Uit de burgerschapskalender:

“Echt aandacht hebben voor een ander is de basis van verantwoordelijk burgerschap”, zegt een deelnemer aan de discussie in Groningen. Een goed voorbeeld zijn de “buddy’s”, maatjes die volwassenen of kinderen met problemen ondersteunen. Mooie gedachte die is voortgekomen uit de buddyprojecten voor aidspatiënten.
1 december Wereld Aids Dag

Onder sommige moslimgroepen zou men het eerder over ‘broederschap’ en ‘zusterschap’ hebben dan over buddy’s. Het is ook niet helemaal hetzelfde, maar de invulling van de begrippen vertoont wel overeenkomsten. Broeders en zusters in het geloof, is een veel voorkomende term waarmee jonge ‘salafisten’ naar elkaar verwijzen op internetfora, chatrooms, tijdens bijeenkomsten in buurthuizen her en der in het land en in moskeeën. Het is ook de term waarmee predikers hen aanspreken tijdens hun lezingen en lessen. Ik zal me hier vooral richten op het eerste. De term broeders en zusters is op diverse manieren te interpreteren, maar ik beperk me hier tot het idee van vriendschap en verwantschap in relatie tot sociale bewegingen. In literatuur over sociale bewegingen of over religieuze bewegingen is het thema vriendschap en verwantschap zeer belangrijk. Er wordt voortdurend verwezen naar vriendschappen die men opdoet in bepaalde bewegingen, dat men naar bepaalde bijeenkomsten gaat samen met vrienden, dat mensen schijnbaar veel sneller geneigd zijn om toe te treden tot bepaalde religieuze bewegingen wanneer zij daarvoor door vrienden benaderd worden. Studies naar de vredesbewegingen laten zien hoe nieuwe leden vooral worden gerekruteerd in kringen waar veel vrienden en verwanten al lid waren. Dergelijke netwerken spelen ook een belangrijke rol in het mobiliseren van de participanten in bewegingen. Onderzoek onder radicaal-rechtse bewegingen in België laat zien dat het lidmaatschap van sociale bewegingen gevoelens van verbondenheid kan oproepen en een basis vormt voor zekerheid, broederschap (of zusterschap), vertrouwen en solidariteit. Daarnaast biedt een netwerk van vrienden en verwanten die al lid zijn van zo’n beweging ook een potentiële bevestiging van de eigen ideeën, waardoor deze plausibeler worden. De netwerken geven eveneens een beloning (in de zin van steun, positieve bevestiging) voor conformisme en bekering.

Ondanks het overduidelijke belang van vriendschappen en verwantschap bij het toetreden tot en actief zijn in een sociale beweging, is er toch relatief weinig onderzoek gedaan naar de ontwikkeling en aard van deze vriendschappen. Mijn uitgangspunt daarbij is vriendschap en het idee dat vriendschappelijke relaties anders van aard zijn dan bijvoorbeeld relaties tussen collega’s, familieleden, met leerkrachten, enzovoorts, zoals antropologisch onderzoek laat zien (anthropology of friendship). Vriendschap bestaat uit informele, niet geïnstitutionaliseerde, persoonlijke banden die ingebed zijn in een breder repertoire aan sociale en culturele praktijken.

Het belang en de invulling van vriendschap kan variëren binnen samenlevingen en groepen en de uitingen van vriendschap zijn dan ook verbonden met lokale en mondiale praktijken en voorstellingen over menselijke relaties. Op basis van recent onderzoek kunnen we zien hoe de Marokkaans-Nederlandse moslimjongeren in de puberteit steeds nadrukkelijker culturele en religieuze verschillen ervaren in vergelijking met autochtone jongeren. Ze proberen daarbij op verschillende manieren hun religieuze identiteit vorm te geven in relatie tot de buitenstaanders. Trees Pels laat zien dat de socialisatie van Marokkaans-Nederlandse jongeren in de peergroup van relatief groot belang is, doordat ze beïnvloedbaarder zijn en sterker gehecht zijn aan vrienden dan autochtone jongeren. De peergroup geeft jongeren de mogelijkheid om te experimenteren en kan een zeer belangrijke steun zijn voor jongeren. Tijdens de puberteit kan men culturele en religieuze verschillen met niet-moslims ‘ontdekken’, bijvoorbeeld het wel of niet drinken van alcohol, uitgaan en relaties tussen jongens en meisjes. Het gaat daarbij niet zozeer om gedrag (er zijn genoeg moslimjongens en -meisjes die uitgaan, alcohol drinken en relaties hebben), maar vooral om de normatieve aspecten van dat gedrag. Zeker voor meisjes geldt dan ten opzichte van niet-moslims dat, zoals ze zelf zeggen, ‘de interesses uit elkaar gaan lopen’. Dit betekent dat door de verschillende verwachtingen die de omgeving heeft van moslimjongeren en niet-moslims en door hun eigen perspectief, jongeren van verschillende etnische en religieuze groepen ook verschillende keuzes maken.

