Nieuwsbrief 070904 – Terrorisme als kunst
Terrorisme als kunst

Prof.dr. Bob de Graaff

Voor fijnbesnaarde zielen die kunst mooi vinden en terrorisme ziek, is het misschien een schokkende boodschap, maar er is een relatie tussen terrorisme en kunst, zo betoogt prof.dr. Bob de Graaf, hoogleraar terrorisme en contraterrorisme. Met een analyse van die – dialectische – relatie opende hij vanmiddag om 16.45 uur het studiejaar van de Campus Den Haag.

Zelfexpressie
In Nederland is er opmerkelijk weinig aandacht voor de overeenkomsten en wederzijdse invloeden tussen gewelddadig radicalisme en kunst, zo constateert hij. Zowel wetenschappers als politici en beleidsmakers proberen voornamelijk economische en sociale root causes te vinden en te beïnvloeden. Dat moet natuurlijk ook, meent De Graaff, maar daarnaast zouden ze meer oog moeten hebben voor de behoefte van – meestal goedopgeleide – jongeren aan zelfexpressie, aan hun ‘fifteen minutes of fame’. Meer oog ook voor de culturele manifestaties in de maatschappij, betere antennes voor ‘what’s in the air’.

Op zoek naar publiek
Want dat is een belangrijk aspect van het terrorist zijn: behoefte aan zelfexpressie. Een terrorist doet aan enscenering, aan zelfstilering, is op zoek naar publiek. Amerikaanse wolkenkrabbers, Amerikaanse vliegtuigen en het scenario van de Amerikaanse rampenfilm maakten de aanslag op 11 september 2001 tot een vorm van straattheater. En de huidige nummer twee van al-Qaida omschreef de aanslag
op de Egyptische president Sadat in 1981, waarbij hij zelf betrokken was geweest, als ‘een met zorg voorbereid, kunstzinnig plan’.

Literaire scenario’s
Dat schrijvers en filmmakers fictief over leven en dood gaan is een bekend gegeven. De jaren ’90 kende, vooral in Amerika een ware hausse aan films en boeken over rampen en geweld. Ook is het zeker niet ondenkbaar, aldus De Graaff, dat terroristen zich door literaire scenario’s hebben laten inspireren. Hij citeert de uitspraak van filmer Robert Altman, dat Afghanistan de breeding ground mocht zijn geweest voor 9/11, maar dat Hollywood de bron van inspiratie was.
Maar wederzijdse beïnvloeding is niet het enige; de grens tussen fictie en werkelijkheid is niet altijd even scherp te trekken, betoogde De Graaff. In het negentiende- en twintigste-eeuwse Europa zijn hele kunststromingen voorbij gekomen die verheerlijking van geweld uitdroegen, en zijn uitgemond in daadwerkelijke terroristische stromingen.

Nihilisme
Het nihilisme, dat begon met de roman Vaders en Zonen van Toergenjev eindigde radicaal gewelddadig. Surrealisten als Luis Bunuel en André Breton lieten terroristische daden een grote rol spelen in hun werk. Breton meende zelfs dat de ware surrealist de straat op gaat en in het wilde weg gaat schieten. Het situationisme, dat uit het surrealisme voortkwam begon met ludieke happenings als aanklacht tegen de consumptiemaatschappij, maar de rook-, stink en puddingbommen werden in de jaren ’70 echte bommen. Stromingen als de Black Panthers, de Rode Brigades en de Rote Armee Faktion zijn begonnen als kunststromingen die uitdroegen dat kunst extreem moest zijn en impact moest hebben. Voor Andreas Baader, met zijn design zonnebrillen en voorliefde voor films over terrorisme, was terrorisme de beste manier om aandacht te trekken.

Slachtoffers en traumaverwerking
Of dat in laatste instantie ook het geval is betwijfelt De Graaff. Enerzijds lijkt de kunst een stapje terug te doen. Geschrokken van 9/11 schrijven Amerikaanse auteurs niet meer over terroristen, maar over slachtoffers en traumaverwerking, en ze verontschuldigen zich voor hun eerdere werk. Het geweld daarin was overigens achteraf bezien nogal tam. Maar anderzijds ontbeert het terrorisme de fantasie en ambiguïteit die voor kunst juist kenmerkend is. De steeds herhaalde beelden van aanslagen leiden tot gewenning. En, zo zei De Graaff: ‘gewenning is dodelijk voor terroristen.’

Egodocumenten
Over het islamitisch terrorisme zei De Graaff nog niet voldoende te weten. Is de verhouding tussen terrorisme en kunst misschien typerend voor het westerse terrorisme? Zijn er belangrijke verschillen in taal- en beeldcultuur, of bestaat er een geglobaliseerde cultuur van het individu dat expressie en aandacht zoekt, en zijn sporen in de geschiedenis kan achterlaten. Het Centrum voor Terrorisme en Contraterrorisme van De Graaff gaat een database van egodocumenten van terroristen aanleggen om hier onderzoek naar te doen. Jonge islamitische terroristen kiezen hun rolmodellen in ieder geval niet onder schrijvers en kunstenaars, maar onder praktiserende voorgangers: Osama bin Laden en zelfmoordterroristen.

Verbeeldingskracht
Maar er zijn ook aanwijzingen dat er wel degelijk sprake is van een globaal verschijnsel, en dat het bovendien de consumptiemaatschappij is die terrorisme als onderdeel van de subcultuur uitlokt. In die zin zijn de overeenkomsten met het genoemde situationisme opvallend. De combinatie van aanvankelijk onschuldig artistiek en intellectueel protest en een subcultuur van jeugdig straatgeweld kan ook tegenwoordig in explosief politiek geweld uitmonden. Overheid en burgers moeten dus incalculeren dat een bepaalde maatschappijvorm en – beleving risico’s met zich meebrengt, en zich daartegen verzekeren, zo besluit De Graaff. En verbeeldingskracht is daarbij geen slechte eigenschap.