Uit de burgerschapskalender:

De omgeving
van de mens
is zijn medemens

J.A. Deelder
uit Vrijwel alle gedichten (2004), De Bezige Bij
18 september Nationale Burendag
www.burendag.nl

Eén van de meest opmerkelijke dingen in Gouda in de avond van 11 september 2004 (en eerder ook al op 6 mei 2002 en 2 november 2004) was de relatieve rust in veel straten. Relatieve rust met betrekking tot de aanwezigheid van Marokkaans-Nederlandse jongeren dan. Verschillenden onder hen hadden van hun ouders te horen gekregen dat ze binnen moesten blijven. Nog opmerkelijker dan dat, was dat bijna iedereen die dat gezegd was en er ook gehoor aan had gegeven (tenminste van degenen die ik gesproken heb). Natuurlijk waren er wel jongeren buiten en ook enkelen die zich provocerend gedroegen, maar over het algemeen was het rustig. Angst overheerste bij de ouders en sommige ouders stelden dat ze serieus gedacht hadden bij alledrie de momenten dat ze hun koffers moesten pakken. In een onderzoek later in Gouda (2005 en 2006) waar ook autochtone Gouwenaars aan meededen, bleek dat onder Marokkaanse Nederlanders én autochtone Nederlanders de angst voor een burgeroorlog aanwezig was. Zelfs degenen die dat ongeloofwaardig vonden, bevestigden wel de angst en de nervositeit in de eerste dagen na de gebeurtenissen.

Beter een goede buur dan een vriend. Maar wat als je je buurman niet meer vertrouwt. Enige tijd terug schreef ik met Thijl Sunier hier het volgende over naar aanleiding van de kritiek op Tariq Ramadan:
De paradoxale zaak Tariq Ramadan | Standplaats Wereld

Hier manifesteert zich de diep gewortelde angst dat de Westerse beschaving maar dun is en zo kan omslaan in het tegendeel. Het fundamentele probleem van het kennen van de (nabije) ander, schuilt ook in het christelijke gebod over liefde voor de buurman, de naaste. Iemand die van ver komt en fysiek, ruimtelijk en cultureel steeds meer nadert, vormt een existentieel gevaar. Het zijn thema’s die vanaf het eind van de 19e eeuw ook in literatuur en film veelvuldig zijn gebruikt.

Naarmate die ander meer op ‘ons’ lijkt, wordt dat probleem niet persé kleiner. Iemand kan immers een wolf in schaapskleren zijn en aangezien je een wolf in schaapskleren alleen kunt herkennen aan….zijn schaapskleren zijn ook ‘goed aangepaste’ moslims te wantrouwen. Een dergelijke houding is het gevolg van en reproduceert een sterk wij-zij denken. Zo sterk dat de grijstinten niet meer gezien kunnen worden. Vandaar ook dat het bij integratie niet alleen gaat om uiterlijk en praktijken, maar ook om gedachtegoed en gevoelens van de Ander; ook die moeten in overeenstemming zijn met wat ‘wij’ zien als de consensus. Dat dient expliciet te gebeuren en vandaar ook de veelvuldige vraag aan moslims om zich te distantiëren ten opzichte van aanslagen en dergelijke. Als het niet openlijk gebeurt weet je immers nog niet wat er onder die schaapskleren zit.

Hierbij hoort dat bepaalde gebeurtenissen die dienen als morele ijkpunten ‘heilig’ worden verklaard. Zo is Ground Zero ‘hallowed ground’ en is gezien de tegenstelling Islam – Westen, de bouw van een moskee daar onmiddellijk (op z’n minst) een nieuwsfeit. De bouw van een cultureel centrum met gebedsruimte vlakbij Ground Zero is dan volgens sommige groepen een belediging voor de slachtoffers van 9/11 en daarmee een overwinning van moslims of moslimextremisten. Het is een schijntegenstelling. Zo vergeten we dat er toch zo’n 360 moslims zijn omgekomen bij de aanslagen van 11 september. De architect die het WTC ontwierp, Yamasaki, schijnt in zijn ontwerpen mede beïnvloed te zijn door architectuur uit moslimlanden (waar hij betrokken was) en onder meer elementen uit Mekka verwerkt te hebben in zijn werk. Er schijnt zelfs een gebedsruimte in het WTC te zijn geweest. John Esposito maakt er kort melding van in zijn boek The Future of Islam en kort geleden stond er in een stuk in de New York Times over deze gebedsruimte:On Religion – Muslim Prayer Room Was Part of Life at Twin Towers – NYTimes.com

Over the next few days, noticing some fellow Muslims on the job, Mr. Abdus-Salaam voiced an equally essential question: “So where do you pray at?” And so he learned about the Muslim prayer room on the 17th floor of the south tower.

He went there regularly in the months to come, first doing the ablution known as wudu in a washroom fitted for cleansing hands, face and feet, and then facing toward Mecca to intone the salat prayer.

On any given day, Mr. Abdus-Salaam’s companions in the prayer room might include financial analysts, carpenters, receptionists, secretaries and ironworkers. There were American natives, immigrants who had earned citizenship, visitors conducting international business — the whole Muslim spectrum of nationality and race.

Leaping down the stairs on Sept. 11, 2001, when he had been installing ceiling speakers for a reinsurance company on the 49th floor, Mr. Abdus-Salaam had a brief, panicked thought. He didn’t see any of the Muslims he recognized from the prayer room. Where were they? Had they managed to evacuate?

He staggered out to the gathering place at Broadway and Vesey. From that corner, he watched the south tower collapse, to be followed soon by the north one. Somewhere in the smoking, burning mountain of rubble lay whatever remained of the prayer room, and also of some of the Muslims who had used it.
[…]
“Iftar was my best memory,” said Sekou Siby, 45, a chef originally from the Ivory Coast. “It was really special.”

Such memories have been overtaken, though, by others. Mr. Siby’s cousin and roommate, a chef named Abdoul-Karim Traoré, died at Windows on the World on Sept. 11, as did at least one other Muslim staff member, a banquet server named Shabir Ahmed from Bangladesh.

Fekkak Mamdouh, an immigrant from Morocco who was head waiter, attended a worship service just weeks after the attacks that honored the estimated 60 Muslims who died. Far from being viewed as objectionable, the service was conducted with formal support from city, state and federal authorities, who arranged for buses to transport imams and mourners to Warren Street.

There, within sight of the ruins, they chanted salat al-Ghaib, the funeral prayer when there is not an intact corpse.

“It is a shame, shame, shame,” Mr. Mamdouh, 49, said of the Park51 dispute. “Sometimes I wake up and think, this is not what I came to America for. I came here to build this country together. People are using this issue for their own agenda. It’s designed to keep the hate going.”

De realiteit is toch vaak wat schrijnender dan die simpele zwart-wit tegenstellingen ons willen doen laten geloven. Die zwart-wit tegenstellingen zijn wel makkelijk politiek te exploiteren.