Dit maakt vriendschappen niet onmogelijk, maar schept wel een afstand tussen de verschillende jongerengroepen. Meningsverschillen tussen moslimjongeren en andere jongeren over bijvoorbeeld ‘11 september’ en ‘Geert Wilders’ scherpen de verschillen nog eens aan. Jongeren trekken dan naar elkaar toe en voelen zich gaandeweg meer verbonden met elkaar en soms ook met ‘moslimbroeders’ en ‘moslimzusters’ elders. Wat daarbij ook een rol speelt is dat veel Marokkaans-Nederlandse moslimjongeren gebruik maken van andere informatiebronnen dan veel autochtone niet-moslimjongeren. De Marokkaans-Nederlandse jongeren in mijn onderzoek kijken naast Nederlandse televisie ook naar bijvoorbeeld Al Jazeera en de Marokkaanse televisie. Dirk Oegema heeft enige tijd geleden ook laten zien dat hier sprake is van en/en (zowel Nederlandse als buitenlandse kanalen kijken) in plaats van of/of (het kijken van buitenlandse kanalen ten koste van de Nederlandse). Vooral wanneer op die zenders aandacht besteed wordt aan de kwestie van Israël en de Palestijnen, zijn jongeren geïnteresseerd. De etnische identiteit verdwijnt dan naar de achtergrond doordat moslims met een andere etniciteit (‘Turks’, ‘Somalisch’ of ‘Nederlands’) gezien worden als deel van dezelfde groep. De identificatie met de ummah heeft echter ook etnische kenmerken zoals ik in mijn proefschrift heb laten zien. De ummah is weliswaar niet gebaseerd op een vermeende bloedverwantschap, maar dit wordt gecompenseerd door verwijzingen naar medemoslims als ‘broeders’ en ‘zusters’. De identificatie met de ummah creëert een spirituele, historische en politieke band tussen individuen. De verwijzing naar de ummah wordt gebruikt om een onderscheid te maken met niet-moslims, en tegelijkertijd een gevoel van verbondenheid te creëren. Hiermee vindt ook een vermenging plaats tussen vriendschap en ‘spirituele’ verwantschap. Vriendschap en verbondenheid worden hiermee religieus ingekaderd en hebben niet alleen betrekking op affectieve relaties, maar hebben ook een disciplinerend aspect. We zien dat ook bij het proces waarbij jongeren, tieners, niet voor elkaar onder willen doen in hun religiositeit; een soort van ‘vroomheidcompetitie’ zeg maar. Het disciplinerende aspect van vriendschap zien we ook wanneer men anderen vermanend toespreekt (bijvoorbeeld omdat gesprekken over te gevoelige onderwerpen gaan of te agressief worden). Ook wanneer men anderen wil mobiliseren, worden de termen ‘broeders’ en ‘zusters’ gebruikt. Daarmee wordt als het ware een ‘islamitisch’ repertoire aangeroepen om het gedrag van mensen te veranderen.

Vriendschap speelt dus een belangrijke rol in de toetreding tot, participatie in en mobilisatie van sociale bewegingen. Mensen gaan zelf vriendschappelijke relaties aan en geven die ook zelf inhoud. Zij zoeken daarbij naar een omgeving waarin ze zich welkom voelen. De warme en opgewekte sfeer die op veel islamitische bijeenkomsten heerst (naast de zeer serieuze en ernstige lezingen) draagt daar ook aan bij (wordt door sommigen overigens ook wel als benauwend ervaren). Een individu zal niet snel uit een vriendennetwerk stappen. Deels vanwege de druk zoals in een vroomheidcompetitie of het risico alle vrienden te verliezen, maar juist ook omdat vrienden bij uitstek diegenen zijn van wie men zich iets aan trekt als het gaat om adviezen en commentaren over het eigen gedrag, houding en opvattingen.

En dan tot slot een open deur (maar wat heb je aan open deuren als je ze niet intrapt?), vriendschap hoeft natuurlijk geenszins beperkt te blijven tot relaties binnen etnische of religieuze groepen. Een mooi voorbeeld zien we in de film Arranged waarin een Joodse vrouw en een moslim vrouw, beiden lerares op dezelfde school, ontdekken dat ze vooral veel zaken gemeen hebben; niet in het minst de druk van hun familie om een (ge-arrangeerd) huwelijk aan te gaan.

[youtube:http://www.youtube.com/watch?v=YJ50OHibLq0]