Soms zeggen anderen duidelijker wat ik bedoel, dan ik zelf. Daarom integraal het artikel van Dick Pels: Hoofddoekje leggen, niemand zeggen uit Trouw

,,Hoofddoekje of heilige oorlog: je kunt met de islam alle kanten op. ‘Zuivere’ moslims bestaan niet. De Koran bevat geen heldere, ondubbelzinnige, universeel dwingende boodschap. Het zou goed zijn als zowel gelovigen als ongelovigen hun hang naar zuiverheid wat meer zouden relativeren, en bereid zouden zijn om de deuren van de ijtihad (de vrije interpretatie) verder open te zetten.”

Het wonderlijke is dat ook de vrijzinnige moslims zich beroepen op de onwrikbare waarheid van het Heilige Boek

Als er één ding duidelijk wordt uit deze soms hilarische theologische muggenzifterij, dan is het wel dat zoiets als de ‘zuivere’ islam niet bestaat, en dat je met de Koran (net als met de Bijbel) zo’n beetje alle kanten op kunt. Het is dan ook merkwaardig om te zien dat seculiere islamcritici zoals Ayaan Hirsi Ali, Hans Jansen of Paul Cliteur in spiegelbeeld dezelfde zuiverheidsobsessie koesteren, en degenen die het anders zien op hun beurt kapittelen omdat zij ‘naïef’ en ‘onwetend’ zijn omtrent de ware strekking van de Koran. Maar Hirsi Ali’s stelling dat er maar één islam bestaat, namelijk ‘die van de Koran en de hadith en de Profeet Mohammed’, stuit minstens op het bezwaar dat tal van rekkelijke moslims de overleveringen niet rekenen tot de zuivere islam, en de Profeet zelf als een historische en dus feilbare figuur beschouwen. Haar overtuiging dat alle moslims per definitie onderworpen zijn aan een absolute Allah en een absolute Mohammed blijft wringen met het vrijzinnige uitgangspunt dat het blindelings volgen van de traditie of van schriftgeleerden door de Koran juist wordt veroordeeld.
Terwijl vrijzinnige moslims stellen dat de Koran ‘overduidelijk’ de gelijkwaardigheid predikt tussen man en vrouw, bewijzen de radicale Verlichters met evenveel aplomb dat de islam een machistische en vrouwvijandige godsdienst is. Terwijl de eersten met de hand op de Koran beweren dat de islam in wezen vredelievend is, sluiten Hirsi Ali c.s. zich aan bij de radicaal-fundamentalistische overtuiging dat dezelfde Koran oproept om afvalligen en ongelovigen te doden. Als de ene partij ‘bewijst’ dat het begrip djihad staat voor ‘het zich inspannen op Gods weg’, ‘bewijzen’ zowel Mohammed B. als Ayaan Hirsi Ali dat dit begrip alleen maar kan slaan op de Heilige Oorlog. Als gematigde moslims de terreur- en zelfmoordaanslagen ‘onrein’ en ‘onislamitisch’ noemen, en zien als misbruik van het geloof door ‘fascistoïde fundamentalisten’, tonen de aanhangers van Bin Laden en de radicale Verlichters in commissie aan dat terreur en martelaarschap logisch voortvloeien uit de ‘zuivere’ islam.
