Op zaterdag 31 januari had ik,samen met imam Azzedine Karat van de Essalam moskee in Rotterdam, de eer een lezing te mogen geven in Islamitisch Centrum Imam Malik. Dit is de volledige tekst.

Radicalisering staat volop in de belangstelling, maar wat bedoelen we er eigenlijk mee en wat weten we nu? En wat betekenen die bevindingen nu voor wat we kunnen zeggen over motieven van Syriëgangers?

Wat is het?
Radicalisering en terrorisme worden weliswaar vaak met elkaar verbonden, maar in beleid ook uit elkaar getrokken zonder dat overigens duidelijk is wat men nu eigenlijk onder radicalisering verstaat. Radicaal is een term die ontleend is aan het Franse radical en heeft door de eeuwen heen een ontwikkeling doorgemaakt in betekenis variërend van ‘grondig’ en ‘totaal’ tot meer politieke betekenissen in de 18e en 19e eeuw zoals ‘ingrijpend’, ‘bij de wortel’, ‘voor zeer ingrijpende hervormingen’ en ‘fundamenteel’. In de politiek vinden we term terug bij de Radicale Bond (1892-1901; een voorloper van de VVD) en de Politieke Partij Radicalen (PPR) (1968-1990; opgegaan in GroenLinks).

In een inmiddels klassiek artikel uit 1963 ziet Bittner radicalisme als een psychologisch verschijnsel waarbij een allesomvattende en compromisloze wereldbeschouwing mensen ertoe drijft om alles wat men als slecht ziet, te vervangen door alles dat men als goed ziet. Een meer sociologisch begrip ziet radicalen als mensen die institutionele veranderingen in de samenleving willen bereiken. Door de tijd heen zijn er veel meer definities bijgekomen, maar wat de meeste definities gemeen hebben is dat radicalisering een concept is waarmee onderzoekers en beleidsmakers proberen te verklaren hoe iemand een terrorist wordt. Van daaruit probeert men vervolgens aanknopingspunten te vinden voor preventie-maatregelen.

De termen radicaal, radicalisering en radicalisme zijn in de academische literatuur onder meer gebruikt om vormen van revolutionair populisme aan te duiden. Ook worden ze gebruikt in de betekenis van ‘ultra’, ‘extreem’ en ‘militant’ in opvattingen en/of gedragingen. Radicalisering is dan een proces waarbij ‘gematigden’ steeds meer geneigd zijn om geweld te gebruiken. Wanneer de focus ligt op politiek gedachtegoed dan wordt de term radicaal ook gebruikt om een vorm van hyperbewustzijn voor politieke kwesties aan te duiden die gepaard gaat met irrationele gedachten en handelingen, eventueel leidend tot het gebruik van geweld.

Een probleem bij het definiëren van radicalisme is dat dit zo contextafhankelijk is. Wat nu radicaal in Nederland is (het publiekelijk afwijzen van homoseksualiteit bijvoorbeeld) was dat 40 jaar geleden niet en wat in China radicaal is (bijvoorbeeld streven naar parlementaire democratie met open en vrije verkiezingen) is dat hier niet. Dat hoeft echter geen probleem te zijn. Integendeel, het wijst er juist op dat bij het classificeren van fenomenen als radicaal ook de politieke en culturele context in ogenschouw moet worden genomen. Daarbij horen ook die groepen en instituties die de maatschappelijke status quo willen bewaren. Uiteindelijk is het namelijk de staat en de politieke elite die bepaalt wie en wat radicaal is en wat de gepaste reactie daarop is.

In mijn eigen onderzoek, dat op zich niet uitgaat van een radicaliseringsperspectief, vermijd ik de term liever, maar als ik hem toch gebruik dan met deze definitie: Radicalisering is een proces waarbij groepen en/of individuen zich in woord en/of handelingen verwijderen van / keren tegen de bestaande waarden, arrangementen en instituties zoals die door de politieke elites worden beschermd.

Dat betekent dus ook dat handelingen en ideeën van mensen gelijk kunnen blijven, maar naar verloop van tijd toch als radicaal worden bestempeld omdat de maatschappelijke consensus erover verandert. Dit is van belang voor het thema radicalisering in relatie tot islam. Het gebruik van de term ‘radicaal’ (en varianten daarop) in relatie tot moslims, islam en (dreiging van) geweld, is niet los te zien van het publieke debat over islam. Zoals Vellenga en De Graaf laten zien is het debat over islam als maatschappelijk verschijnsel na 9/11 steeds meer een debat geworden over geweld en gevaar voor de sociale cohesie in de samenleving. Daarbij worden vooral religieus-orthodoxe uitingsvormingen (bijvoorbeeld uitspraken over homoseksualiteit, kleding zoals de gezichtssluier, preken van imams) gecategoriseerd als een veiligheidsprobleem. Diverse overheidsdiensten gingen zich na 9/11 steeds meer richten op radicalisering: verschijnselen van religieuze orthodoxie die de democratische rechtsorde en sociale cohesie zouden ondermijnen.

