Afgelopen week waren de eerste verhoren van de Parlementaire Onderzoekscommissie Ongewenste financiering en Beïnvloeding (pocob). Ik ga niet woordelijk in op deze verhoren. U kunt ze beluisteren via de pocob pagina en ook zijn enkele verslagen te lezen via het blog van Marcel van den Akker:

Dhr. Schoof (AIVD)

Dhr. Sandee

Dhr. Roscam Abbing (SoZa)

Dhr. Boujoufi (UMMON)

Ik kom hieronder nog even terug op verhoren, en ga daarna in op een meer algemeen punt.

De verhoren

In de verhoren is weinig terug te vinden van bovenstaande ambivalenties. De heer Schoof kwam met een interpretatie van salafisme en buitenlandse financiering die zo sprekend lijkt op het rapport Radicale Dawa dat je je afvraagt of hij misschien daaruit voorlas. In dat rapport wordt opgemerkt dat salafisme toeneemt, dat er sprake is van een nieuwe, tweede, generatie die hier is geboren, goed Nederlands spreekt en de missiewerking van de salafisten professionaliseert. Diezelfde analyse had hij nu, maar dat rapport is uit 2007 (en was mijns inziens toen al te criminaliserend, vaag en simpelweg onjuist als het gaat om het opkomen van een tweede generatie: het ging om een derde generatie). En hoe denkt men eigenlijk dat de Saoedische / Golf- boodschap naar Nederland komt aangezien de twee belangrijkste kanalen simpelweg niet besproken zijn? De verwijzing naar de façade-politiek (ogenschijnlijk keurig geïntegreerd, maar toch hun salafistische boodschap verspreiden) laat zien hoever het wantrouwen geïnstitutionaliseerd is. De salafisten hebben blijkbaar maar twee opties: óf ze infiltreren (als ze integreren) óf ze vormen een parallelle samenleving en ondermijnen van daaruit de rechtsstaat (als ze zich isoleren).  Met andere woorden, het is nooit goed of het deugt niet.

Het verhoor van de heer Sandee was mogelijk nog kritieklozer. Het is mij overigens een raadsel waarom het logisch zou zijn een terreur-deskundige uit te nodigen voor een onderzoek naar buitenlandse financiering. Volgende week komen Diyanet, alFitrah en As Soennah aan bod en afgelopen week De Blauwe Moskee en Europe Trust: wat hebben die met terrorisme te maken? Het verhaal van de heer Sandee was het aloude complotdenken over de Moslim Broederschap als spin het web van de islamisering en alsof het hier om één strak geleide organisatie gaat die zich toelegt op een mars door de instituties. Dat de Moslim Broeders in Nederland de aanjager zouden zijn van het in de media houden van het begrip islamofobie omdat ze zich daarmee een plek verwerven in het overleg met de overheid is lachwekkend en aantoonbaar onjuist. Moslim Broeders spelen in Nederland niet of nauwelijks een rol in de strijd tegen islamofobie: opvallend afwezig zou een betere analyse zijn. En dat Saoedi Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten juist een mindere rol zouden spelen vanwege serieuze hervormingen terwijl Qatar, Koeweit en Turkije vervolgens in dat gat zouden springen, laat toch wel een serieus gebrek aan kennis over de situatie in die landen zien. Sandee kon daarbij ook geen enkel concreet voorbeeld noemen van beïnvloeding.

Het verhaal van de heer Roscam Abbing was misschien nog wel het meest interessante. De taskforce problematisch gedrag en ongewenste beïnvloeding functioneert op de grens van de wettelijke mogelijkheden en beperkingen die ook nog eens niet altijd even helder zijn. Dat op zich laat al de complexiteit van dit veld zien. De tweede dag ging om de gevolgen van buitenlandse financiering en ongewenste beïnvloeding voor de islamitische gemeenschappen. Voor de heer El Boujoufi (UMMON/CMO) is buitenlandse financiering niet per se een probleem, maar wel wanneer deze verdeeldheid en conflicten met zich meebrengen en dat is volgens hem het geval. De heer Laaouej en mevrouw Harzi, respectievelijk voorzitter en  penningmeester Al Wasatia en mevrouw Yücel, integratiedeskundige en voormalig Kamerlid en de heer Meijs partner en trainer bij Factor Veiligheid, schetsten een zeer problematisch beeld van buitenlandse financiering. De eersten verhaalden over de overname van een moskee in Geleen door zogeheten salafisten en mevrouw Yücel waarschuwde dat Turks-Nederlandse jongeren kwetsbaar zijn voor ‘religieus fanatisme’. Het ‘Turks salafisme’ heeft volgens haar nauwe banden met het nationalisme van de Turkse president Recep Tayyip Erdogan.