Gezien deze fundamentele onenigheid zou het beter zijn om elk essentialisme (het idee dat je het wezenskenmerk, de zuivere kern, kunt bepalen) ten aanzien van de teksten, geschiedenis en tradities van de islam voortaan te vermijden. De islam is een veelkleurig tapijt dat men niet naar de ene of de andere kant moet oprollen. Het is net zo misleidend om de islam te beschouwen als ‘in de kern’ gewelddadig, totalitair en terroristisch, als om hem ‘in wezen’ zacht en vredelievend te noemen. Oorlog en vrede zijn veeleer de uiterste polen die een uitgebreid continuüm naar twee kanten afbakenen: ‘de’ islam is niets anders dan dit continuüm. In dit licht heeft het even weinig zin om islam en terreur aan elkaar gelijk te stellen, als om te blijven weigeren om tussen beide enigerlei verband te zien. Ook vredelievende moslims zullen moeten erkennen dat de oorlogstraditie is ingebakken in de geschiedenis van de islam, en dat terroristen zich niet voor niets op het geloof beroepen. Andersom moet men zich blijven verzetten tegen het vooroordeel van zowel islamisten als Verlichters dat softe liberale moslims geen ‘echte’ moslims zouden zijn. Hoofddoekje of heilige oorlog: je kunt met de islam alle kanten op. ‘Zuivere’ moslims bestaan niet. De Koran bevat geen heldere, ondubbelzinnige, universeel dwingende boodschap. Het zou goed zijn als zowel gelovigen als ongelovigen hun hang naar zuiverheid wat meer zouden relativeren en bereid zouden zijn om de deuren van de ijtihad (de vrije interpretatie) verder open te zetten.

Lees het hele artikel:
,,Hoofddoekje of heilige oorlog: je kunt met de islam alle kanten op. ‘Zuivere’ moslims bestaan niet. De Koran bevat geen heldere, ondubbelzinnige, universeel dwingende boodschap. Het zou goed zijn als zowel gelovigen als ongelovigen hun hang naar zuiverheid wat meer zouden relativeren, en bereid zouden zijn om de deuren van de ijtihad (de vrije interpretatie) verder open te zetten.”

Het wonderlijke is dat ook de vrijzinnige moslims zich beroepen op de onwrikbare waarheid van het Heilige Boek

Het hoofddoekje is weer helemaal terug. Kledingketen H&M heeft aanhoudend succes met zijn kleurige Fatima-look. In de grote steden worden de kassa’s van Albert Heijn steeds meer door gesluierde meiden bevolkt. Het fiere rood-wit-blauw van de gehoofddoekte zusjes Esma, Jihad en Hajar Alariachi (alias De Meiden van Halal) vormde zes weken lang de inleiding tot een brutale speurtocht naar de pijngrenzen tussen de islam en de Nederlandse cultuur.
Maar ook de seculieren kwamen de laatste tijd aan hun trekken. Het Europese Hof voor de Mensenrechten bevestigde onlangs in hoger beroep dat de Turkse staat het hoofddoekje op universiteiten mocht blijven verbieden (veel gelovige studentes trekken bij het betreden van de campus dan ook een pruik over hun hoofddoek heen). Dan was er nog de tragikomische affaire rond het Islamitisch College Amsterdam, dat een islamitische lerares Arabisch wilde afwijzen omdat ze weigerde voor de klas een hoofddoek te dragen. Ze stapte naar het Meldpunt Discriminatie Amsterdam, dat de zaak voorlegde aan de Commissie Gelijke Behandeling, die de handelwijze van de school voor ongegrond verklaarde.
I
Er is geen simpel stukje stof dat zó veelbetekenend is gebleken als het islamitisch hoofddoekje. Niettemin menen velen precies te weten waar het hoofddoekje in essentie voor staat. Militante Verlichters weten zeker dat het hoofddoekje vrouwen stigmatiseert, vernedert en onderdrukt, omdat het een symbool is van mannelijke overheersing, segregatie van de seksen, en een wapen in handen van fundamentalisten. Vrouwen die een hoofddoekje dragen, zijn gehersenspoeld door een achterlijke, religieuze ideologie. Orthodoxe moslims en moslima’s weten even zeker dat het hoofddoekje de vervulling is van een religieuze plicht, een logische bescherming van de positie van de vrouw, of zelfs een vrije uitdrukking van de eigen identiteit en emancipatie. Net als voor hun multiculturele verdedigers is een verbod voor hen strijdig met de religieuze vrijheid en de democratische pluriformiteit.
