Afgelopen donderdag presenteerde de UvA het auditrapport naar het onderzoek ‘Chatting about marriage with female migrants to Syria’. De UvA had tot deze reflectie audit besloten na eerdere berichtgeving in het NRC, waarin een journalist onze junior researcher vals beschuldigde van sympathie voor IS. Op basis van de reflectie audit concludeert de UvA dat de onderzoekers zich aan alle regels hebben gehouden, maar de auteurs van de reflectie audit stellen niettemin toch maatregelen voor die neerkomen op een sterkere regulering van kwalitatief onderzoek en het monitoren van contacten met de media.

Dezelfde dag publiceerde dezelfde journalist die betrokken is bij deze kwestie (want auteur van het eerste NRC stuk) zijn verslag van de bevindingen waarin niet terug te lezen valt dat wij ons aan alle regels hebben gehouden. Hij wekt de suggestie dat wij bij hem gereageerd hebben op het rapport en Bas Paternotte van The Post Online stelde dat zelfs expliciet: dat klopt in beide gevallen niet. Wij hebben niet gereageerd. Wij hebben in januari een reactie naar de NRC gestuurd, maar onze reactie werd niet geplaatst (en die van anderen die in het artikel genoemd werden evenmin).

In de verdere berichtgeving wordt onze reactie vaak of verkeerd weergegeven of helemaal niet. Daarom hieronder integraal de hele reactie met helemaal onderaan de link naar het PDF bestand. Voelt u zich vrij om dit verder te delen.

Een rechtvaardige academische cultuur: vertrouwen, vrijheid en veiligheid voor allen
Wij waarderen het zeer dat de UvA duidelijk uitspreekt dat wij ons aan alle relevante regelgeving en standaarden wat betreft integriteit en ethiek hebben gehouden. Het is mooi dat het rapport van De Bruijn en Widdershoven het belang van een rechtvaardige cultuur en een open klimaat benadrukt. Dat is inderdaad een groot goed. Alleen door open discussie komt de wetenschap verder. Daar nemen wij graag aan deel.

Voor een open klimaat dient echter wel aan een aantal randvoorwaarden voldaan te worden, die De Bruijn en Widdershoven uit het oog lijken te verliezen. Uitgangspunt is een veilig werkklimaat voor alle onderzoekers en een basishouding van vertrouwen. Meer controle, meer monitoring, en meer voorschriften en richtlijnen werken alleen maar contraproductief. Die leiden immers tot een afwerende en defensieve houding. Angst voor exploratief en risicovol onderzoek is evenmin bevorderlijk voor een open en creatief onderzoeksklimaat. Daarbij getuigt het rapport van een overschatting van de mogelijkheid de politieke en mediaomgeving te beheersen.Wij achten met name de volgende punten van belang als randvoorwaarden voor een veilige werkomgeving en open academisch klimaat:

  1. Het recht op privacy. We gaan onderzoekers niet ondervragen over hun politieke opvattingen in heden en verleden of over andere aspecten van hun privéleven, zoals hun partners. Transparantie gaat allereerst om het onderzoeksproces, niet om de persoon van de onderzoeker.
  2. Het non-discriminatie beginsel. We gaan geen dubbele maatstaven hanteren waarbij alleen onderzoekers met een ‘Moslim achtergrond’ worden bevraagd over de relatie tussen achtergrondkenmerken en wetenschappelijk werk.
  3. Bronbescherming voor sociale wetenschappers. Het ontbreken daarvan belemmert open discussie en beperkt publieke transparantie over het onderzoeksproces.

Aangezien De Bruijn en Widdershoven het recht van privacy van onderzoekers niet noemen, exclusief focussen op de religieuze achtergrond van de junior onderzoeker (de senioren lijken geen relevante identiteiten te hebben), en het belang van bronbescherming nauwelijks onderbouwen, is het naar onze mening wenselijk dat het bestuur van de UvA zich uitspreekt over de eerste twee punten, en een inspanningsverplichting aangaat voor het derde punt.

