Gisteren kon u deel 1 lezen van mijn bespreking van het Project Nora. Vandaag deel twee waarin ik inga op mijn rol en mijn overwegingen en op de vraag waarom Nora zo onuitstaanbaar lijkt. (En komend weekend deel drie).

Mijn deelname
Na het bekendmaken van het initiatief werd ik door Enis Odaci gevraagd om een bijdrage te leveren (niet aan het kernteam, maar als een van de deskundigen), hetgeen ik ook heb gedaan op voorwaarde dat bekend zou zijn dat ik meedeed; ik vind dat academici zich niet moeten verschuilen achter anonimiteit. Het compromis was dat dit (zoals de initiatiefnemers al van plan waren) bekend zou worden gemaakt. Uiteindelijk heb ik de volgende twee inhoudelijke bijdragen geschreven waar nu, na afloop, ook mijn naam onder staat (klik op de afbeeldingen, die niet door mij gemaakt zijn, om de bijdragen te lezen):

06-Nadia-Ezzeroili

Bijdrage no 6

13-Theo-Hiddema-1

Bijdrage no 13

Er waren drie redenen voor mij om mee te doen:

  1. Het anti-moslim racisme in Nederland neemt zorgwekkende vormen aan. Weliswaar kennen we gelukkig niet de gewelddadige uitbarstingen zoals in Engeland en Duitsland (met tientallen gewonden en doden), maar vormen van verbale en fysieke agressie zijn er wel degelijk (zeker tegen vrouwen). En onder andere de verkiezingsprogramma’s en stemwijzers laten zien dat er sprake is van een zekere normalisering van het viseren van moslims en hun religie.
  2. De vraag aan mij was om academische kennis in te brengen over de onderwerpen islamofobie, racialisering en salafisme. Project Nora leek mij een interessant experiment om die academische kennis voor een groter publiek te verspreiden in het kader van valorisatie van academische kennis zoals dat tegenwoordig heet.
  3. Een van de vraagstukken bij anti-islamofobie activisme is voortdurend hoe de meer subtiele en structurele vormen van racisme aan te pakken. Daar leende dit initiatief zich deels wel voor (maar zie de bedenkingen vooraf hieronder). De eerste inhoudelijke bijdrage laat dat ook goed zien. In plaats van zich te richten op de makkelijke usual suspects (politici van de PVV en FvD) richtte deze bijdrage zich op een meer subtiele vorm vanuit linkse hoek: het uitruilen van bestrijding van moslimhaat met de bestrijding van homohaat en dat laatste gebruiken als meetlat voor van alles en nog wat.

De bedenkingen die ik had (naast de tijdelijke anonimiteit), waren de volgende

1) Het initiatief Nora wil een punt maken in het debat over islam in relatie tot vormen van islamofobie tijdens de campagne van de gemeenteraadsverkiezingen. Maar is wetenschappelijke kennis wel geschikt hiervoor? Mijn eerste bijdrage, over de verschillende benamingen van vijandigheid ten opzichte van moslims, laat dat goed zien. ‘Nora’ koos ervoor om dit te doen in reactie op een tweet van Nadia Ezzeroili

Het problematische aan die tweet, uitgaande van de wetenschappelijke kritieken op definities, is de scheiding tussen hatecrime en islamofobie. Maar dat maakt de uitlating natuurlijk niet islamofoob. Dat is, zoals Odaci terecht stelt, ook niet de strekking van de reactie op Ezzeroili. Volgens hem heeft Nora slechts gezegd dat waar Ezzeroili opeens twee definities ging wegen, Nora makkelijk meer woorden kon introduceren, maar dat dat niet de weg is. Het ging Nora om een gespannen samenleving waarin het beter zou zijn om liefde (en menselijkheid) weer centraal te stellen in plaats van het debat te laten kapen door definitiespelletjes.

Mijn bijdrage laat vooral zien dat er binnen de wetenschap ook verschillende termen gehanteerd worden en dat hatecrime gezien kan worden als een mogelijke uitkomst van islamofobie (of de term van mijn voorkeur: anti-moslim racisme). Meer is het eigenlijk niet, maar wat voor punt maak je dan eigenlijk in het maatschappelijk debat?