Het intrigerende is nu dat beide opvattingen wel eens waar (en onwaar) kunnen zijn. In het dagelijks leven wordt er immers met het hoofddoekje stevig geschipperd en gesjoemeld. Het blijkt in zijn praktische betekenissen, functies en effecten een uitermate dubbelzinnig doekje te zijn. Een ervaringsdeskundige als Naema Tahir verwerpt in haar boek Een moslima ontsluiert (2004) het simpele idee dat alle hoofddoekdragende moslima’s per definitie worden onderdrukt. Via het hoofddoekje spelen zij ook met hun nieuw verworven vrijheid en macht. In de westerse context fungeert het vaak als een geuzendracht. Met een hoofddoekje val je op en kun je je onderscheiden: een houding die goed past binnen een westerse puberale mentaliteit. Gesluierde meiden snoepen op die manier van twee walletjes. Ze maken een persoonlijke selectie van morele codes uit de islamitische en de seculiere cultuur. Zo houden ze het thuisfront van vaders, broers en imams tevreden, terwijl ze tegelijkertijd respect vragen voor hun identiteit als ze de voordeur achter zich dichttrekken.
II
Het probleem schuilt met andere woorden juist in de vermeende zekerheden die het hoofddoekje omringen, en die het versimpelen tot een ding dat zijn eigen betekenis uitstraalt. Onlangs woedde in deze krant een in dit opzicht veelzeggend debat over de vraag of het hoofddoekje nu wel of niet door de Koran verplicht wordt gesteld. Dat debat was uniek omdat het nu eens niet werd gevoerd door boze seculiere witte mannen onderling, maar tussen een theoloog en een imam van allochtone huize, met bijval en kritiek in ingezonden stukken van andere islamieten. De strijd werd bovendien op het scherp van de snede gevoerd. ‘In de Koran staat het dus niet’, zo meende de liberale theoloog Mohamed Ajouaou (Trouw, 22-10-05). Sjeik Fawaz Jneid, de orthodoxe imam van de Haagse As-Soenna-moskee, wist op zijn beurt zeker: ‘Koran is helder: hoofddoek moet!’ (Trouw, 2-11-05).
De aanleiding voor het stuk van Ajouaou was de omgekeerde hoofddoek-affaire op het ICA. Het schoolbestuur had gesteld dat de hoofddoek een koranvoorschrift was, en dat het (islamitisch) personeel zich had te schikken naar de statuten, die naleving eisten van de Koran en de soenna (de levenswijze van de Profeet, zoals overgeleverd via de hadith: het corpus van diens handelingen en uitspraken). Geen van beide argumenten sneden volgens de schrijver hout. Het laatste was niet meer dan een vage mantra, omdat onduidelijk bleef om welke voorschriften het ging. Het eerste was gewoon niet waar: de Koran verwijst in slechts twee verzen naar deze kwestie, en in geen van beide komt de hoofddoek voor.
Soera 24:31 roept gelovige vrouwen op om hun ogen neergeslagen te houden en hun passies te beheersen (de voorafgaande soera 24:30 roept trouwens alle gelovige mannen tot precies hetzelfde op), en om hun ‘schoonheid niet openlijk te tonen, behalve wat gewoon zichtbaar is’. ‘Schoonheid’ (of ‘sieraden’, volgens een andere gebruikelijke vertaling) zou met name verwijzen naar die vrouwelijke lichaamsdelen die bij vertoon in het openbaar seksuele gevoelens kunnen opwekken. Het hoofdhaar van de vrouw behoort daar volgens Ajouaou niet toe. De letterlijke interpretatie van ‘ogen neerslaan’ is volgens hem in communicatief opzicht ook niet verstandig voor een moderne moslimdocente, die assertief moet optreden om zich tussen rumoerige scholieren staande te kunnen houden.