Deze ontwikkeling, zo stelt De Graaf, begon in 1998 toen de BVD (later AIVD) waarschuwde tegen de opkomst van een politieke islam. Aanvankelijk was de dienst daarbij nog redelijk terughoudend vergeleken met de periode van na 2004 en waarschuwde zelfs tegen een te vergaande securitisering: de reductie van islam tot veiligheidsthema en het reduceren van veiligheid tot een thema dat gaat over islam en moslims. Na de aanslagen van 2004 in Madrid en mede onder invloed van de beweging van Pim Fortuyn zag men niet alleen meer een dreiging in terrorisme, maar ook in radicalisering. Daarbij werden steeds meer diensten van de overheid betrokken in de strijd tegen radicalisering en werd het immigratie- en integratiebeleid ondergeschikt gemaakt aan het veiligheidsbeleid. Er kwamen allerlei programma’s die radicalisering vroegtijdig moesten herkennen en signaleren, mede aan de hand van opvallend religieus orthodox gedrag (zoals de weigering om handen te schudden en het dragen van een gezichtssluier).

Op deze manier wordt in het anti-radicaliseringsbeleid indirect een verband gemaakt tussen islam en specifiek gedrag en wordt een relatie gelegd tussen (‘radicale’) islam en een bedreiging voor de samenleving. Beide verbanden zijn zeer discutabel en vertroebelen de discussie. Het leidt ertoe dat ‘moslim-radicalen’ per definitie gezien worden als anti-westers en een bedreiging voor de samenleving. Of men redeneert andersom, namelijk dat politiek geweld geïnspireerd door bepaalde islamitische ideologieën nauw verbonden is met het idee dat Westerse liberalisme en secularisme fundamenteel slecht zijn en dat ze dan ook vernietigd moeten worden. Weer anderen zien radicalisering als een gevolg van een slechte integratie, vervreemding, sociaaleconomische achterstanden en ongenoegen over westerse seculiere en seksuele vrijheden. In alle gevallen verdwijnt de capaciteit van radicalen om zelfstandig te handelen achter de horizon; men is slachtoffer van een misleidende religie, sociale en economische marginalisering, modernisering en globalisering en rekruteurs die hen met slinkse methoden in radicale netwerken trekken.

Wat weten we eigenlijk?
Laten we even kort op een rij zetten wat de belangrijkste bevindingen zijn van radicaliseringsstudies voor het conflict in Syrië.

