Op 21 maart jongstleden presenteerde Meld Islamofobie haar eerste jaarrapport. Onderstaand stuk is de tekst van mijn korte lezing die avond over het begrip islamofobie.

Laat me om te binnen eerst mijn dank uitspreken aan Meld Islamofobie voor de eer hier te mogen spreken over een belangrijk onderwerp. In mijn onderzoek naar publieke interventies van moslims vanaf 1989 is islamofobie één van de thema’s waar we naar kijken als het gaat om hoe organisaties, netwerken en individuen vanuit hun moslimidentiteit proberen zaken aan de orde te stellen en op de publieke agenda te krijgen. Het onderzoek richt zich dus niet zozeer op een analyse van discriminatie en geweldsincidenten tegen moslims, als wel hoe moslims omgaan met het thema islamofobie, manifestaties van islamofobie in beleid, debat en media en discriminerende of zelfs gewelddadige incidenten.

De discussie over islamofobie

Het gaat daarbij ook om de discussie over de term islamofobie. Het is een term die op de nodige kritiek kan rekenen. Dat is een belangrijk gegeven, want wie in de samenleving heeft de definitiemacht en wie kan en mag problemen benoemen? Gezien de felle negatieve reacties op het begrip, kunnen we gerust stellen dat het begrip iets los maakt. Eén kritiekpunt is dat islamofobie niet bestaat: het zou een verzonnen term zijn. Dat laatste is natuurlijk waar. Net zo goed als de termen ‘tafel’, ‘koffie’ en ‘anti-semitisme’ ook verzonnen zijn. Dat doen mensen namelijk als ze een specifieke werkelijkheid willen benoemen. In het geval van islamofobie gaat het om een term uit 1910; enerzijds om een Westerse afkeer van islam aan te duiden en anderzijds om een proces van minder of niet meer praktiseren van islam onder moslims aan te duiden. Gedurende de twintigste eeuw heeft de term zich in de Franse en Engelse taal vooral ontwikkeld om dat eerste proces te analyseren en te benoemen.

Verder zou de term islamofobie een term zijn om islamkritiek te delegitimeren of zelfs strafbaar te maken. Ook dat is onzin. Het wordt wel eens  gebruikt als stopwoord tegen kritiek, maar dat is bijzonder ineffectief en het is eerder zo dat alle onderzoekers en alle meldpunten keer op keer op keer op keer vermelden dat islamkritiek gewoon mogelijk moet zijn. En geen van de meldpunten en onderzoekers wil van islamofobie an sich een strafbaar feit maken. Daarnaast zou de term fobie verwijzen naar een irrationele angst. Ongelukkigerwijze is dat zo, maar slechts ten dele. In serieus recent onderzoek wordt het zo nergens gebruikt; het gaat eerder om een sociale angst. Maar eigenlijk weten we ook dat wel. Net zo goed als wanneer ik zeg dat ik allergisch ben voor bepaalde mensen en ideeën, niemand gaat checken of ik daadwerkelijk huiduitslag heb.

Een veelgehoorde, wel serieus te nemen, suggestie in deze discussie is om de term islamofobie te vervangen door moslimhaat; een suggestie die we ook wel zien als het gaat om anti-semitisme, dat zou dan moeten gaan om jodenhaat. Een andere suggestie is dat de term islamofobie vervangen moet worden door moslimdiscriminatie. Er zijn verschillende problemen daarmee, maar het belangrijkste is dat deze termen vooral ingaan op concrete incidenten in het hier en nu en niet goed laten zien hoe deze concrete manifestaties ingebed zijn in historische processen van macht en betekenisgeving. Daar wil ik nu wat dieper op ingaan door de term racialisering aan de orde te stellen.

Racialisering van moslims

Onder racialisering versta ik hier: het proces waarin dominante groepen statische en karakteristieke eigenschappen toekennen aan mensen die niet tot de eigen groep gerekend worden. Ze doen dit op basis van generaliserende ideeën over ‘ras’, cultuur, religie en sociale klasse die gepaard gaan met negatieve en/of exotiserende waardeoordelen ideeën over hoe om te gaan met een dergelijke groep. Het hoeft niet te gaan om buitenstaanders die specifiek als ‘ras’ gezien worden, maar bij racialisering wordt er op zo’n manier over hen gesproken dat het wel lijkt alsof men het over een ‘ras’ heeft: een duidelijke herkenbare groep die als inferieur gezien wordt en specifieke, statische en natuurlijke eigenschappen wordt toegedicht. Uiteindelijk is racialisering vaak een samenspel van ideeën over ‘ras’, cultuur, gender en religie dat afhankelijk is van de politieke en maatschappelijke context.

De racialisering van moslims kunnen we al terugvinden in de dagen van Europees kolonialisme, in de zendingsdrift van Europese missionarissen en na de ondergang van Al Andalus. Het gaat om een systematisch gedachtegoed waarbij de moslims als de inferieure onacceptabele Ander worden gemaakt: geneigd is tot geweld, vrouwonvriendelijk, gedreven door woede en een gebrek aan rede. Ideeën die al eeuwenoud zijn en bijna als vanzelfsprekend en bijna als natuurlijke eigenschappen aan moslims worden gekoppeld net zoals dat op diverse andere manieren ook gebeurde met Joden, zwarte mensen, Roma en Sinti en ook lange tijd in de VS en Engeland met de Ieren.