Soera 33:59 roept gelovige vrouwen op ‘iets van hun overkleding over zich heen naar beneden te laten hangen. Dat bevordert het best dat men haar niet herkent en niet lastig valt’. Een hoofddoek hoeft hiervan volgens de schrijver geen deel uit te maken. Bovendien wordt die verhullende dracht ingegeven door de vrees te worden lastiggevallen of seksueel te worden geïntimideerd. In onze moderne samenleving is deze angst ongegrond, omdat daar passende sancties voor bestaan. Een aantal jonge vrijzinnige moslims noemt de hoofddoek in dezelfde krant dan ook ‘onislamitisch’. In de Koran staat alleen dat een vrouw haar boezem moet bedekken: ‘Nou voorzover ik weet, zitten de borsten van een vrouw niet op haar hoofd’ (Trouw, 1-11-05).
III
Volgens sjeik Fawaz Jneid zegt de Koran daarentegen ondubbelzinnig dat vrouwen niet blootshoofds de straat op mogen gaan. Wie dit ontkent, weet niet waarover hij praat. Ajouaou is een volstrekt onwetende leek die zich ten onrechte uitgeeft voor een islamitische korangeleerde. Zijn ‘beschamende’ manier van schrijven verdient eigenlijk geen aandacht; maar omdat sommige eenvoudige lieden hierdoor kunnen worden misleid, voelen ‘wij’ (de verzamelde schriftgeleerden?) ons genoodzaakt deze ‘leugens’ te weerleggen.
‘Allah zelf zegt’ (volgens zijn zegsman) in de betreffende soera’s dat de vrouwelijke aantrekkelijkheden die niet mogen worden getoond, het gehele lichaam betreffen, met uitzondering van het gezicht en de handen, zoals ook ‘de metgezel Ibnoe Abbas heeft aangegeven’. Allah zegt ook dat zij hun khimaar (een kledingstuk waarmee de vrouw haar hoofd bedekt) over hun boezems moeten dragen, en dat zij hun djilbaab (het lange, wijde gewaad waarmee de vrouw zich van hoofd tot voeten bedekt) over zich heen moeten laten hangen. God heeft nu eenmaal een aantrekkingskracht geschapen tussen man en vrouw, en het verplicht stellen van de hoofddoek is bedoeld ‘ter voorkoming van het prikkelen en opwekken van lustgevoelens bij de mannen door de aantrekkelijkheden van de vrouw’.
De onomstotelijkheid van de koranische ‘bewijzen’ die Fawaz Jneid aanvoert om de ‘leugens’ van Ajouaou en anderen te ontkrachten, zijn minder interessant dan de betweterige en intolerante toon die hij aanslaat. In dit opzicht lijkt hij op de Tilburgse imam Ahmad Salam, die weigerde minister Verdonk een hand te geven (‘Ik kies liever de dood dan een vrouw een hand te geven’), en stelde dat de 49 andere imams die dat wel deden, eenvoudigweg de Koran niet kenden. De mensvisie die hieraan ten grondslag ligt reduceert alle mannen tot hormonaal voortgedreven pubers of potentiële verkrachters die niet voor zichzelf kunnen instaan als een vrouw ze opwindt. Volgens Salam levert de Koran op tal van plaatsen het ‘authentieke bewijs’ dat je een vrouw niet mag aanraken, behalve als zij familie is. Het verbod op handen geven dient om het contact tussen mannen en vrouwen te ‘stabiliseren’, kortom: om zonde en ontucht te voorkomen: ‘De ontucht is hier het aanraken’ (Trouw, 24-11-04). ‘Mannen zijn van nature wolven’, aldus ook Jneid, en de islam ‘is een geloof dat de mensheid beschermt tegen zijn eigen kwaad’. Ook hij weigert vrouwen de hand te schudden, want dan is het hek van de dam. Als vrouwen tussen mannen gaan werken, gaat het onherroepelijk fout, kijk maar naar Clinton en Lewinsky, of naar de seksuele intimidatie van vrouwelijke politieagenten (de Volkskrant, 4-12-04).