  1. Veel studies richten zich op processen van vervreemding, marginalisering, individualisering, fragmentarisering van religieus gezag, de motieven van radicale acties en groepsprocessen.
  2. Het is niet mogelijk om één specifiek socio-economisch profiel te maken of één eenduidige set van motivaties die typisch zou zijn voor radicale individuen. Wat wel voortdurend terug komt is dat mensen zoeken naar betekenis en zingeving, een nieuw begin (hun leven willen veranderen), een zoektocht naar verbondenheid en een groep en radicalisering als vrucht van een intellectueel proces gebaseerd op een mengeling van ideologie, religie en politieke grieven.
  3. Belangrijke invloeden zijn vooral te herleiden tot twee categorieën: een charismatische gezagsfiguur en de eigen peergroup.
  4. Belangrijk is ook dat radicalisering gepaard gaat en wordt aangejaagd door een steeds verder gaande isolering van de samenleving enerzijds en een uitbreiding van het netwerk van bekenden onder andere radicale figuren: met andere woorden met komt steeds meer alleen onder gelijkgestemden terecht.
  5. Radicalisering is een antwoord op religieuze structuren: gebrekkige vertegenwoordiging van moslims, fragmentarisering van gezag (mede door nieuwe media), terughoudend van islamitische gezagsfiguren om zaken als ‘jihad’, politiek en onrechtvaardigheid aan de orde te stellen.
  6. Radicalisering is ook een antwoord op politieke vraagstukken: discriminatie, stigmatisering, opkomst van islamofobe geluiden en een gebrek aan tegengeluid vanuit mainstream politieke partijen (of althans het wordt niet gehoord).
  7. Er is geen sprake van sterk hiërarchische netwerken
  8. Vaak gaat een radicale politieke bewustwording (met een sterke wij-zij indeling) vooraf aan de verdieping in en ontwikkeling van militant religieus gedachtegoed
  9. Ideologie en religie worden in beleid vaak gereduceerd tot zogenaamde frames die bepaalde acties verklaren, legitimeren en mensen mobiliseren voor die acties. Een frame definieert het probleem (de oorlog tegen islam), de goeien (de ‘ware’ moslims), de tegenstanders (de ongelovigen – een categorie die steeds groter wordt deels als reactie op repressie door de overheid en de verdergaande isolering).
  10. Geweld is geen causaal gevolg van ideologieën die geweld legitimeren, maar ideologie en religie kunnen wel de gereedschapskist zijn voor concepten, symbolen, doelen en actieprogramma’s die selectief gebruikt kunnen worden door militanten om strategie vorm te geven. Ideologie en religie geven inspiratie, legitimatie en urgentie geven aan de acties van mensen zowel als het gaat om escalatie van geweld als de-escalatie van geweld.
  11. Repressie werkt: mensen haken af, hebben geen zin in problemen met politie en inlichtingendiensten en willen ook niet in media. Maar repressie werkt ook averechts: het creëert martelaren, vijandbeelden en slachtoffers en jaagt isolering verder aan doordat anderen zich afkeren van de militanten. Denk bijvoorbeeld ook aan de jonge Nederlandse mannen die in Pakistan zijn gemarteld met, naar alle waarschijnlijkheid, medeweten van de VS. Eén van hen vertelde bijvoorbeeld: ‘Ik weet wat democratie is. Ik heb het geproefd en het smaakte vies. ‘Ik weet wat democratie is, ik heb het gevoeld en je ziet de littekens nog.’
  12. Radicalisering van burgers kan ook leiden tot radicalisering van de staat waarbij bepaalde grondwettelijke vrijheden en garanties verwateren hetgeen vaak leidt tot versterking of bestendiging van militante denkbeelden onder burgers.

Het vraagstuk van de Syriëgangers
Wat weten we dan van de Syriëgangers? De term radicalisering dekt veel vormen van militantisme, fundamentalisme extremisme die lang niet allemaal tot dezelfde motieven en patronen te reduceren zijn. Wat we weten over Syriëgangers is grotendeels in lijn met wat we al genoemd hebben, maar wel wat enkele kanttekeningen erbij.

We hebben nu in Nederland, volgens de overheid, ongeveer 200 Syriëgangers (ik zou het zelf op ongeveer 250 zetten overigens). Dat is, op 860.000 moslims, peanuts, maar wel een historisch unicum: voor zover we weten zijn er nog nooit zoveel Nederlandse moslims vertrokken om elders te gaan vechten. Ook eerdere conflicten in Bosnië en Afghanistan niet en in ieder geval is het contingent buitenlandse strijders in Syrië in zijn geheel groter dan ooit tevoren.

Kijken we nu naar onderzoek in Nederland en elders in Europa naar de motieven van Syriëgangers dan zien we vier hoofdgroepen, die per individu in wisselende vormen en vermenging kunnen voorkomen, maar daar past wel een tweede kanttekening bij. Wanneer we het hebben over radicalisering en Syriëgangers worden in de debatten, in het beleid en in onderzoek eigenlijk alleen die moslims bedoeld die strijden voor de islamitische facties IS beweging en Nusra. Moslims die strijden voor de Koerden of niet-islamitische burgers die mee gaan doen, vallen over het algemeen buiten deze kaders.

Nog een derde punt, als we onze aandacht vooral op de motieven van de Syriëgangers richten vergeten we een belangrijke vraag: hoe zijn we met z’n allen zover gekomen dat een kleine, maar significante groep jonge mannen en jonge vrouwen liever hun geboortegrond, ouders, familie en hun toekomst hier verlaat om elders te vechten en te sterven?