De cultuurleer

Het gaat bij racialisering van moslims dus om historische processen van macht en het betekenis geven aan de positie van minderheden in die samenleving door de dominante groep. Islamofobie is daar één uitkomst van. Deze racialisering gaat tegenwoordig vaak uit van wat ik een cultuurleer noem of wat Willem Schinkel culturisme noemt. Dit idee gaat er dan weer van uit dat de wereld is in te delen in homogene, statische en herkenbare culturele blokken: bijvoorbeeld Westers vs. islamitisch. Het is een manier van denken die we vanaf de jaren tachtig steeds sterker hebben zien worden in beleid en debat en vooral in de jaren negentig met betrekking tot de toenemende migratie naar Europa. Veel politici van PVV tot PvdA en van SGP tot VVD gaan ervanuit dat er onverenigbare culturen zijn. Migranten zouden ‘onze’ manier van leven bedreigen door de import van wezensvreemde culturen die onverenigbaar zouden zijn met die van ‘ons’. Het gaat hier om een constructie van een onacceptabele inferieure Ander, die wordt gezien als een bedreiging.

De logica van racialisering

Kort samengevat kunnen we stellen dat islam weliswaar geen ‘ras’ is, maar dat de wijze waarop we over islam en moslims praten wel heel erg doet denken aan de manier waarop over ‘rassen’ wordt gesproken. Op die manier wordt het logisch dat wanneer de Hema een keer de term verstopeitjes gebruikt in plaats van paaseitjes of wanneer Nieuw-West in Amsterdam besluit dat baliemedewerksters geen te korte rokjes meer mogen dragen, dat dat met moslims te maken heeft. Of dat een verslaggever van Trouw tijden allerlei artikelen over de zogenaamde ‘shariadriehoek’ kan schrijven en als dan uitkomt dat ie het allemaal gelogen heeft, er toch nog serieuze opiniemakers en politici zijn die zeggen dat er ondanks die leugens toch een shariadriehoek is. Het maakt ook begrijpelijk waarom in de integratieagenda van Asscher enerzijds de kernwaarden van de samenleving benadrukt worden en anderzijds de islam als enige godsdienst wordt opgevoerd. ‘We’ denken immers allemaal al te weten dat de islam haaks staat op ‘onze’ leefwijze. Immers, ‘we’ weten allemaal hoe moslims zijn: ‘ze’ zijn door ‘hun’ cultuur/religie anders dan ‘wij’, proberen ‘hun’ gedachtegoed op te dringen en daar moeten ‘we’ op een speciale manier mee omgaan.

Dus als er zich een fenomeen voordoet dat voldoet aan eeuwenoude racialisering van islam en moslims, dan is de kans groot de het ook om moslims gaat zo is het idee. Of dat ook zo is doet er niet toe: het gaat er slechts in zeer beperkte mate om wat moslims doen, het gaat veel meer om machtsuitoefening. Overigens ook bij racialisering op basis van cultuur spelen uiterlijk, herkenbaarheid en het lichaam van mensen een rol. Zo hebben vrouwen met een hoofddoek meer te maken met agressie en afkeer dan andere moslims. Ook Sikhs worden het slachtoffer van islamofoob geweld: door de daders worden ze aangezien voor moslim. Ook hier doet het er niet toe wat het individu is of doet. Islamofobie is dan ook gericht op en gebaseerd op een geracialiseerde moslimidentiteit waarbij het er niet om gaat hoe het object van racialisering zichzelf ziet, maar hoe hij of zij gezien wordt door de dominante meerderheid.

Het subtiele en systematische

Racialisering is dus het onderliggende historische en systematische proces van betekenisgeving en machtsoefening door de dominante meerderheid; islamofobie of anti-moslim racisme is daar het resultaat van. Discriminatie en geweld tegen moslims zijn concrete manifestaties van die islamofobie, maar het simpele gegeven dat islam onderdeel is van het integratiebeleid is dat ook, ook al is dat niet per se of niet alleen ingegeven door haat of angst, maar veel meer door het idee dat de islam in al haar abstractie niet verenigbaar is met de Nederlandse kernwaarden wat die ook mogen zijn.

Wanneer we de term islamofobie (met al haar beperkingen) zouden vervangen door moslimhaat en moslimdiscriminatie, dan worden we eigenlijk woordenloos om dat subtiele en systematische bloot te leggen; om zaken die lang niet altijd strafbaar zijn. Het is daarbij ook de vraag of de meldpunten in hun begrijpelijke focus op discriminatie en geweld (dat zijn immers concrete gebeurtenissen die zich lenen voor registratie) eigenlijk niet bijdragen aan die woordenloosheid. Dat wil niet zeggen natuurlijk dat het werk van de meldpunten niet waardevol is. Integendeel, racialisering en discriminatie van moslims en geweld tegen moslims zijn nauw met elkaar verbonden doordat racialisering kan leiden tot dehumanisering. En zoals mijn Vlaamse collega Sarah Bracke in een recent interview met de krant De Standaard stelde: ‘dehumanisering brengt geweld met zich mee. In eerste instantie symbolisch geweld, maar dat kan snel naar fysiek geweld overgaan.’ In dat veld doen die meldpunten belangrijk werk en ik wens Meld Islamofobie dan ook veel succes, maar stel wel voor dat we de term islamofobie toch maar niet vervangen. Dank u wel.


Het jaarrapport is te downloaden: Jaarrapport 2015
Website: Meldislamofobie.org
Facebook: Meld Islamofobie