Opmerkingen bij Michael Walzers’ The Paradox of Liberation

Opmerkingen bij Michael Walzers The Paradox of Liberation (Yale UP 2015)

Gastauteur: Pooyan Tamimi Arab

Michael Walzer is politicoloog en filosoof en professor emeritus aan het prestigieuze Institute for Advanced Studies van Princeton University. In zijn recent gepubliceerde boek The Paradox of Liberation: Secular Revolutions and Religious Counterrevolutions verdedigt hij zijn lang gekoesterde ideaal van een seculiere, links-liberale en universele Verlichting. Dit doet hij door drie casussen te bespreken waar volgens hem een seculiere bevrijding en nationale onafhankelijkheidsbeweging gevolgd of zelfs gekaapt is door een conservatieve en religieuze contrarevolutie.

Hoe is het mogelijk dat de bevrijding van religieus conservatisme zich zo beperkt of helemaal niet heeft voltrokken, vraagt Walzer zich af. Seculiere bevrijding, stelt hij, is weliswaar niet geheel verslagen, maar heeft in de twintigste eeuw te maken gehad met onverwachte tegenslagen en een onverwachte kracht van conservatieve, religieuze, krachten. Voor zijn analyse kiest hij Israël, Algerije en India; het boek sluit af met een korte reflectie op onafhankelijkheid en secularisme in de Verenigde Staten, “the first secular state in world history” (p. xiv). Het is niet mijn bedoeling om hier een uitputtende review van het boek te schrijven maar slechts om twee kritische kanttekeningen te plaatsen bij de algemene strekking van Walzers verhaal.

Israël

Ten eerste is de keuze voor Israël opmerkelijk. In het boek normaliseert Walzer de staat Israël door vergelijkingen te trekken tussen bijvoorbeeld Nehru in India en Ben Gurion in Israël. Beiden droomden van een staat waarin religieuze minderheden gelijk zouden worden behandeld. Die droom heeft gefaald, volgens Walzer, omdat religieuze extremisten in beide landen de eigen bevrijding hebben misbruikt om de macht over te nemen. Dat noemt Walzer de paradox van de bevrijding. In dit schema is Israël een land zoals vele andere, weliswaar betrokken in ernstige kwesties, maar niet een apartheidsregime vergelijkbaar met die in Zuid-Afrika.

Een gevolg van deze redeneertrant is dat de ontstaansgeschiedenis van Israël zelf niet bekritiseerd kan worden. Walzer stelt dat Israël ontstond, net zoals Algerije en India, doordat het land bevrijd werd van buitenlandse machthebbers (p. xi). De Palestijnen worden herhaaldelijk ‘inhabitants’ (p. 35, p. 69) van datzelfde land genoemd, mensen die er feitelijk leefden, aanwezig waren, maar als slechts aanwezigen zonder een wezenlijke aanspraak op het land. Walzer laat zich wel een enkele keer uit over de behoefte aan een discussie over ‘Palestinian national liberation’ (p. 35). Vervolgens gaat hij daar helemaal niet op in, maar noemt hij Israël wel democratisch (p. xii, p. 27). In de geschiedenis die hij schetst gingen de Arbeid Zionisten[1] in het verleden geweldloos te werk (p. 27), net zoals de Congres Partij in het democratische India. De problemen ontstonden pas, schrijft Walzer, toen Messianistische Zionisten[2] en ultraorthodoxe Joden macht verwierven.

Het geweld dat in het verleden tegen de Palestijnen is uitgeoefend speelt een ondergeschikte rol in deze argumentatie. Israël maakte weliswaar met ‘military rule’ de dienst uit, stelt hij, maar de staat – wederom net zoals in het India van Nehru – was ‘liberal’, ‘with opposition parties, a highly critical press, and free universities’ (p. 69). Het geweld tegen de Palestijnen en het onvermogen van Ben-Gurion om de gelijkheid die hij voor ogen hield voor alle burgers ook daadwerkelijk voor hen te realiseren is eerder veroorzaakt, stelt Walzer, door de Arabische landen die Israël de oorlog verklaarden. Dit is ‘perhaps the crucial reason’ dat het zo slecht is afgelopen met de Palestijnen (p. 100), een aantrekkelijke stelling voor een apologie van de status quo.