IV
Het probleem is dus dat Allah niet zelf zegt wat Hij wil, maar dat al zijn woordvoerders doen alsof Allah zegt wat zij zeggen, waarbij alle anderen worden gediskwalificeerd als ‘onwetenden’, ‘leugenaars’ of ‘ongelovigen’ die het liefst de mond moet worden gesnoerd. Het is dan ook tekenend dat alle partijen in dit debat, de liberale moslims incluis, blijven vasthouden aan het dogma dat de Koran volmaakt, volstrekt ondubbelzinnig en volledig gedetailleerd is, en dus volkomen transparant over alle levenskwesties die er werkelijk toe doen. Die opvatting vindt men bijvoorbeeld ook terug op de site van de Werkgroep Islamitische Bewustwording Nederland (IBN) (http://islamforum.vrijspraak.org), waaraan veel liberale moslimjongeren volgens eigen zeggen hun vrijzinnige geloofsopvatting ontlenen.
Zo verkondigt de Werkgroep met grote stelligheid dat de hoofddoek ‘absoluut geen plaats heeft in de islam’. Het woord hijaab komt welgeteld zeven keer in de Koran voor, en geen enkele keer heeft het iets te maken met kledingvoorschriften van de vrouw. De hoofddoek stamt eerder uit de pre-islamitische Iraanse cultuur van de Zoroastriërs, en is dus het product van een achterlijke cultuur en een ander geloof. Als het koranvers zegt dat vrouwen bescheiden moeten zijn met hun blikken, betekent dat niet dat vrouwen mannen helemaal niet mogen aankijken. De Werkgroep is ook een stuk explicieter in zijn duiding van de vrouwelijke ‘sieraden’: zij moeten hun ‘schaamstreek’ kuis bewaren. Maar je kunt van de Koran niet verwachten dat zij een definitie geeft van hoeveel centimeter onder, boven of naast de schaamdelen die bedekking moet reiken.
Wat volgens het koranvers ‘gewoon al zichtbaar is’, zijn de vrouwelijke vormen, de rondingen van heupen en billen. Men moet hier niet overdrijven, maar de Koran gebiedt zeker niet dat de vrouw haar hele lichaam moet verhullen. Khimaar betekent ‘bedekking’; er is geen sprake van een gezichtssluier of hoofddoek maar van een sluier die de boezem bedekt. Woorden als nek, rug, hals, oren, gezicht, buik, armen, benen en hoofdhaar komen in de betreffende verzen niet voor, kunnen dus niet tot het ‘sieraad’ van de vrouw worden gerekend, en hoeven in principe niet te worden bedekt. De passage waarin vrouwen wordt gevraagd ‘niet met de voeten te stampen’, is een vorm van beeldspraak die wil zeggen dat de vrouw ‘niet verleidelijk moet bewegen om met haar schaamdelen te pronken’.
V
Mijn sympathie gaat in dit debat eerder uit naar rekkelijke moslims zoals Ajouaou of de Werkgroep IBN dan naar het betweterige machismo van imam Fawaz Jneid (of van de jongerensite Elqalem.nl, die de Haagse imam als een goeroe bejubelt). Maar ook de rekkelijke moslims vertonen nog een autoritaire trek wanneer ze zich verschuilen achter de ‘volstrekte eenduidigheid’ van de Koran, en andersdenkenden zonder aarzeling wegzetten als ‘onwetenden’ en ‘dwalende zielen’. De Werkgroep benadrukt dat het volgens de Koran een grote zonde is om zelf religieuze regels te maken, en deze vervolgens verplicht te stellen door ze toe te schrijven aan God. Zelfs de Profeet kreeg van God een duidelijke waarschuwing om geen uitspraken te doen die niet van Hemzelf afkomstig waren: ‘Wee hen die het boek eigenhandig schrijven en dan zeggen: Dit komt van God om het voor een lage prijs te versjacheren’ (2:79). Een zogenaamde openbaring autoriteit verlenen via menselijke spreekbuizen is niets anders dan blasfemie.
