurende herhalingen en die een soort integratieve functie heeft. Complexe conflicten worden geritualiseerd: in een rechtszaak tot een oplossing gebracht waar alle partijen zich bij neer dienen te leggen. Alle deelnemers verbinden zich om op een bepaalde manier hun conflict naar voren te brengen (geformaliseerd gedrag; en als je je daar niet helemaal aanhoudt zoals de burgerlijke partijen met Enait e.a. dan wordt je op z’n minst geridiculiseerd of het leidt zelfs tot wraking van de rechters) in een aanklacht en een verdediging (de basistegenstellingen) zoals altijd wordt gedaan ook in andere rechtszaken (herhaling) die plaatsvinden in een specifieke plaats en een specifieke opeenvolging van fases kennen door middel van het voorlezen van de aanklacht, openingspleidooi, repliek, slotpleidooi enzovoorts (herordenen van tijd en plaats) en door bijvoorbeeld een duidelijke scheiding aan te brengen in de tafels van de officier en rechters en specifieke kledij voor de professionals (gebruik van symbolische praktijken). Op die manier wordt het grotere conflict ook gemaskeerd en van de scherpe kantjes ontdaan. Op een rituele manier wordt daarom de bestaande sociale orde genaturaliseerd: zo doen we de dingen hier, daar liggen de grenzen en bepaalde personen staan in hun recht en anderen niet en bepaalde rechten en plichten gaan boven andere. In die zin is een ritueel gericht op het bereiken en bevestigen van maatschappelijke consensus en hiërarchie.

Niettemin alle rituelen hebben ook een disintegratieve functie; één die meer te maken heeft met tweespalt dan met consensus. De heftige discussies over de nut, noodzaak en wenselijkheid van het proces tegen Wilders laten dat ook zien; is het een politiek proces? Wordt de vrijheid van meningsuiting bedreigd? We zouden een vergelijking kunnen maken met de rechtszaak tegen OJ Simpson in de VS. Die bittere rechtszaak vestigde eerder de aandacht op een onderliggend probleem (de relaties tussen blank en zwart) dan dat het sociale vrede bracht. Dat is natuurlijk ook het geval bij Wilders. Het gaat daarbij deels om het conflict over de islam in de samenleving, de status van islam en meer in het algemeen ook de positie van religie in de samenleving. Niet voor niets dat het OM waarschijnlijk weinig zin had in de zaak en dat ook Wilders’ tegenstanders er juist voor vreesden dat het conflicten zou aanwakkeren.

Niettemin de deelname aan het ritueel zelf heeft al zo’n normbevestigende en integratieve rol; conflicten worden opgelost via het recht en niet via geweld, dreigementen, enzovoorts. In die zin was de rechtszaak dus helemaal niet zo slecht; links Nederland, moslim Nederland en rechts Nederland nam gezamenlijk deel aan een ritueel waarbij men zich van te voren verbond aan de uitspraak en de procedure. Er zijn in dit land wel eens problemen op een andere beslecht. In plaats van een lijk ligt er nu dus een uitspraak van een rechter die helder is, maar niettemin ook toch wel wat vraagtekens oproept. De rechter plaatst terecht de uitspraken van Wilders in de context; van de specifieke artikelen en lezingen en in die van het maatschappelijk en politiek debat in het geheel. Dat laatste brengt echter wel een specifiek probleem met zich mee: Wilders is immers één van de aanjagers van dat debat en zet met zijn harde toon en hele en halve leugens de agenda van het debat. Zo vergelijkt Wilders islam met fascisme en communisme en stelt dat we er ook op dezelfde manier mee om moeten gaan. Helaas hebben ‘we’ het fascisme en communisme niet (alleen) verslagen door thee te drinken met fascisten en communisten, maar (ook) door geweld. Een dergelijke uitspraak is wel degelijk te zien als een oproep tot geweld, weliswaar op indirecte wijze en andere uitspraken liggen op z’n minst gevaarlijk dicht tegen racisme aan.

