Gastauteur: Annelies Moors

Ruim twee weken geleden maakte ik in het Nieuwsuur programma over ‘het boerka-verbod’ een opmerking over hoge hakken.  Dat riep de nodige reacties op. Zo stelde hoogleraar Koopmans op Twitter:

“Hoge hakken zijn minstens zo problematisch als de boerka’. Aldus Annelies Moors, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Als ex-student en promovendus van dezelfde faculteit biedt [sic] ik u mijn schaamtevolle excuses aan voor zoveel obscurantistische, anti-feministische  domheid

Blijkbaar is een vergelijking van gezichtssluiers en hoge hakken not done.  Maar waar stoorde Koopmans zich nu precies aan? In een volgende tweet kwam er wat meer uitleg. Met verwijzing naar weduweverbranding, meisjesbesnijdenis en gearrangeerde huwelijken, stelt Koopmans  ‘Allemaal dingen die als je ze Annelies Moors-naief aan de betrokkenen vraagt „vrijwillig“ zijn.’ Nog niet helemaal tevreden met zichzelf, volgt er: ‘Wat ik probeerde te zeggen is dat de uitspraak van Moors los van je normatieve opvatting op feitelijke gronden onzinnig is. Het gaat om meer dan een „standpunt“. Dat is nou juist de vreselijke vergissing van het constructivisme: dat alles maar een standpunt is.’

Sekseverschillen in kleding

Nu begrijp ik ook wel dat Twitter geen medium is om uitspraken goed te onderbouwen, maar dit is toch wel het andere uiterste. Toen ik Koopmans’ eerste tweet las, dacht ik direct, ik kan dat niet letterlijk zo gezegd hebben, want ik gebruik de term boerka niet. Dat bleek ook te kloppen. Ik reageerde op de vraag van de interviewster of het feit dat alleen vrouwen een boerka dragen en mannen niet, geen teken van ongelijkheid is, met:

“Er zijn allerlei tekenen van ongelijkheid, die zie je overal, hoge hakken bijvoorbeeld, die worden door vrouwen gedragen en er zijn maar heel weinig mannen die dat doen. Hoge hakken lijken mij minstens zo problematisch, want die zijn niet goed voor je gezondheid.”

Ik zeg hier ‘lijken’, (waar Koopmans ‘zijn’ van maakt), juist om aan te geven dat het geen stellige uitspraak is.  Het werkt wel als een aanzet  voor een discussie over kleding, verschillen tussen mannen en vrouwen,  en betekenisgeving.

Mijn punt was dat de gezichtssluier natuurlijk niet de enige vorm van kleding is die voornamelijk of alleen door vrouwen wordt gedragen. Dat is bijvoorbeeld ook het geval bij hoge hakken. Toch zou niemand het in zijn hoofd halen dat als argument te gebruiken om die hakken dan ook maar te verbieden.  De  verwijzing naar hoge hakken was trouwens geïnspireerd door het stuk van Milou van Rossum in de NRC (16 mei 2019) met de veelzeggende titel ‘Hoge hakken zijn schoenen uit de hel, waarom zou je ze dragen?’ Het antwoord is in ieder geval niet omdat ze prettig lopen. ‘De waarheid is, weet elke vrouw die ze heeft gedragen, dat hoge hakken doorgaans buitengewoon oncomfortabel zijn’.  Van Rossum haalt vervolgens het werk van Summer Brennan aan, die een cultuurgeschiedenis schreef over de hoge hak (High Heel). Deze Brennan laat zien dat hoge hakken tegelijkertijd als zakelijk en representatief (in bepaalde settings wordt verwacht dat je ze draagt) en als erotisch geladen worden gezien. Niet verwonderlijk dus dat hoogleraar B (die van de seksuele intimidatie aan de rechtenfaculteit) vond dat de vrouwen op zijn afdeling hakken moesten dragen… Volgens Brennan doen hoge hakken ook nog iets anders. Ze geeft aan dat ‘een vrouw in beweging’  allang gezien wordt als een probleem. Hoge hakken beperken je bewegingsvrijheid, want ze dwingen je langzamer en vooral voorzichtiger te lopen. Je kunt er niet snel mee wegrennen als je lastiggevallen wordt. En dan zijn er ook nog die vergroeiingen en rugklachten. Kortom, er zijn wel degelijk redenen om het dragen van hoge hakken als problematisch te zien.

Dwang versus vrije keuze?

Maar hoge hakken daar kies je toch zelf voor? En dat geldt toch niet voor ‘de boerka’?  Een steeds terugkerend thema in de discussie over het ‘boerka’-verbod is dat van dwang en onderdrukking.  Ronald Plasterk, eveneens hoogleraar aan de UvA en voormalig minister van onderwijs die een algemeen verbod in het onderwijs voorstond, noemde dit ook weer op Twitter. Een argument dat de wetgever overigens niet gebruikt, die heeft het over communicatie en dienstverlening.

