Moskja – Een korte geschiedenis van moskeebouw in Nederland

Dit tweette scheidend CMO-voorman Yassin Elforkani naar aanleiding van het bericht dat er geen moskee komt in Assendelft. De reden zou zijn dat de financiering niet volledig geregeld was maar de initiatiefnemers ontkennen dit en zouden naar de rechter willen stappen. In Trouw stond een bericht met soortgelijke strekking nadat ook de plannen voor een nieuwe Goudse moskee voorlopig niet doorgaan:

Volgens Farid Azarkan van het Samenwerkingsverband Marokkanen in Nederland (SMN): “Ambtenaren gaan alles tot in detail checken: is het wel volgens het boekje gegaan? Ze zijn strakker, omdat ze vrezen voor verwijten van anti-islam-bewegingen.”

“Dit krijg je als moslims steeds over een kam worden geschoren met aanslagplegers. Dan durft de politiek niet meer. Terwijl de moskee in Gouda een heel realistisch plan geworden was.”

Zanzen: ‘een sentiment van haat en onwil’. “Er worden gewoon excuses gezocht om de bouw niet door te laten gaan. Ambtenaren zijn bang voor de weerstand vanuit de samenleving.” Dat de moskeebouw in Assendelft niet doorgaat omdat er ‘geen financiële middelen’ zouden zijn, noemt Zazen onzin. “Als een eerste paal er staat, komt het geld er vanzelf. Dan pas gaan mensen flink doneren.”

Milli Görüs herkent het beeld woordvoerder Omer Karaca: “Nu hebben niet meer alleen moslims er last van, maar zijn ook niet-moslims doelwit geworden van islamofobisch activisme. Zo erg is het al.” (naar aanleiding bedreigingen raadsleden)

Zanzen: “Dat is niet het geval. Er komen alleen nieuwe gebouwen. Bestaande moskeeën verhuizen naar een moderner gebouw Na jaren van inzamelingsacties willen ze eindelijk uit een krot of garage vandaan.” (een reactie op het idee dat het telkens gaat om nieuwe moskeeën)

Naar aanleiding van de tweet van Elforkani, kreeg hij kritiek van Carel Brendel die hem zo diverse voorbeelden van moskeeën kon opnoemen die wel aan nieuwbouw of renovatie kunnen beginnen of waar het succesvol afgerond is. Elforkani moest daarop toegeven dat Brendel gelijk had

Brendel en diverse andere commentatoren bestempelden de uitlatingen in Trouw daarna dan ook als stemmingmakerij. Hoe zit het nou eigenlijk? Hieronder een korte geschiedenis van de Nederlandse moskeebouw na 1983 die laat zien dat de uitlatingen van ELforkani en anderen niet correct zijn, maar ook niet onlogisch.

Nederland telt ruim 450 moskeeën; het precieze aantal varieert iets want er komen moskeeën bij en er sluiten moskeeën en het is niet altijd even duidelijk wat nu telt als moskee. Gaan we even voorbij aan het laatste, dan kunnen we op basis van onderzoeken vaststellen dat een duidelijk patroon waar te nemen valt bij de moskeebouw: initiatieven voor de bouw van een moskee zijn vaak succesvol, maar gaan ook vrijwel altijd gepaard met politiek-maatschappelijke ophef. Het is de moeite waard om dit patroon iets verder te ontleden waarbij ik me onder andere baseer op onderzoek van Jan Rath, Kees Groenendijk, Rinus Penninx, Nico Landman, Thijl Sunier, Marcel Maussen, Eric Roose en Pooyan Tamimi Arab.

Islamofobie, godsdienstvrijheid en het gelijkheidsbeginsel

Islamofobie of anti-islam racisme speelt vanaf het begin een rol wanneer het gaat om hoe de Nederlandse samenleving en het bestuur reageren op de institutionalisering van islam. Rath e.a. stellen dat de collectieve verbeelding van islam een grote rol speelt in de debatten in de jaren tachtig en negentig. In die beeldvorming gaat het om moslims die niet zouden willen integreren, vrouwen ongelijk zouden behandelen, vatbaar zouden zijn voor transnationale ultra-conservatieve invloeden en waarbij de islam staat voor pre-moderne elementen die vreemd zouden zijn aan de Nederlandse cultuur.