Tijdens de derde dag ging het om inzicht in de financiering van moskeeën in het verhoor van de heer Van der Blom, onder meer voorzitter Vereniging Landelijk Platform Nieuwe Moslims, secretaris Stichting Europe Trust Nederland en voorzitter van Stichting de Blauwe Moskee, de heer El Damanhoury, voormalig directeur Stichting Waqf en Rijssenbeek, voormalig projectleider van het Financieel Expertise Centrum (FEC). Met name de eerste twee kregen een spervuur aan vragen dat meer leek op een kruisverhoor, dan op een zoektocht naar  inzicht. In het verhoor van de heer Van der Blom, verwarde Niels van den Berge (GroenLinks) het begrip ‘tazqiya’, aanbevelingsbrief, met ‘taqiyah’. Een nogal beladen term die vanalles betekent, maar je kunt je afvragen waar de heer Van den Berge die term vandaan haalt. De term verwijst naar ideologisch veinzen en wordt in kringen van activisten en politici met een racistisch programma (zoals Wilders) vaak gebruikt om alle moslims verdacht te maken en hen op te sluiten in een negatief label: als u het toegeeft dat u buitenlands geld ontvangt bent u een probleem, ontkent u dat bent u ook een probleem want het zou islamitisch toegestaan zijn om hierover te liegen en het feit dat u het ontkent is dan een bewijs van het laatste en daarmee dus ook van het eerste. Maar het wordt niet alleen gebruikt in islamofobe kringen, maar ook onder moslims zelfs en ook door het Openbaar Ministerie in rechtszaken. In het verhoor van de heer El Damanhoury had men veel tijd en gedoe kunnen besparen door hem simpelweg de procedures te laten uitleggen en de commissie had best beter door kunnen vragen naar de verhouding tussen beleggingsobjecten met als doel financiële winst en die met als doel religieuze activiteiten te ontplooien. Hier wreekte zich ook weer het gebrek aan kennis blijkbaar bij de commissie, net als bij dit gesprek het onvermogen (blijkbaar?) om uit te leggen wat salafisme is?

Het verhoor van de heer Rijssenbeek was mijns inziens dan wel weer informatief: hij kreeg rustig de tijd de werkwijze en mogelijkheden en beperkingen van het Financieel Expertise Centrum uit te leggen. Best leerzaam, voor mij althans.

De maakbaarheid van het islamitisch leven

De vraag naar beïnvloeding is een andere dan de vraag naar financiering. Dat staten en religieuze instituties invloed willen uitoefenen ook buiten de eigen landsgrenzen, staat buiten kijf. Daar is ook het nodige over bekend. Vanuit de academische literatuur over het zogeheten salafisme weten we dat Saoedische overheid zich openlijk heeft ingespannen om via eigen lectuur (al dan niet professioneel vertaald), financiële steun, specifieke imams en geleerden, de Europese bevolking uit te nodigen tot hun visie en methode van islam. Dat is ook een redelijk goed gelukte strategie, maar het is er ook een die in het gezicht van de Saoedische overheid ontploft is. De steun van de Saoedische overheid kunnen we bezien in het licht van de strijd na 1979 tegen de Iraanse invloeden, de visie op Europa als spirituele woestenij, de band met moslims wereldwijd als politiek drukmiddel en het aan banden leggen van de interne oppositie. En het is met name dat laatste wat grandioos mislukt is. Door het gevangen zetten of verbannen van oppositie geleerden naar Europa, de wisselingen aan de Universiteit van Medina en elders, heeft men niet alleen een groep loyale studenten gekweekt, maar ook studenten met oppositionele denkbeelden en acties variërend van het zich afkeren tot islam tot het openlijk bekritiseren of met geweld aanvallen van Saoedische belangen.