Het is niet vreemd dat mensen gezichtssluiers in verband brengen met onderdrukking. Alleen het gebruik van de term ‘boerka’,  die direct associaties oproept met het regiem van de Taliban in Afghanistan, roept dat al op. In discussies wordt ook vaak een verband gelegd met die landen in het Midden-Oosten waar  kledingvoorschriften aan de bevolking worden opgelegd, zoals in Iran (waar het overigens niet om de gezichtssluier gaat)  of Saoedi-Arabië. En meer recent natuurlijk ook IS. Maar het gaat niet alleen om staatsdwang, ook sociale druk kan een rol spelen.  In settings waar gezichtssluiers gebruikelijk zijn, zoals Sana (Jemen),  waar ik ook onderzoek heb gedaan, was het voor veel vrouwen vanzelfsprekend een gezichtssluier te dragen. Als zij hun gezichtssluier wilden afleggen, riep dat, vooral in meer behoudende kringen, de nodige weerstand op.[1]

Maar in Nederland ligt dat anders. Daar is het geen meerderheidspraktijk om gezichtssluiers te dragen, maar is dat juist heel ongebruikelijk. Het roept in brede kring een gevoel van ongemak op en dat geldt ook onder moslims.  Zelfs bij familie roept het vaak weerstand op. De vrouwen zelf wijzen er ook vaak op dat hun familie of echtgenoot er niet blij mee is. Hier is er juist een sterke sociale druk om geen gezichtssluier te dragen.

Maar meer in het algemeen is zo’n simpele tegenstelling tussen of dwang of vrije keuze niet erg geschikt om te begrijpen hoe we ertoe komen bepaalde kleding te dragen. Veel mensen, ook degenen die zich met hun kleding willen onderscheiden, houden tegelijkertijd rekening met wat gangbaar is in hun sociale cirkel. Zoals die hoge hakken, waarvan in bepaalde beroepsvelden van vrouwen verwacht wordt dat ze die dragen, terwijl mannen zich belachelijk zouden maken als ze dat deden. En wat we dragen wordt ook beïnvloed door wat de mode voorschrijft, wat onze financiële mogelijkheden zijn, en waar we op ethische of religieuze gronden een voorkeur voor hebben.

De betekenissen van symbolen

Maar zijn gezichtssluiers dan niet tenminste een symbool van onderdrukking?  Het lastige is dat symbolen geen eenduidige, vastliggende  betekenis hebben.  Inderdaad, tegenstanders van de gezichtssluier zien deze vaak als een symbool van onderdrukking, dat is dus de betekenis die zij aan gezichtssluiers geven. Maar dat wil niet zeggen dat dat ook geldt voor de betrokken vrouwen. Verreweg de meeste van mijn gesprekspartners in Nederland zagen het dragen van een gezichtssluier als een religieuze praktijk. En wat bedoelden ze daar dan mee? Dat bleek te variëren van een vorm van goddelijke aanbidding, een uitdrukking van liefde voor God, en een verhoogde spirituele beleving van vroomheid, tot het verlangen om de mannelijke blik te vermijden.[2]  Dus zelfs binnen deze kleine groep niqaabdraagsters heeft de gezichtssluier niet precies dezelfde betekenis. En dat geldt eveneens voor hoge hakken. Iemand als Elma Drayer, die ook al viel over mijn verwijzing daarnaar,  ziet dat niet als een schadelijke praktijk die de bewegingsvrijheid van vrouwen beperkt, maar verbindt het met levenslust.[3] En daarmee geeft zij hoge hakken dus een andere betekenis. Natuurlijk zijn sommige betekenissen meer gangbaar dan andere, afhankelijk ook van tijd en plaats, maar er blijft ruimte voor andere interpretaties.

Maar terug naar Koopmans. Hij heeft het duidelijk niet zo op antropologisch onderzoek. Waar hij eigenlijk over klaagt is dat antropologen een andere wetenschapsopvatting hanteren. Hij vindt het maar naïef dat we met mensen gaan praten en dan ook nog luisteren naar wat ze zeggen.  Maar toch, uitgebreid en vaak met betrokkenen praten, ook informeel, en met mensen op stap gaan om te zien wat ze in hun dagelijks leven doen, levert vaak een diepgaander en gelaagder beeld op dan wanneer je een telefonische enquête doet met duizenden respondenten. Zo kun je bijvoorbeeld inzicht krijgen in hoe ze hun manier van kleden al dan niet met religie verbinden,  wat voor betekenissen een gezichtssluier voor hen kan hebben en hoe het deel van hun leven is geworden, onder welke omstandigheden ze deze wel of niet dragen, wat hun familie en omgeving ervan vinden, en hoe ze daarmee omgaan. We hebben niet de illusie te ontdekken wat mensen ‘echt denken’, maar kunnen wel zicht krijgen op welke argumenten ze binnen welke context en op welke manier naar voren brengen en wat ze in de praktijk doen. Maar Koopmans hoeft helemaal niet met niqaabdraagsters te praten, want hij weet het allemaal al.

Annelies Moors is hoogleraar bij de afdeling antropologie van de Universiteit van Amsterdam. Een overzicht van haar onderzoek met niqaabdraagsters, vindt u HIER.

[1] Zie Annelies Moors, ‘Fashionable Muslims: Notions of Self, Religion and Society in San’a’, Fashion Theory 11 (2007) 2/3: 319-347.

[2] In Sana hadden vrouwen het vaak over het volgen van lokale gebruiken,  waar sommigen nog aan toevoegden dat het bedekken van het gezicht Islamitisch gezien niet verplicht was.

[3] ‘Alsof er geen afgrond gaapt tussen een vrouw die levenslustige hoge hakken draagt en een vrouw die de blikken van mannen koste wat kost wil vermijden.’ In Trouw.