Maar het wonderlijke is natuurlijk dat ook de vrijzinnige moslims van IBN hun betrekkelijk verlichte denkbeelden legitimeren door zich te beroepen op de onwrikbare waarheid van het Heilige Boek. Alcohol en gokken worden afgeraden, maar zijn niet verboden. Je mag alleen niet bidden wanneer je dronken bent. Dat muziek en afbeeldingen van mensen of dieren verboden zijn, of dat ritueel slachten verplicht is, zijn ‘absurde overtuigingen’ die nergens in de Koran zijn te vinden. Dat je gewoon moet aannemen wat de schriftgeleerden zeggen en niet zelf je verstand mag gebruiken ‘klinkt als fascistenpraat van de eerste graad’ (daar kan Fawaz Jneid het mee doen!). De Koran benadrukt juist het eigen denkproces. Iedere moslim heeft het recht om kennis te vergaren, uit te zoeken hoe iets zit en zijn eigen conclusies te trekken. Het blind volgen van anderen of van de traditie wordt door de Koran juist veroordeeld, want ‘er is geen dwang in de godsdienst’ (2:256).
Bovendien moet een cruciaal onderscheid worden gemaakt tussen de Koran en de overleveringen en uitspraken van de Profeet. Omdat die twee geloofsbronnen elkaar dikwijls tegenspreken, de Koran als Gods eigen woord per definitie geen tegenstrijdigheden bevat, en de hadith geen goddelijke openbaring is, kunnen de overleveringen van de Profeet niet horen bij de zuivere islam. Het merendeel van wat in de hadith wordt verkondigd, is dan ook leugen en bedrog. In de lange keten van overleveraars kan er natuurlijk gemakkelijk iets misgaan. Mensen zijn feilbaar, God niet. Ook Mohammed was een mens en kon dus fouten maken. De meeste hadiths zijn niet authentiek, en degenen die dat wel zijn, bevestigen alleen maar wat er in de Koran staat. Degenen die dit niet snappen zijn ‘dwalende zielen’, aldus deze vrijzinnige moslims.
Zo bevat de hadith een hele reeks van vrouwvijandige uitspraken die geen enkele grond vinden in de Koran zelf. Het beruchte koranvers 4:34, dat vaak wordt aangehaald als een bewijs dat je vrouwen mag slaan, is gewoon verkeerd vertaald. De passage gaat over het recht om een vrouw als laatste remedie ‘uit huis te zetten’ als zij vreemdgaat en hierover geen berouw toont. Dat polygamie in de islam is geoorloofd is, volgens de vrijzinnigen, een ‘hormoongedreven mannenfantasie’ die voortkomt uit het feit dat mensen Gods openbaring interpreteren met hun lust en niet met hun verstand. Het koranvers 2:223, dat zegt dat de vrouw voor de man een ‘akker’ is, die naar believen mag worden ‘benaderd’, moet niet ‘akelig seksistisch’ worden opgevat, waarbij de vrouw wordt gereduceerd tot één grote vagina en tot een ‘babymakend seksobject’. De Koran ziet de vrouw ‘als een persoon en niet enkel als een stuk vlees’. Dat wil zeggen dat ‘alle delen van de vrouw vruchtbare delen zijn om meer genegenheid, liefde, warmte en lust tussen mannen en vrouwen op te wekken’.