Een voorlopige reflectie op de reflectie-audit

Het rapport van De Bruijn en Widdershoven is een gemiste kans. Het hinkt op twee gedachten. Enerzijds is het een Sherlock-achtige speurtocht naar ‘hoe heeft het kunnen gebeuren’ voor een specifieke casus, soms feitelijk onjuist en met veel omissies. Anderzijds wil men op basis van deze ene casus bijdragen aan het debat over ethiek en wetenschappelijke integriteit binnen de antropologie. De auteurs zijn er echter niet in geslaagd voldoende te abstraheren van de specifieke casus. Doordat ze zich dan ook nog grotendeels beperken tot de antropologie wekt het rapport de indruk alsof kwesties zoals betrokkenheid en distantie en het gebruik van anonieme bronnen alleen bij antropologie spelen en niet in andere disciplines, zoals bijvoorbeeld de kwantitatieve sociologie. Voor een bredere discussie is het inzoomen op een a-typische casus niet erg vruchtbaar.

Nu heeft het UvA bestuur de opdracht van de reflectie-audit ook niet erg gelukkig geformuleerd. Wat betreft onze casus kende de UvA het antwoord al op de tweede (anonieme bronnen) en derde vraag (open science) voor de reflectie-audit: Wij zijn contractueel verplicht tot volledig anonimiseren, en kunnen ons archief niet publiekelijk toegankelijk maken. Daar heeft de UvA zelf voor getekend. De eerste vraag, met name die naar de verplichting om politieke voorkeuren in heden en verleden te melden, gaat in tegen de privacywetgeving. Voor onze casus valt daar dus verder niet veel meer over te zeggen. Er zijn weinig algemene lessen te trekken.

Voor een bredere discussie over ethiek en integriteit valt ons op dat transparantie een sleutelbegrip is het rapport. Hoe zetten de Bruijn en Widdershoven deze term in bij discussies over vooringenomenheid, anonimiteit en open science?

1. Transparantie en vooringenomenheid

Reflecteren op mogelijke vooringenomenheid en het ontwikkelen van een open en zelfkritische houding achten wij voor alle wetenschappelijke disciplines van groot belang. In tegenstelling tot De Bruijn en Widdershoven zijn wij van mening dat deze vooringenomenheden niet te vangen zijn in een van boven opgelegde ‘checklist’. Een verplichting naar bepaalde aspecten van het leven van onderzoekers, zoals politieke overtuiging, te vragen, is niet alleen onwettig (zeker in een hiërarchische relatie), maar vooral ook inhoudelijk problematisch. Want het veronderstelt dat onderzoekers een eenduidige politieke overtuiging of identiteit hebben en dat juist dat aspect (en niet andere aspecten) het onderzoek beïnvloedt. Het zal ook altijd meer vragen oproepen, want wat weten we eigenlijk als een onderzoeker aangeeft moslim, christen of atheïst te zijn? Moeten we dan niet vragen met welke intensiteit die overtuiging beleefd wordt, wat de inhoud ervan is, hoe deze vorm krijgt in het dagelijks leven etc etc etc.

De honger naar transparantie is nooit gestild. Zo roept het ook de vraag op, of we er eigenlijk wel vanuit kunnen gaan dat onderzoekers de waarheid spreken. Hoe kan een onderzoeker bewijzen wat haar echte overtuiging is? Of dat zij geen uitgesproken mening heeft? Een sfeer van wantrouwen roept meer wantrouwen op en dat treft sommige onderzoekers meer dan anderen. Categorieën die in de samenleving al onder een vergrootglas liggen, zeg bijvoorbeeld orthodoxe moslims, kunnen zich daar veel moeilijker aan onttrekken dan anderen. De universiteit dient hierin niet mee te gaan en vast te houden aan het non-discriminatie beginsel en de regelgeving omtrent privacy

De nadruk op transparantie gaat ook voorbij aan de veiligheid van de onderzoeker en haar gesprekspartners. Onderzoekers zijn zelf immers niet anoniem. In bepaalde culturele en politieke contexten kan het simpelweg onwenselijk of zelfs gevaarlijk zijn om publiekelijk expliciete uitspraken te doen over eigen opvattingen over religie, politiek, seksualiteit of wat dies meer zij. Dit betekent niet dat voor antropologen transparantie niet belangrijk is, maar dat geldt dan voor hun relaties ten opzichte van hun gesprekspartners.

Onze centrale stelling is dat transparantie niet dient te gaan over de persoon van de onderzoeker maar over de onderzoekspraktijk. We moeten vooral transparant zijn over het onderzoeksproces en op welke gronden we bepaalde uitspraken doen. Transparantie over het onderzoeksproces wordt echter bemoeilijkt door het feit dat wij geen recht hebben op bronbescherming. Daar gaan De Bruijn en Widdershoven nu juist niet op in. Evenmin laten ze zich uit over of we onze conclusies voldoende verantwoorden. De drie deskundige peer reviewers en de editors van het journal waarin ons artikel is gepubliceerd, vonden van wel.