Eén van de resultaten van dit ritueel is nu ook dat politici getransformeerd zijn tot een soort van heilige functionarissen die de voorhoede vormen van het maatschappelijk debat, die de kern vormen van dat maatschappelijk debat en er ook nog eens door beschermd worden. Op deze manier kunnen zij het hele proces van betekenisgeving op nationaal niveau domineren en beschermen zij en vestigen zij hun positie als gezaghebbende figuren. Zij praten niet namens zichzelf en wellicht niet eens namens hun partij; nee namens het hele volk en de vrijheid van meningsuiting. Het hele idee is dat dit altijd al een normale gang van zaken is (zij zijn ‘immers’ de stem van het volk en die is cruciaal in een democratie). De betekenis die Wilders gaf aan het proces, een aanval op de vrijheid van meningsuiting, is een voorbeeld van het creëren van een mythe. Niet in de zin van iets dat niet bestaat, maar een mythe in de zin van zo zijn de dingen, zo zijn we hier gekomen en dit is de betekenis. In het geval van Wilders gaat om een mythe die ertoe bijdraagt dat zijn positie als vertegenwoordiger van het volk voorop staat (en niet als ordinaire damschreeuwer)  en ons verblindt voor het feit dat voor hem dat volk bestaat uit de blanke niet-islamitische Henk en Ingrid. Of ons zicht wegneemt op het gegeven  dat hij de belangen van Israël verdedigd (in zijn optiek althans). Of alleen zijn eigen positie. Voor de politici aan de andere kant in het proces, zoals Mohammed Rabbae, kan een soortgelijke analyse gemaakt worden natuurlijk; ook zij creeeren mythes als strijders tegen racisme en haat. In een mythe worden betekenissen naar voren geschoven en krijgen personen een eigen rol toegewezen. Dat er andere interpretaties mogelijk zijn blijft buiten beschouwing. Een heel ander perspectief op politici is namelijk dat zij vanwege hun positie juist terughoudend moeten zijn in hun taalgebruik want zij spreken niet namens het volk, maar het volk volgt hen. Of door de toenemende personalisering van de politiek (waarbij de persoon van politici belangrijker wordt en sommige een echte celebrity status krijgen) spreken zij niet namens het volk maar vooral namens zichzelf en hun eigen status.

Hoewel een ritueel dus bepaalde integratieve elementen heeft, creëert en legitimeert het dus ook een hiërarchische orde in de samenleving zoals nu met de politici die een speciale status hebben gekregen. Waar aan de ene kant de politici een bijna heilige positie hebben gekregen, is de positie van linkse en islamitische organisaties die het proces wilden enorm gelegitimeerd. Deels door hun opmerkelijke optredens tijdens de rechtszaak, maar zeker ook omdat men de rechtszaak überhaupt wilde. Nu denk ik niet dat een juridisering van politiek een oplossing is voor de samenleving en voor de politieke conflicten daarin, maar die kritiek op hun rechtsgang wringt ook een beetje. Het is immers hun goed recht om deel te nemen aan dergelijke processen en ze te initiëren als men vindt dat het politieke debat buiten alle proporties is. Of is het conflict tussen links en rechts en moslims en niet-moslims inmiddels zo scherp geworden dat we een partij vragen af te zien van hun recht?

Met name voor moslims komt daar nog iets anders bij (ook al waren velen tegen dit proces zo heb ik gemerkt). Na de kalme reactie van moslims op Fitna stelde Hirsi Ali dat provoceren had gewerkt; zonder te provoceren hadden moslims nooit hun lesje geleerd. Ook politici prezen de moslims voor hun kalme reactie. Inderdaad men had zo goed als niets gedaan om Fitna tegen te houden en zich vooral toegelegd op het rustig houden van de achterban. Maar als moslims nu wel eens hun politieke stem willen laten horen omdat men genoeg heeft van de beledigingen? Is dat dan een teken van integratie of juist niet? En als men dat via de democratische weg doet? Het lijkt er momenteel vooral op dat het anti-radicaliseringsbeleid en het integratiebeleid er vooral op gericht zijn dat moslims zich koest houden. Dat verklaart misschien ook de opvallende afwezigheid van enige bespiegelingen over politieke participatie van moslims in de recente integratienotitie van Donner, zoals hoogleraar Jean Tillie recent al opmerkte. Bijzonder in dit verband is ook het optreden van het OM; eigenlijk de grote dissonant in het hele ritueel. Eerst maakt de politie het makkelijk voor mensen om aangifte te doen naar aanleiding van Fitna. Dat is al vreemd; men wist immers niet eens wat er in die film zat. Ook dat wekt de suggestie dat men vooral wil dat moslims zich koest houden (en daarmee het onterechte beeld versterkend dat moslims in Nederland voortdurend boos over straat gaan); ditmaal via de juridische weg. Vervolgens snijdt men echter de gang naar de rechter af door de aangiften te seponeren. En wanneer men dan toch moet, vraagt men om vrijspraak. Van de kritische houding die de rechter aannam was bij het OM nauwelijks nog iets te bespeuren. Kritiek op het OM was daarbij tijdens de rechtszaak niet toegestaan. Het OM versterkt daarmee de aantijging dat men vooral politiek bezig was; eerst door aangifte makkelijk te maken (tegen Wilders) en vervolgens door geen serieuze rol te spelen in het proces (en daarmee eigenlijk de rol van benadeelde partijen onmogelijk te maken).