Walzer probeert weliswaar kritisch te zijn door te stellen dat ‘Discrimination and neglect have been common features of the state’s dealings with its Arab minority’, maar slaat de plank volledig mis wanneer hij die kritiek op dezelfde pagina relativeert door te schrijven dat Arabieren binnen Israël het eigenlijk zo slecht nog niet hebben: ‘I think it is fair to say that within Israel proper the worst forms of abuse have been avoided. Arab political parties function freely, and a remarkably high number of Arab citizens vote in Israeli elections’ (p.98). Je hoeft geen expert te zijn om te weten dat dit een zeer misleidende beschrijving van de huidige situatie in Israël is. The Inequality Report: The Palestinian Arab Minority in Israel (2011), bijvoorbeeld, noemt ongelijkheid in wetgeving, inkomen, arbeid, bezittingen, onderwijs en taal, gezondheid en politieke participatie. Walzer gaat niet in op deze onderwerpen en over de recente oorlogen in Gaza schrijft hij niets.

Seculiere revoluties – religieuze contrarevoluties

Mijn tweede kanttekening bij het boek van Walzer gaat om de centrale stelling, namelijk dat seculiere revoluties in de twintigste eeuw zijn opgevolgd door religieuze contrarevoluties. Door Islamisten in Algerije en Palestina, door ultraorthodoxe Joden in Israël en door Hindu-nationalisten in India. Walzer heeft zeker een punt door erop te wijzen dat seculiere revoluties gekaapt kunnen worden door conservatieve religieuze bewegingen. Zoiets voltrok zich ook na de Egyptische Revolutie van 2011 toen de Moslimbroederschap in een stroomversnelling de macht naar zich toe trok (hoewel de moslimbroeders destijds nauwelijks radicaal waren, maar eerder sterk conservatief, wat overigens niet minder in ellende kan resulteren; bovendien heeft het min of meer militair-democratische regime van Sisi inmiddels korte metten gemaakt met de moslimbroeders).

Vrijdenkers overal ter wereld kunnen meeleven met Walzers frustratie over de weerbaarheid van conservatieve bewegingen, maar zijn eenvoudige schema tussen ‘seculiere revoluties’ enerzijds en ‘religieuze contrarevoluties’ anderzijds is niet meer van deze tijd. John Lennons droom van een wereld zonder landen en religies, ‘nothing to kill or die for,’ is precies dat gebleken, een naïeve droom. De positieve rol van de katholieke kerk in het verzet tegen het communisme in Polen noemt Walzer natuurlijk niet, noch de bevrijdingstheologie in Zuid-Amerika, noch de rol van de kerken in de Burgerrechtenbeweging in de Verenigde Staten.

Maar het belangrijkste tegenvoorbeeld voor Walzers schema is de Iraanse Islamitische Revolutie van 1979. Deze revolutie veranderde de definitie van een revolutie zoals die voorheen geconceptualiseerd werd door onder andere verschillende Marxistische stromingen. Seculiere burgers die droomden van een revolutie van het proletariaat tegen het westers imperialisme waren net als Walzer geschokt toen ze beseften hoe zeer ze de kracht van de religie hadden onderschat. Decennia lang hebben zij met elkaar bediscussieerd of de revolutie nu wel of niet een seculiere was die door de religieuzen werd gekaapt of toch echt een religieuze revolutie, een nieuw concept.

Inmiddels is duidelijk dat Ayatollah Khomeini veel meer was dan een charismatisch figuur die toevallig de touwtjes in handen kreeg. Hij belichaamde de revolutie, dat wil zeggen de Islamitische Revolutie. Deze gebeurtenis maakte een definitief einde aan een simplistische secularisatiethese die stelde dat revoluties per se een (uitsluitend) seculier karakter (zouden) moeten hebben. Iraanse linkse secularisten werden erdoor gedwongen dieper in zichzelf te zoeken naar de eigen intolerantie, de eigen tirannie. Walzer lijkt een dergelijk zelfkritisch proces nauwelijks te hebben ondervonden.