2. Transparantie en anonimiteit

Als we transparant moeten zijn in onze onderzoekspraktijk, mogen we dan wel met anonieme bronnen werken? De Bruijn en Widdershoven hebben daar zo hun twijfels over. Wij, de twee ethische commissies die deze werkwijze hebben goedgekeurd en onze onafhankelijke ethics advisor hebben die twijfels niet. Bescherming van onze gesprekspartners staat voorop. De commotie over ons onderzoek heeft ons vooral gesterkt in de opvatting dat bescherming van onze gesprekspartners cruciaal is.

Bij antropologisch onderzoek gaan onderzoekers vaak langdurige vertrouwensrelaties aan met hun gesprekspartners. We zien en horen veel, en kunnen daardoor allerlei inzichten verwerven over praktijken waar je met andere methodes (zoals enquêtes) geen zicht op krijgt. Maar daar staat ook een verantwoordelijkheid tegenover. Juist omdat mensen ons in vertrouwen nemen, dienen we heel zorgvuldig om te gaan met de privacy van onze gesprekpartners en hen geen schade te berokkenen. Dit laatste is een breed geaccepteerd en leidend ethisch principe in ons vakgebied.

Het anonimiseren van gesprekspartners is niet bijzonder, maar gewoon een gebruikelijke praktijk, niet alleen bij antropologen, maar ook in andere wetenschapsvelden. Voor veel onderzoek is het helemaal niet nodig officiële namen te kennen. Het gaat erom zicht te krijgen op patronen en om praktijken te begrijpen. Daarbij maakt het niet uit of het om mevrouw A of mevrouw B gaat. Daarnaast is er een methodologische reden voor anonimiteit. Mensen willen nu eenmaal vaak alleen uitgebreid met ons praten als we beloven hun echte naam niet te noemen.

Het is niet alleen vaak onnodig, maar ook onverantwoordelijk om namen vast te leggen. Dat is eens te meer het geval bij risicovol onderzoek. Zonder bronbescherming lopen onderzoekers het risico gedwongen te worden namen te onthullen. In het uiterste geval zouden zij zelfs gegijzeld kunnen worden. Vandaar ons pleidooi voor bronbescherming voor sociale wetenschappers.

3. Transparantie en open science

Als we transparant moeten zijn mogen we dan wel de toegang tot ons archief beperken?
Ook daarover hebben De Bruijn en Widdershoven hun twijfels. Het klinkt natuurlijk prachtig: science toegankelijk voor iedereen. Dus waarom anonimiseren antropologen hun materiaal niet gewoon en delen ze het met anderen?

Een belangrijke reden is dat onze gesprekspartners toestemming voor gebruik door anderen zouden moeten geven. Ze praten met ons omdat ze ons kennen en er zich een vertrouwensband heeft ontwikkeld. Dat geldt voor veel antropologisch onderzoek. De Bruijn en Widdershoven erkennen inderdaad dat toestemming noodzakelijk is. Is hun conclusie dan dat dit soort onderzoek maar helemaal niet meer gedaan zou moeten worden?

Daarnaast speelt een inhoudelijk probleem. Juist omdat we zulke langdurige relaties aangaan, is wat we vastleggen, altijd maar een deel van wat we weten. Veel van onze kennis is belichaamde kennis, in de loop der jaren opgedaan. Er is dus niet een helder af te bakenen ‘data-set’. Onze veldwerkaantekeningen zijn altijd bewerkte, geen ruwe data, die nauwelijks zinvol door anderen te gebruiken zijn. Zonder contextuele kennis, zijn deze gemakkelijk verkeerd te interpreteren.
Overigens is het anonimiseren van materiaal dat het juist van het detail moet hebben, ingewikkeld.

Moet onderzoek dan niet repliceerbaar zijn? Repliceerbaarheid werkt goed in een laboratorium, waar variabelen constant gehouden kunnen worden, maar niet in een veldsituatie, waarbij dat veld zelf voortdurend in beweging is. Antropologen doen wel herhaalonderzoek, maar dan vaak juist om te onderzoeken hoe situaties veranderd zijn; ze doen dat dus niet als controlemechanisme, daarvoor leent hun veld zich niet.