VI
Als er één ding duidelijk wordt uit deze soms hilarische theologische muggenzifterij, dan is het wel dat zoiets als de ‘zuivere’ islam niet bestaat, en dat je met de Koran (net als met de Bijbel) zo’n beetje alle kanten op kunt. Het is dan ook merkwaardig om te zien dat seculiere islamcritici zoals Ayaan Hirsi Ali, Hans Jansen of Paul Cliteur in spiegelbeeld dezelfde zuiverheidsobsessie koesteren, en degenen die het anders zien op hun beurt kapittelen omdat zij ‘naïef’ en ‘onwetend’ zijn omtrent de ware strekking van de Koran. Maar Hirsi Ali’s stelling dat er maar één islam bestaat, namelijk ‘die van de Koran en de hadith en de Profeet Mohammed’, stuit minstens op het bezwaar dat tal van rekkelijke moslims de overleveringen niet rekenen tot de zuivere islam, en de Profeet zelf als een historische en dus feilbare figuur beschouwen. Haar overtuiging dat alle moslims per definitie onderworpen zijn aan een absolute Allah en een absolute Mohammed blijft wringen met het vrijzinnige uitgangspunt dat het blindelings volgen van de traditie of van schriftgeleerden door de Koran juist wordt veroordeeld.
Terwijl vrijzinnige moslims stellen dat de Koran ‘overduidelijk’ de gelijkwaardigheid predikt tussen man en vrouw, bewijzen de radicale Verlichters met evenveel aplomb dat de islam een machistische en vrouwvijandige godsdienst is. Terwijl de eersten met de hand op de Koran beweren dat de islam in wezen vredelievend is, sluiten Hirsi Ali c.s. zich aan bij de radicaal-fundamentalistische overtuiging dat dezelfde Koran oproept om afvalligen en ongelovigen te doden. Als de ene partij ‘bewijst’ dat het begrip djihad staat voor ‘het zich inspannen op Gods weg’, ‘bewijzen’ zowel Mohammed B. als Ayaan Hirsi Ali dat dit begrip alleen maar kan slaan op de Heilige Oorlog. Als gematigde moslims de terreur- en zelfmoordaanslagen ‘onrein’ en ‘onislamitisch’ noemen, en zien als misbruik van het geloof door ‘fascistoïde fundamentalisten’, tonen de aanhangers van Bin Laden en de radicale Verlichters in commissie aan dat terreur en martelaarschap logisch voortvloeien uit de ‘zuivere’ islam.
Gezien deze fundamentele onenigheid zou het beter zijn om elk essentialisme (het idee dat je het wezenskenmerk, de zuivere kern, kunt bepalen) ten aanzien van de teksten, geschiedenis en tradities van de islam voortaan te vermijden. De islam is een veelkleurig tapijt dat men niet naar de ene of de andere kant moet oprollen. Het is net zo misleidend om de islam te beschouwen als ‘in de kern’ gewelddadig, totalitair en terroristisch, als om hem ‘in wezen’ zacht en vredelievend te noemen. Oorlog en vrede zijn veeleer de uiterste polen die een uitgebreid continuüm naar twee kanten afbakenen: ‘de’ islam is niets anders dan dit continuüm. In dit licht heeft het even weinig zin om islam en terreur aan elkaar gelijk te stellen, als om te blijven weigeren om tussen beide enigerlei verband te zien. Ook vredelievende moslims zullen moeten erkennen dat de oorlogstraditie is ingebakken in de geschiedenis van de islam, en dat terroristen zich niet voor niets op het geloof beroepen. Andersom moet men zich blijven verzetten tegen het vooroordeel van zowel islamisten als Verlichters dat softe liberale moslims geen ‘echte’ moslims zouden zijn. Hoofddoekje of heilige oorlog: je kunt met de islam alle kanten op. ‘Zuivere’ moslims bestaan niet. De Koran bevat geen heldere, ondubbelzinnige, universeel dwingende boodschap. Het zou goed zijn als zowel gelovigen als ongelovigen hun hang naar zuiverheid wat meer zouden relativeren en bereid zouden zijn om de deuren van de ijtihad (de vrije interpretatie) verder open te zetten.