Daar staat tegenover dat het principe van godsdienstvrijheid stevig verankerd is in de Nederlandse wetgeving. Het is precies die vrijheid van godsdienst die moslims de ruimte biedt om het institutionele islamitische leven op te bouwen bijvoorbeeld via moskeeën en islamitische scholen. De aanwezige islamofobie doet daar eigenlijk weinig aan af in de jaren tachtig en negentig. Dat komt ook door een ander principe: het gelijkheidsbeginsel. Het idee is dat als christenen het recht hebben om hun eigen gebedshuizen op te richten andere religieuze groepen, en dus ook moslims, dat ook mogen. In 1983 veranderde de Grondwet in Nederland waardoor allerlei voordelen die religieuze instituties hadden wegvielen. Dat had het nadeel voor moslims dat zij niet meer gebruik konden maken van die financiële voorzieningen, maar had als voordeel dat de overheid haar verhouding ten opzichte van religieuze groepen moest aanpassen: niet alleen christenen, maar ook joden, hindoes en moslims. Allerlei zaken zoals geestelijk verzorging werden toen snel geregeld; ook voor moslims.

Kenmerken van het proces van institutionalisering

Op basis van het onderzoek van Rath ea kunnen we de volgende kenmerken van het institutionaliseringsproces vaststellen die golden in de jaren tachtig:

  1. Moslims krijgen over het algemeen ondersteuning voor hun instituties maar vaak pas na lange onderhandelingen en zeker niet vanzelfsprekend en zonder voorwaarden. Deze voorwaarden zijn gericht op dialoog, integratie en op een wijze van organiseren zoals die in Nederland gebruikelijk is en zijn gericht tégen orthodoxie.
  2. Claims die gebaseerd zijn op een gelijke behandeling roepen minder bezwaren op dan claims die om groepsspecifieke regels vragen. Dit is een uitvloeisel van het gelijkheidsbeginsel.
  3. De strijd rondom institutionalisering speelt zich vooral af op het terrein van de scheiding kerk – staat en het minderhedenbeleid. Dit laatste zorgt ervoor dat moslims ook binnen beleid en debat voortdurend als buitenstaanders worden beoordeeld: wel burgers van Nederland maar zonder onderdeel te zijn van een morele gemeenschap.
  4. De regulerende beginselen laten veel ruimte voor interpretatie en daarmee kunnen er behoorlijke verschillen in beleid ontstaan tussen gemeenten, maar deze verschillen lijken af te nemen in de loop van de jaren negentig.

(Rath e.a. 1996: 242-245).

Bestendiging en breuklijnen

In grote lijnen blijft dit patroon ongewijzigd ook in deze eeuw zo wijst eigenlijk al het onderzoek uit. Landman en Wessels laten zien hoe de zwak de oppositie tegen moskeeën vaak was en hoe telkens dezelfde tegenargumenten terugkeren die echter stuiten op een welwillende houding van bestuurders ten opzichte van de initiatiefnemers van moskeeën en een technocratische houding van diezelfde bestuurders ten opzichte van het hele proces van aanvraag tot realisering. Roose stelt dat de discussie over het uiterlijk van de moskee vaak voorbijgaat aan de intenties van de initiatiefnemers en de belangenstrijd tussen verschillende groepen moslims onder andere over oriëntatie van de moskee. Sunier laat daarbij zien hoe ook discussies onder moslims over de positionering van moslims in een specifieke religieus-historische context een rol spelen.

Volgens Maussen is er bij onderzoekers discussie over de vraag hoe de institutionalisering van islam zich verhoudt tot verzuiling waarbij de meeste onderzoekers het er wel over eens zijn dat er geen sprake is van een islamitische zuil en dat er onder beleidsmakers ook weinig ruimte was voor dat idee. In de jaren negentig is er wel sprake van een zeer sterke uitbreiding van het aantal islamitische instituties in tal van sociale sferen, maar eind jaren negentig ontstonden al de eerste twijfels bij opiniemakers, politici en beleidsmakers waarbij het onder meer gaat om buitenlandse invloeden (via financiering) en om de vraag hoe deze instituties zich verhouden tot integratie.

Deze twijfels passen bij het idee dat eveneens opkomt in de jaren negentig dat cultuur van migranten een hindernis is bij integratie en het past ook bij de twijfels die er zijn of meer culturele diversiteit niet leidt tot een bedreiging van de sociale cohesie. Deze nadruk op cultuur, waarbij specifieke stereotype beelden worden gegeneraliseerd over specifieke groepen migranten is een vorm van racisme die ook wel cultureel racisme, culturalisering of culturisme wordt genoemd (met de nodige discussie over de vraag of dit wel vormen van racisme zijn).