Hoewel Walzer al eerder in een essay heeft geschreven dat de ‘total exclusion’ van religieuzen in een democratische samenleving onmogelijk is (1998: 295), lijkt hij nog steeds een nostalgie te hebben voor de tijd waarin seculiere revolutionairen de mensheid zouden bevrijden. In 1998 constateerde hij al ‘But it [religion] hasn’t faded away’ en ‘We haven’t taken control’ (1998: 295). Anno 2015 lijkt hij nog steeds hiervan onder de indruk, terwijl de socioloog José Casanova en anderen, die hij niet bespreekt, al sinds de jaren negentig hebben gepleit voor een meer gelaagde en vooral niet historisch-teleologische secularisatiethese.

Walzer concludeert dan ook dat het onwaar is dat bevrijding een definitieve vervanging van de religie door wetenschappelijke rationaliteit moet impliceren. Hij stelt niet alleen dat ‘religious reform’ een realistischer doel is, maar ook dat het ideaal of beter gezegd zijn ideaal van bevrijding zelf aan hervorming toe zou kunnen zijn (p. 125). Dit wordt echter niet uitgewerkt en het simplistische dualisme tussen emanciperende seculiere revoluties en religieuze contrarevoluties blijft de toon bepalen.

Wie is de natie?

Tenslotte een opmerking over het idee van een nationale bevrijding. Wie is de natie in het schema van Walzer? Hoewel hij consistent over nationale bevrijding schrijft wenst hij niet dat de wil van een conservatief en religieus volk bevrijd wordt, maar dat het volk leert van inspirerende seculiere leiders, zoals Nehru. Met andere woorden, de wil van het volk moet eerst een verlichting ondergaan wil het een werkelijke bevrijding nastreven. Dat is niet eenvoudig, geeft ook Walzer toe. Hij verwijst naar het beroemde antwoord van Nehru op de vraag wat zijn moeilijkste taak na onafhankelijkheid was. “Creating a just state by just means”, antwoordde Nehru en hij voegde daaraan toe: “perhaps, too, creating a secular state in a religious country” (p.76).

Het is echter de vraag of Walzers secularistische bedoelingen, enigszins beperkt door de grenzen van rechtvaardigheid – totale uitsluiting van de religie wordt niet haalbaar geacht – maar zonder een positief idee van godsdienstvrijheid en religieus pluralisme, het beoogde effect van bevrijding kunnen hebben in de 21e eeuw.

Pooyan Tamimi Arab is onlangs gepromoveerd aan de Universiteit van Utrecht op het proefschrift Amplifying Islam, over het elektronisch versterken van de Islamitische oproep tot gebed in Nederland (beschikbaar op verzoek). Op dit moment werkt hij aan de Universiteit van Amsterdam als postdoc bij de afdeling antropologie. E-mail: p.tamimiarab[at]gmail.com.

Literatuur

– Walzer, Michael. 1998. Drawing the Line: Religion and Politics. Soziale Welt 49(3): 295-307.

– Walzer, Michael. 2015. The Paradox of Liberation: Secular Revolutions and Religious Counterrevolutions. Yale University Press.

– Hesketh, Katie; Bishara, Suhad; Rosenberg, Rina; Zaher, Sawsan. 2011. The Inequality Report: The Palestinian Arab Minority in Israel. Haifa: Adalah, The Legal Center for Arab Minority Rights in Israel.

Noten

[1]    De belangrijkste linkse stroming binnen het Zionisme die streefde naar een socialistisch Israël.

[2]    Messianistisch Zionisme omvat het idee dat menselijk handelen, dat wil zeggen het stichten van een eigen Joodse staat, de komst van de Messias kan versnellen. Tot op de dag van vandaag zijn veel orthodoxe Joden kritisch over deze visie, waarin het traditioneel religieus voorbereidend handelen op de komst van de Messias een militant karakter heeft.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*
*
Website