thumb008.JPGEnige tijd geleden stelde het Antwerpse stadsbestuur:

Het bestuur wil de diversiteit van het personeel aanmoedigen. Bij de stad moeten veel mensen met veel verschillende persoonlijke visies kunnen werken. Maar de uiterlijketekenen van die persoonlijke overtuiging kunnen niet worden getoond bij rechtstreeks klantencontact. Dan staan neutraliteit van de dienstverlening en respect voorop. Uiterlijke symbolen van levensbeschouwelijke, religieuze, politieke of andere overtuigingen worden
bij rechtstreeks klantencontact niet gedragen. Niet alleen moet dat elke schijn van partijdigheid vermijden. Tevens moet dit het draagvlak voor een divers personeelsbeleid als afspiegeling van een diverse stad bij personeel en bevolking vergroten.

Het leverde de nodige discussie op en er zijn ook de nodige vraagtekens bij te plaatsen. Waarom zouden mensen immers denken dat de ander partijdig als hij/zij levensbeschouwelijke tekens draagt? Zou een Christelijk persoon niet denken dat de ander partijdig is als die geen levenbeschouwelijke tekens draagt? Hoe kan een stadsbestuur claimen dat het personeel een afspiegeling is van de bevolking als dat niet zichtbaar is of mag worden gemaakt? De maatregel lijkt bedoeld om een divers personeelsbeleid dat de afspiegeling is van de Antwerpse maatschappij te bevorderen, maar lijkt dat te doen door alle uiterlijke tekenen van die diversiteit in haar eigen werkomgeving weg te halen.

De maatregel heeft onder meer (of met name?) betrekking op het dragen van een hoofddoek. Dat betekent dat het Antwerpse stadsbestuur stelt dat een hoofddoek een symbool is. Dat is ook zo voor sommige moslimvrouwen, maar niet voor allemaal. Er zijn er ook die expliciet stellen dat een hoofddoek geen symbool is, maar een plicht die is opgelegd door Allah. Nog vaker wordt het gezien als het volgen van Allah’s wil en een teken van eerbied voor hem, in combinatie met een identiteitsymbool. En aan andere kant zijn er moslims die stellen dat een hoofddoek geen religieuze plicht en/of die de hoofddoek verwerpen als symbool.

Het gaat mij er hier niet om te pleiten om het verbod te laten vallen (of te pleiten voor een verbod), maar vooral om te laten zien hoe de instituties van de dominante cultuur bepalen wat neutraal is, wat religieus is (en mag zijn) en wat seculier is. En dat het nogal naïef is om te denken dat dit geen tegenreacties zal oproepen. Het Antwerpse stadsbestuur doet hier twee dingen. Ze bestempelt de hoofddoek als religieus en als symbool. Met andere woorden uit de veelheid aan mogelijke opties stelt zij vast wat religieus is (en dus wat niet) en of een item een symbool is. Op die manier lijkt ze vol te kunnen houden dat een hoofddoek tegen het principe van levensbeschouwelijke neutraliteit ingaat. Dit is een punt waar antropoloog Talal Asad in zijn ‘Trying to understand French secularism‘ ook op wijst. Het Antwerpse bestuur negeert het gehele repertoire aan beschikbare betekenissen en de processen waardoor deze betekenissen een zekere autoriteit krijgen. Een symbool is niet iets dat simpelweg voor iets anders staat, maar juist een object waaraan verschillende betekenissen gegeven kunnen worden. De relatie tussen een object en een betekenis is nooit eenduidig. Asad wijst op de seculiere traditie die niet zozeer een scheiding tussen kerk en staat betekent, maar het incorporeren van religie in een liberale staatsvorm en de uitoefening van soevereine macht door de staat door te bepalen wat (acceptabele) religie is, wat niet-acceptabele religie is (radicalisering) en wat seculier is. Het is ook de staat die bepaalt wie mee mag doen in het spel van definiëring.

Dat dit geen eenrichtingverkeer is blijkt wel uit het vervolg in Antwerpen. Na eerdere acties zoals Baas Op Eigen Hoofd (BOEH), is er nu het pleidooi van Badia Miri dat neutraliteit in levensbeschouwelijk opzicht ook betekent dat er geen kerstbomen meer mogen staan in de stadsgebouwen en er geen paaseieren meer mogen worden uitgedeeld. Dit zijn immers Christelijke feesten of, zoals je wil, heidense feesten of het staat voor ‘onze’ cultuur ook al zijn het slechts bomen of slechts paaseieren. De reacties op de gelinkte websites laten in ieder geval goed zien dat neutraal in levensbeschouwelijk opzicht niet zo neutraal is; het is een weerspiegeling van de dominante cultuur.

De overheid is niet alleen een bescherming van diversiteit, maar is zelf een representant van de dominante cultuur. De eisen die zij oplegt zijn eveneens een weerspiegeling daarvan. In Asad’s verhaal is dit nogal een eenrichtingsverkeer van staat naar burgers, maar in de praktijk moeten we dit eerder zien als een voortdurende strijd om definitie van symbolen (in antropologische zin) en om de instituties die de waarden van die symbolen vertegenwoordigen en verdedigen. Wat Badia Miri doet is dan ook niet zomaar een koekje van eigen deeg geven, maar een poging om zich te mengen in het spel over de definities van wat religieus en niet. Zoals in Nederland en België deze strijd vooral werd gevoerd tussen Christenen en anderen, gaan nu ook moslims zich daarmee bemoeien. De uitkomst is een compromis zoals in Nederland de Schoolstrijd dat geweest; een christelijk-seculier compromis. In plaats van Nederland een seculiere samenleving te noemen, kunnen we Nederland (en ook België) beter een christelijke seculiere samenleving noemen. In die zin had minister Vogelaar het nog niet zo slecht gezien en kan de aanwezigheid van moslims er wellicht toe leiden dat Nederland een islamitisch-christelijke seculiere samenleving wordt.