Landman en Wessels stellen daarbij in 2005 dat de welwillende houding en gedepolitiseerde technocratische houding van politici en beleidsmakers wel eens zou kunnen afnemen met de opkomst van populistische politici zoals Fortuyn doordat de meer mainstream politici de retoriek in lichte vorm overnemen. Dit lijkt een terechte vraag nu de veel meer militante PVV met Wilders zo’n sterke aanhang heeft en ook lokaal veel invloed heeft. De zwakke oppositie die Landman en Wessels eerder signaleerden lijkt sterker geworden te zijn door het electorale succes van de PVV en het feit dat islamofobe argumenten en logica veel minder taboe zijn dan voorheen. Rath ea vragen zich in 2004 in een update van de eerder genoemde publicatie af of het gelijkheidsbeginsel niet onder druk komt te staan. Volgens mij kunnen we inderdaad stellen dat in ieder geval de openlijke steun van politici voor dat gelijkheidsbeginsel is afgenomen en in sommige casussen zelfs helemaal afwezig is. Media-aandacht bemoeilijkt ook de totstandkoming van nieuwe gebouwen omdat, zoals Pooyan Tamimi Arab en Oskar Verkaaik in een nog te verschijnen artikel betogen, dit ervoor zorgt dat de overheid minder steun geeft aan de plannen.

Zichtbaarheid en een regime van surveillance
Wellicht speelt ook een rol dat er gaandeweg meer nieuwbouwmoskeeën komen waardoor ook de islam zichtbaarder wordt in het publieke leven juist in een periode waarin de acceptatie van religie in het publieke domein en in het bijzonder ook dat van de islam verder onder druk komt te staan. Ook het gegeven dat de islam momenteel niet alleen wordt besproken in termen van integratie, maar ook in termen van veiligheid speelt een rol. Het gegeven dat er islamitische organisaties zijn die aanslagen plegen wordt gebruikt door bewoners en politieke entrepeneurs om te legitimeren dat men niet blij is met (meer) islam. Door het leggen van een link tussen een gewone moskee in Nederland met terrorisme, staan moslims en hun initiatieven bij voorbaat in de verdachtenbank. We kunnen dit een surveillanceregime noemen: een situatie waarin moslims voortdurend geïnterpelleerd worden door een optelsom van onderzoeken, debatten, berichten in de media en beleidsmaatregelen waarin islam en de aanwezigheid van moslims wordt gereduceerd tot een veiligheidsissue of een integratieissue. Het is een regime dat sterker lijkt te worden naar mate er meer media-aandacht is en de oppositie tegen moskeeën en islam maakt daar dan ook gebruik van.

De uitlatingen van voormannen als Elforkani moeten volgens mij in het licht van dit surveillanceregime bekeken worden zeker in het geval van Gouda. Hoewel de initiatiefnemers ook kritiek kregen van andere moslims en er veel te doen was over hun ontransparante houding was de smaadcampagne waarschijnlijk sterker dan welke transparantie dan ook. Er zou een atoombunker zijn (en die moet je met moslims natuurlijk niet willen): een leugen. De moskee zou een muur willen tegen andere bezoekers. Een leugen. En de moskee zou enorm veel geld krijgen uit het buitenland. Nog een leugen. En raadsleden werden bedreigd. Geen leugen.

Gouda zou daarom wel eens een afwijking van het patroon kunnen zijn. En voorlopig een incident. Wanneer de initiatiefnemers zich aan de regels en houden en de financiering voor elkaar krijgen is er normaal gesproken eigenlijk niet veel wat een moskee kan tegenhouden; de instrumenten van de gemeenten zijn in dit opzicht beperkt. Daarbij is er soms ook oppositie van moslims. Niet iedereen wil verhuizen van de oude vertrouwde moskee naar een nieuwe elders en sommigen hebben bezwaren tegen de grootte of tegen de hoge kosten.

Nu is de financiering natuurlijk wel een kwestie. De Nederlandse overheid subsidieert geen moskeebouw, maar kan wel gunstige financiële regelingen treffen bijvoorbeeld met de verkoop van grond. Als de welwillendheid van de bestuurders afneemt is de financiering waarschijnlijk het eerste probleem omdat de giften van de plaatselijke moslims meestal niet voldoende zijn. Natuurlijk kan er ook geld uit het buitenland komen, maar dit is omstreden en toezeggingen worden lang niet altijd nagekomen. Maar inmiddels zijn er al andere kanalen waarmee de financiering geholpen kan worden.

Overigens dienen we ook vast te stellen dat de grootste golf aan moskeebouw al lang achter de rug is: die was in de jaren negentig. Het gaat nu vaak om moskeeën die willen renoveren of die samengaan in één gebouw zoals in Gouda. Samenvattend kunnen we concluderen dat hoewel het gelijkheidsbeginsel en de vrijheid van godsdienst voor moslims onder druk staan, het buitengewoon lastig is om deze daadwerkelijk aan te tasten en dat daarom initiatieven voor moskeebouw meestal succesvol zijn.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*
*
Website