Dat wil niet natuurlijk zeggen dat met een andere rol van het OM de uitspraak anders geweest zou zijn. Het is gewoon heel moeilijk om iemand te veroordelen op basis van zijn/haar eigen mening. En niet alleen in Nederland. In Spanje werden recent twee boekhandelaren vrijgesproken die racistische en anti-semitische literatuur verkochten. In Australië werd een christelijk kerkgenootschap vrijgesproken van ‘religious vilification’ van moslims (waarbij er volgens mij later nog wel een bemiddeling plaatsvond). En juist de beschuldigingen dat het een politiek proces is (pro of anti Wilders) maakt het punt sterk dat je geen politieke debatten moet verplaatsen naar de rechtszaak; dat is alsof je twee rituelen die niet bij elkaar horen gaat vermengen. Dat kan, maar dat vraagt om onvoorziene en wellicht zelfs averechtse effecten. Strafrecht lijkt met andere woorden gewoon niet de meest handige methode om haatuitingen aan banden te leggen; ook al is het door de uitspraak wel degelijk helder dat er grenzen zijn en dat er niet zoiets bestaat als een absoluut recht op vrijheid van meningsuiting. Ik vind het afschaffen van de wetgeving daaromtrent overigens ook niet zo’n goed idee; de geschiedenis heeft geleerd wat de kracht van woorden kan zijn en dat is ook precies de reden dat Europa dergelijke wetgeving heeft (en wellicht daarom ook gevoeliger is voor anti-semitische haat?). Daarbij maakt de huidige wetgeving politiek debat helemaal niet onmogelijk; de laatste jaren is er immers gewoon een keihard debat geweest en de uitspraak heeft nog eens bevestigd dat dit mogelijk is. Niettemin is de wetgeving gebaseerd op het beschermen van minderheden tegen haatspraak door de meerderheid (ook al werkt het in de praktijk breder). Dat werkt dus amper en misschien is het tijd voor minister Donner om toch maar eens een paragraaf over politieke participatie van minderheden op te nemen in integratienotitie met daarin serieuze plannen voor het verbeteren van en vergroten van politieke participatie van moslims.

Daarbij bedoel ik niet het volgende:
Sheikh Fawaz over oordeel rechtbank

“Maar ja, aan de andere kant zet de rechtbank met dit oordeel de deuren wijd open voor provocaties. Een uitgelezen kans voor ons om daar ‘dankbaar’ gebruik van te maken. Oog om oog, tand om tand, provocatie om provocatie en haatzaaierij om haatzaaierij.”

Maar met dit is niks mis mee:

Verder heeft Sheikh Fawaz in zijn preek een oproep gedaan aan de moslimjongeren om zich klaar te maken voor het bieden van een weerwoord. Hij heeft ze geadviseerd om in navolging van de jongeren in de Arabische wereld de websites, Facebook en Twitter op te zoeken om hun ongenoegen hierover te uiten. Om maatschappelijke druk uit te oefenen op de overheid en onze rechten vreedzaam af te dwingen. De Sheikh voegde daaraan toe dat wij moeten laten zien dat onze gemeenschap het schofferen van ons geloof niet langer zal tolereren.

Met andere woorden zoals een Britse collega van mij recent stelde: ‘in plaats van een beperking van de meningsuiting voor de dominante groep een stimulans voor de meningsuiting van de minderheden.’