2) De aankondiging van ‘Nora’ zelf, laat iets dubbels zien. Men wil islamofobie tegenspreken, maar men presenteert zich met De steen des aanstoots en het stereotype beeld in het debat over islam: de vrouw met een hoofddoek. Men spreekt dus terug via het stereotype beeld dat is opgelegd. Dat is bijna altijd zo wanneer minderheden reageren op vormen van racisme en seksisme, maar maakt het ook wel erg ingewikkeld. Maar, zoals Odaci stelt, wie mag de voorwaarden van het gesprek stellen? Moet je een deel van de islamitische identiteit (hoofddoek) inleveren voordat er een gesprek mogelijk is?

Tegelijkertijd levert dat beeld, samen met de term islamofobie, ook de nodige ruimte. Dat zagen we eigenlijk direct al. De aankondiging van het initiatief alleen al, genereerde zoveel reacties dat de zichtbaarheid ervan enorm toenam. Aan de andere kant weer, als het doel is om islamofobie aan de kaak te stellen werkt het wellicht, als het gaat om het terugdringen ervan is de effectiviteit gering. Veel reacties probeerden juist te laten zien hoe erg het volgens hen is met islam en moslims. Met andere woorden, de term islamofobie (maar waarschijnlijk andere termen net zo goed) jaagt ook de islamofobie aan. Maar moet je daar dan als wetenschapper ook aan meedoen?

Reacties op twitter na de aankondiging

Nora spreekt u aan op uw taal

Eén van de dingen die het team van Nora geleerd heeft, gaat over taal en daar kan ik me wel wat bij voorstellen. Hoe subtiele taaltechnieken islamofobie in de hand werken of wellicht het gevolg zijn van islamofobie. Aansluitend bij het werk van Sara Ahmed over ‘problematic proximities‘ (problematische of problematiserende nabijheid), kunnen we stellen dat zelfs de taal van emancipatie, vrijheid en bevrijding zich leent voor de legitimering van racisme en misschien zelfs wel bij uitstek. Voortdurend worden in debatten emancipatie, vrijheid en bevrijding enerzijds op de Nederlandse cultuur en identiteit betrokken en worden ze anderzijds universeel gemaakt. We zien dit terug in het interview met Hiddema dat ik analyseerde en waarin Hiddema de vrijheid ondermijnd ziet door de instroom van migranten, vooral moslims. Alsof de islam niet zou kunnen staan voor emancipatie, vrijheid en bevrijding. Ook in het werk van Zineb el Rhazoui zien we dat terug en het wordt dan duidelijk dat het om specifieke invullingen van vrijheid gaat. Vrijheid is niet het toegeven aan de druk om een hoofddoek te dragen, maar wel aan de druk om geen hoofddoek te dragen. Wel een hoofddoek wordt immers geassocieerd met de onvrije islam en geen hoofddoek met de vrij Westerse of Nederlandse wereld.

Bijdrage 12, klik op de afbeelding om verder te lezen

Het idee van vrijheid wordt zo op een specifieke ideologische manier ingezet. Dat is ook logisch: vrijheid is een abstract leeg begrip dat ingevuld moet worden. Als ‘wij’ vinden dat islam onze vrijheid zou bedreigen, is dat het probleem van moslims die niet willen of kunnen integreren vanwege islam. Dat hoeft lang niet altijd expliciet zo gezegd te worden, sterker nog het gebeurt vaak heel subtiel en dat is waar Ahmed ook op duidt wanneer ze het heeft over problematische associaties rondom islam en moslims. Zie bijvoorbeeld de volgende uitspraken van Mick van Wely van de Telegraaf:


In een uitzending van Jinek gaat het over de seksistische ideeën van rapper Boef die vrouwen, die hem een lift gaven nadat hij autopech had, een kech (hoer) noemt (opvallend, Geenstijl gebruikt deze term ook om naar Nora te verwijzen). Volgens Van Wely heeft Boef ‘kalifaatachtige’ ideeën. Het gaat er niet om dat Van Wely zegt dat Boef islamitisch is, maar het noemen van een kalifaat gekoppeld aan het seksisme van Boef en met op de achtergrond de link tussen kalifaat en Islamitische Staat, is voldoende: alsof daar de essentie van het seksisme van Boef ligt. Project Nora richtte zich niet zozeer op de meest rabiate verbale uitingen van moslimhaat (zoals het filmpje van Wilders), maar juist op de meer complexe en subtiele manieren waarop we in alledaags online taalgebruik en in politieke retoriek voortdurend sommige groepen specifiek associëren met problemen, terwijl we dat bij andere groepen niet of veel minder doen. Zoals Ahmed stelt ‘De manier waarop sommige problemen worden gepresenteerd, maakt sommige mensen tot een probleem en anderen niet.’