Een ander voorbeeld dat laat zien dat financiering nog geen rechtstreekse en causale beïnvloeding met zich mee brengt, zagen we in de jaren negentig toen er ophef ontstond over de invloed van de Marokkaanse overheid. Sommige moskeeorganisaties verzetten zich toen al sinds de jaren zeventig en/of tachtig tegen die invloed, anderen omhelsden die juist en diverse individuen maakten ook gebruik van de overheidsinvloed om hun eigen particuliere belangen kracht bij te zetten. Dat was niet zozeer een financiële kwestie, maar vooral een politieke. De neergang van Amicales (die eigenlijk al veel eerder dan de jaren negentig een feit was), heeft die beïnvloeding veranderd qua intensiteit en risico’s voor individuen, maar het contact tussen de Marokkaanse overheid en Marokkaanse bewegingen en instituties enerzijds en Marokkaans-Nederlandse kringen en instituties is er altijd geweest. Evenals het protest daartegen dat ook recent weer is opgelaaid, mede door het autoritaire en weinig rechtstatelijke wijze van optreden door de Marokkaanse overheid tegen demonstranten in de Rif.

De contacten tussen Turks-Nederlandse kringen en instituties enerzijds en de Turkse overheid en bewegingen en instituties, lijken veel meer geformaliseerd te zijn via het Directoraat voor Godsdienstzaken (Diyanet) en bewegingen als Milli Gorus en de Suleymanli. Hoe die relatie in Europa loopt lijkt mede afhankelijk te zijn van de positie van de verschillende clubs binnen de Turks-Europese islam, de relatie met de zuster-instellingen in het land van vestiging in Europa (in het bijzonder Duitsland) en Turkije en het functioneren van de overheid en de regering in Turkije. Met de AK Partij is de rol van religie in de Turkse politiek veranderd evenals de koppeling die gemaakt wordt tussen Turkse nationale identiteit en islam (en ook het bekritiseren van die koppeling overigens) en dat heeft, zo blijkt uit onderzoek, toch zijn weerslag gehad op Turks-Europese gemeenschappen. Al zijn er ook weer de nodige verschillen tussen de Europese landen en ook binnen de Turks-Europese gemeenschappen in de diverse landen.

Tegelijkertijd is ook de rol van de Nederlandse overheid hier opvallend. Enerzijds worden transnationale verbindingen van migranten per definitie geproblematiseerd in het integratieparadigma in beleid en politiek dat steeds nadrukkelijker in het teken is komen te staan van loyaliteit aan een idee van de Nederlandse natie-staat als een christelijke en geseculariseerde Westerse natie-staat. Anderzijds, heeft de Nederlandse overheid islamitische organisaties ondersteund als stimulering van dat integratieparadigma onder die organisaties en soms ook in samenwerking met Turkse en Marokkaanse overheid in het kader van anti-radicalisering: een grotere binding en controle vanuit die overheden zou radicalisering kunnen voorkomen (in het bijzonder werd hier aan de Turkse imams gedacht) en mogelijk ook individuen die een risico vormen onder aandacht van de Nederlandse overheid brengen. En omgekeerd, Nederlandse informatie over individuen werd (en waarschijnlijk wordt) gebruikt in rechtszaken tegen Marokkaanse Nederlanders in Marokko (bijvoorbeeld in de zaak Saddik S.).

In de discussie en eigenlijk ook in de ondervraging, wordt nauwelijks onderscheid gemaakt tussen buitenlandse financiering en buitenlandse beïnvloeding en tussen gewenst en ongewenst. Het beeld hierover lijkt gepaard te gaan met een veronachtzaming van de Nederlandse rol en invloed (die of neutraal of goed is) en met een toch wel heel specifiek beeld van ‘De Moslim’ en ‘de Islam’. Alsof islam de software is die via buitenlands geld naar Nederland komt en wordt geïnstalleerd in de hoofden van moslims die vervolgens als robotten die software uitvoeren.

Voor de hele serie over transnationale islam in Nederland tegen de achtergrond van de Parlementaire Onderzoekscommissie Ongewenste Beïnvloeding, zie Transnationale Islam series.

Maandag 10 februari: beïnvloeding in Nederland

Woensdag 12 februari: gevolgen voor de gemeenschap

Donderdag 13 februari: inzicht in financiering van moskeeën