Dat gezegd hebbende, toch even naar de motieven. We kunnen grofweg vier hoofdgroepen onderscheiden die elkaar niet uitsluiten:
1) Rechtvaardigheid: iets goeds doen. Zeker aanvankelijk was er sterk het idee, we moeten iets doen! Al-Assad is een brute dictator, je hoeft niet radicaal te zijn om dat te vinden en in 2012 en begin 2013 was er een brede discussie: moeten we, moet het Westen niet ingrijpen in Syrië. Een sterk geluid onder Syriëgangers was dan ook ‘wij doen tenminste iets’.
2) Ideologische drijfveren: Toen in 2012 Nusra razendsnel opkwam in Syrië was er niet alleen het idee we moeten iets doen, maar ook ‘er is een groep die iets kan doen’ en dat is dan ook nog eens groep die volgens sommige Syriëgangers althans, voor het juiste strijd: voor God, voor rechtvaardigheid en tegen onderdrukking. De opkomst van ISIS voegde daar nog een element aan toe: in kringen van Syriëgangers is ISIS altijd consequent aangeduid als ‘dawla’: staat. Men ging voor het idee van het vestigen van een kalifaat in de vorm van een moderne natie-staat. Dit bracht niet alleen ideeën over jihad naar voren, maar ook de zogenaamde ‘hijra’; een islamitische migratie om elders te leven volgens een correcte islamitische levensstijl. Dit wil niet zeggen dat alle Syriëgangers ook ideologen zijn, maar wel dat voor sommigen dus religie een sterke emotionele of doctrinaire drijfveer is.
3) Uitzichtloosheid: Sommigen zijn volledig vastgelopen in Nederland: geen opleiding, geen werk, schulden, problemen met familie en geen vooruitzicht op verbetering. Bij mensen bij wie dit een belangrijke rol speelt valt ook op dat er vaak sprake is van gebroken gezinnen: een afwezige of niet functionerende vader of moeder.
4) Avonturieren: romantische beelden over de strijd, heldendom (al dan niet in termen van jihad), beelden over het doen van het goede en weinig oog voor de ontberingen aldaar en de mededogenloosheid van alle strijdende partijen komen voortdurend terug in de verhalen van de Syriëgangers.

Dilemma’s
Om af te sluiten wil ik u enkele kwesties voorleggen die de moeite waard zijn om over na te denken. Voor veel van het activisme dat we onderzocht hebben voor ‘Eiland in een zee van ongeloof’ kunnen we zeggen dat dit binnen de kaders van de wet valt. Het is nog niet gelijk terrorisme. Maar waar leggen we de grenzen van militant activisme en hoe bepalen we dat? Wat is militant activisme?
Voor preventie van radicalisering is medewerking van islamitische organisaties nodig, maar medewerking van islamitische organisaties aan preventie is ook lastig vanwege gebrek aan vertrouwen over en weer (die door preventie en repressie ook weer versterkt worden). Radicalisering draagt ook bij / kan bijdragen aan intern debat onder moslims, maar dat debat is lastig te voeren in een sterke wij-zij context omdat mensen heel snel als ‘radicaal’ worden aangemerkt, of als iemand die zich verkocht heeft aan de overheid. En moet radicalisering wel in alle gevallen worden bestreden? Hoeveel radicalisering kan een samenleving hebben?
Dank voor uw aandacht.

De tekst is mede ontleend aan en/of gebaseerd op:
E. Bittner, “Radicalism and the Organization of Radical Movements,” American Sociological Review 28, nr. 6 (1963): 929;
A. Dalgaard-Nielsen, 2010. “Violent Radicalization in Europe: What We Know and What We Do Not Know.” Studies in Conflict
and Terrorism
33(9): 797–814.
D. Della Porta, 2008. “Research on Social Movements and Political Violence.” Qualitative Sociology 31 (3): 221–230.
T. Hegghammer, 2013, Should I Stay or Should I Go? Explaining Variation in Western Jihadists’ Choice between Domestic and Foreign Fighting. American Political Science Review, 107, pp 1-15. doi:10.1017/S0003055412000615.
B. de Graaf, “Religion Bites: religieuze orthodoxie op de nationale veiligheidsagenda,” Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2, nr. 2 (2011): 62–81;
M. de Koning, I. Roex, C. Becker en P. Aarns, 2014, Eilanden in een zee van ongeloof – Het verzet van de activistische daʿwa in België, Nederland en Duitsland. Nijmegen / Amsterdam: Radboud Universiteit Nijmegen / Universiteit van Amsterdam, IMES Report Series.
M. de Koning, J. Wagemakers, en C. Becker, Salafisme – Utopische idealen in een weerbarstige praktijk (Almere: Uitgeverij Parthenon, 2014)
Sipco Vellenga, “Religieuze orthodoxie als bedreiging. Verschuivingen in het publieke debat,” Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2, nr. 2 (2011): 7–23;