Nora de onuitstaanbare

Een van mijn indrukken was dat Nora, als het een persoon zou zijn, zo langzamerhand onuitstaanbaar was geworden. Vanwaar deze indruk? De focus op taal en het viseren van anderen dan de usual suspects, maken Project Nora ook tot een, om bij Ahmed te blijven, killjoy: een kniesoor, spelbederver, iemand die het feestje verpest. Want niet alleen de aanwezigheid en presentatie van Project Nora leidt al tot negatieve reacties gericht tegen de identiteit als moslim en de hoofddoek en de term islamofobie. Niet alleen probeert Project Nora de associaties die worden gemaakt te corrigeren (wat iets betweterigs heeft), maar Project Nora haalt ook nog eens specifieke personen en hun uitspraken aan. En Project Nora richt zich dan, weliswaar niet exclusief, ook nog eens op vrouwen die, ieder op hun eigen wijze, opkomen voor vrijheid en rechten van vrouwen? Zoals Ahmed vaststelt, zijn het vaak vrouwen die zich feministisch noemen die worden gezien als moeilijk, onplezierig om mee te werken en lastig in de omgang. De presentatie tweet van Project Nora werd door velen gelijk zo gelezen en zelfs de slotact: het slotje op het account na het afsluiten van het project zou vooral getuigen van de onwil van Project Nora om een dialoog aan te gaan en de verbinding te zoeken. De commotie gaat dan ook meer om de onuitstaanbaarheid van Nora, dan om datgene wat Nora onuitstaanbaar vindt (vrij naar Ahmed) en zo wordt Nora buiten spel gezet. Het doet een beetje denken aan vrouwen die seksisme aankaarten (vandaar ook mijn verwijzing naar Ahmed) en vervolgens worden weggezet als emotioneel en hysterisch. Het is dan wel de vraag hoeveel mensen eigenlijk niet verder komen dan de tweets en hoeveel er daadwerkelijk die teksten gelezen hebben.

En in het geval van Project Nora wordt het ‘killjoy’ effect ook nog eens versterkt door het assertieve optreden. Project Nora kreeg het verwijt niet erg verbindend te zijn. Maar Project Nora was, in de eerste fase, ook helemaal niet op zoek naar verbinding. In plaats van gezellig mee te doen en de dialoog aan te gaan, zocht Project Nora naar de confrontatie, humor en spot. Toch vindt Odaci Project Nora niet polariserend: ze valt de handeling en standpunten aan van een persoon, niet de persoon. Dat klopt (hoewel dat in veel gevallen niet zo beleefd werd), maar toch is het wel polariserend. Racisme en islamofobie worden zo sterk vereenzelvigd met de schuld geven aan en dan nu ook nog eens door een belerende vrouwelijke avatar, dat het benoemen wel tot polarisatie leidt. Tegelijkertijd was die polarisatie er al; daar heeft Project Nora weinig mee te maken. Nora is daarmee de persoon die zich niks aantrekt van de bestaande tafelschikking op een chique feest, maar daar gaat zitten waar ze wil en dan ook nog eens allerlei ongemakkelijke kwesties gaat bespreken. Nora richt haar pijlen niet alleen op die racistische oom aan de tafel, maar ook op de anderen. In plaats van dat racisme en seksisme als probleem besproken worden, krijgt Nora de schuld van het maken van problemen. Of zoals in de column van Margriet Oostveen Enis Odaci die de schuld krijgt van haar racisme: look what you made me say!

Maar het is ook precies dat onuitstaanbare van Nora die iedereen de maat neemt zonder aanzien des persoons, die het voor velen een krachtig project heeft gemaakt. Dit soort stemmen hebben we nodig: hard, ludiek, en met inhoud, is het idee. De reacties die, zoals Odaci ook aangeeft, zelden inhoudelijk ingaan op de posts, bevestigen deels het bestaande anti-moslimracisme aangezien ze voortdurend herhalen waarom islamofobie en moslimhaat heel logisch zijn waarbij grote groepen moslims over een kam worden geschoren.

Komend weekend deel 3: wat zijn de lessen van Project Nora voor het analyseren van anti-moslim racisme en de strijd daartegen?