Moeten we maar geen onderzoek meer doen, omdat het niet goed controleerbaar is? Of moeten we een steeds gedetailleerder controlesysteem in het leven roepen dat veel onderzoek de-facto onmogelijk maakt? Dat helpt de wetenschap natuurlijk niet verder. Wat wel kan is eenvoudige, pragmatische, casus-specifieke oplossingen voor concrete problemen bedenken. Indien er twijfel is over data, kan er bijvoorbeeld een vertrouwenspersoon ingeschakeld worden die dan vertrouwelijk toegang krijgt tot het onderzoeksarchief.

Antropologen zijn overigens goed in het aangeven van de beperkingen van hun onderzoek, en stellen zich daardoor kwetsbaar op. Zo claimen wij bijvoorbeeld zelden dat we uitspraken doen over wat mensen nu werkelijk vinden of denken. Het gaat ons om hoe mensen zichzelf presenteren, wat ze in het dagelijks leven doen, en hoe ze navigeren binnen door henzelf en anderen opgelegde kaders. Situaties zijn vaak vluchtig en veranderlijk. Het is allemaal niet zo eenduidig als enquête onderzoek ons zou willen doen geloven.

Volledige transparantie is niet alleen een illusie. Het wekt verwachtingen die niet waargemaakt kunnen worden. Meer transparantie zal controverses echt niet tegengaan, noch bewuste of onbewuste misinterpretaties van journalisten verhinderen. We storen ons dan ook bijzonder aan de suggestie van De Bruijn en Widdershoven dat een meer open houding ten opzichte van de vragen van de journalist het contact wellicht had kunnen bevorderen en dat op die manier wellicht voorkomen had kunnen worden dat de junior onderzoeker in een risicovolle positie is beland. Dit is niet alleen buitengewoon naïef, maar gaat ook sterk in de richting van een blaming the victim argument.

Tot slot

We worden betaald om risicovol onderzoek te doen. We verzetten ons tegen een cultuur van angst en van wantrouwen, die leidt tot risicomijding, tot alleen ‘veilig’ onderzoek, en het eindeloos voortborduren op bekende thema’s.

We zijn het met De Bruijn en Widdershoven eens dat wat we nodig hebben een rechtvaardige cultuur is, een cultuur van vertrouwen die alle onderzoekers bescherming biedt. Dat betekent echter ook dat het recht van privacy serieus genomen wordt en dat niet alleen onderzoekers met een ‘Moslim achtergrond’ ondervraagd worden over hun mogelijke vooringenomenheid. Dat past niet bij onze opvatting van ethiek.

Het baart ons zorgen dat De Bruijn en Widdershoven de mediacommotie rondom ons onderzoek zo bedreigend vinden dat ze pleiten voor ‘meer toezicht’ en een inperking van de ‘handelingsvrijheid’ van wetenschappers. Ze zetten vraagtekens bij bijeenkomsten ‘die niet verplicht zijn’ en willen graag voorschrijven wat we moeten schrijven (altijd met een positiebepaling en voorzichtig om zomaar over contexten te schrijven), wat voor soort artikelen we mogen publiceren (niet te kort), en in welk tijdschrift (niet in Anthropology Today), met wie we moeten overleggen (met niet-deskundigen), hoe we met de pers moeten omgaan (een open houding), en als kers op de taart zien ze ook nog graag dat de UvA contacten met de pers gaat monitoren. Om het enigszins gechargeerd te zeggen, hebben we het eigenlijk nog wel over Nederland? Of over academische vrijheid?

We danken het bestuur van de universiteit nogmaals voor haar steun en vertrouwen en gaan weer verder met onze kerntaken onderwijs en onderzoek. Ethiek en integriteit zijn belangrijke kwesties, de bescherming van reflexief, explorerend en risicovol onderzoek en van niet-gevestigde junior onderzoekers is dat eveneens. We hopen in het najaar over deze thema’s een symposium te organiseren.

De reflectie audit is niet alleen een gemiste kans, maar ook een verspilling van tijd en energie. We maken daar als antropologen maar weer het beste van door het project ‘No escape: An autoethnography of the securitization of academic research’ toe te voegen aan onze onderzoeksagenda. Een deel van het veldwerk hebben we al gedaan.

Annelies Moors
Martijn de Koning

Zie HIER de aankondiging op de UvA site en een directe link naar deze reactie in PDF formaat vindt u HIER.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>