Auteurs: Annelies Moors (Universiteit van Amsterdam) & Martijn de Koning (Universiteit van Amsterdam / Radboud Universiteit Nijmegen)

Meer dan een half jaar geleden schreven we een kritische bespreking van het proefschrift De institutionalisering van het salafisme door Mohammad Soroush. Onze kritiek was zowel inhoudelijk als ethisch en methodologisch. Terwijl het onderzoek als explorerend werd gepresenteerd, trok de onderzoeker wel verregaande algemene conclusies, zoals over het vermeende gebrek aan loyaliteit aan de samenleving van  salafisten. Inhoudelijk sloot het proefschrift nauwelijks aan op de wetenschappelijke discussie over het salafisme, een definitie van salafistische instellingen ontbrak en methodologisch waren er grote hiaten. Bij het overgrote deel van de genoemde instellingen bleek hij slechts een of enkele malen te zijn geweest, en in enkele gevallen helemaal niet. Zijn vraagstelling ging over “de institutionele reproductie van de salafistische cultuur”, maar daarvoor had hij slechts 27 korte informele gesprekken met bezoekers gevoerd. Daarnaast speelden er ethische vragen in de kritieken op dit onderzoek. Uit uitspraken in de media werd duidelijk dat de onderzoeker zich niet als zodanig kenbaar had gemaakt, een kwestie waar in het proefschrift niet op werd ingegaan en waar dus ook geen rechtvaardiging voor werd gegeven.

Klachten en onderzoek
Wij waren niet de enigen die kritisch waren. Een viertal in het proefschrift als salafistisch aangeduide instellingen had al aan de bel getrokken. Vanwege deze commotie heeft het College van Bestuur (CvB) van Tilburg University aan haar commissie wetenschappelijke integriteit (CWI) de vraag voorgelegd of er sprake is van schending van de wetenschappelijke integriteit door de onderzoeker en of de totstandkoming van het proefschrift voldoet aan de algemeen aanvaarde normen voor goede wetenschapsbeoefening. In haar oordeel geeft het CWI aan dat de onderzoeker ‘verwijtbaar onzorgvuldig’ heeft gehandeld. Voor de overgrote meerderheid van de genoemde instellingen is de kwalificatie salafistisch ‘nauwelijks onderbouwd’. De promotor en de co-promoter zijn tekort geschoten in hun zorgplicht als begeleider, zijn zich onvoldoende bewust geweest van hun verantwoordelijkheid jegens de onderzoeker, en hebben geen blijk gegeven van een afweging van de mogelijk nadelige gevolgen voor maatschappelijke partijen, onderzoekers en de onderzoeksinstelling.

Status van het proefschrift
Het valt te waarderen dat Tilburg University de klachten van de moskeeën en instellingen serieus heeft genomen. Maar tegelijkertijd roept het besluit van het CvB de nodige vragen op met name over de status van het proefschrift en over de rol die antropologie wordt toebedeeld. De status van het proefschrift blijft in nevelen gehuld. Het is een document ‘dat voorbereid is en besproken tijdens de verdediging, maar dat niet geschikt is voor verdere verspreiding’. Betekent dit nu dat het proefschrift wel of niet voor collega’s en andere geïnteresseerden is in te zien? Wordt er in die tekst een rectificatie aangebracht?

De rol van antropologie
Maar wat ons als antropologen het meest heeft verbaasd is dat het wordt gepresenteerd als een proefschrift binnen de discipline van de antropologie. Blijkbaar vinden het CvB en het CWI van Tilburg University dat alle kwalitatief onderzoek, waarbij een onderzoeker locaties bezoekt en met een beperkt aantal mensen een praatje maakt, als antropologisch te kwalificeren valt.

Wij dachten het niet. De antropologie kent wel een zekere mate van diversiteit, maar een onderscheidend kenmerk is toch wel dat het bij antropologisch veldwerk gaat om langdurige relaties van onderzoekers met hun gesprekspartners, waarin een zekere mate van vertrouwen wordt opgebouwd. Daarvan is in dit onderzoek geen sprake. Het lijkt daarmee eerder op kwalitatief onderzoek zoals dat ook plaatsvindt in de sociologie, de politieke wetenschappen en in religiewetenschappen, inclusief de Islamologie.

Antropologie als excuus
Er zijn twee redenen waarom wij ingaan op de vermeende rol van antropologie. Ten eerste omdat  de CWI juist de aanduiding van het onderzoek als antropologisch, gebruikt om de onderzoeker uit de wind te houden. De CWI stelt namelijk dat ‘binnen de discipline van de antropologie geen duidelijke richtlijnen worden gehanteerd die onderzoekers houvast bieden bij het maken van ethische afwegingen.’ Nu is dit wellicht het geval bij de ethische commissie aan Tilburg University, maar voor de antropologie als discipline is dit apert onjuist. In opleidingen antropologie wordt wel degelijk aandacht besteed aan de ethische aspecten van onderzoek, en ethische commissies maken gebruik van een scala aan ethische documenten waaronder de ethische codes van de American Anthropological Association, van de European Association of Social Anthropologists en van Nederlandse varianten (eenvoudige richtlijnen zijn te vinden op de website van de Antropologen Beroepsvereniging). Ook in antropologische wetenschappelijke tijdschriften zijn genoeg peer reviewed artikelen te vinden over ethische kwesties.

Zoals bij veel vormen van interpretatief onderzoek zijn dit geen in steen gehouwen regels, maar er zijn wel degelijk een aantal basisuitgangspunten. Daarbij kunnen we in het bijzonder denken aan principes zoals ‘no covert research’ en ‘do no harm’; basisregels die in dit onderzoek met voeten getreden zijn.  Hier wreekt zich wellicht het gebrek aan kennis van Tilburg University over dit terrein. De universiteit kent helemaal geen opleiding antropologie, de promovendus is geen antropoloog, de co-promotor en de promotor worden evenmin als zodanig aangeduid, het proefschrift verwijst niet of nauwelijks naar antropologische literatuur en de term antropologie (of een van haar varianten) komt er zelfs niet in voor. De CWI heeft weliswaar twee externe deskundigen geraadpleegd, maar die zijn beiden hoogleraar sociologie…

En dan als laatste punt, het CvB ‘draagt de onderzoeker tevens op om in het eerstvolgende nummer van het tijdschrift Current Anthropology en in de Newsletter van de American Anthropological Association een mededeling te laten plaatsen (…) dat deze publicatie [het proefschrift] een onvoldoende empirische onderbouwing bevat om alle daarin benoemde instellingen als salafistisch te kwalificeren, en dat de publicatie om die reden niet verder actief (maatschappelijk) zal worden verspreid.  Het is ons een raadsel hoe het CvB dit heeft kunnen bedenken. Het proefschrift is immers uitsluitend in het Nederlands geschreven. Wat is dan het nut van een ‘rectificatie’ in een Amerikaans antropologisch tijdschrift? Zou het effect daarvan niet eerder zijn dat de onjuiste toeschrijvingen van het label salafisme zich ook in het Engelse taalgebied gaan verspreiden? En waarom denkt het CvB eigenlijk dat de redactie van een antropologisch tijdschrift een dergelijk bericht gaat opnemen?

Onduidelijkheden
Als men het publiek wil bereiken dat door de inhoud van het proefschrift op het verkeerde been is gezet, dan ligt het meer voor de hand een ingezonden mededeling te plaatsen in het Nederlandstalige tijdschrift Zemzem, dat zich expliciet richt op de studie van het Midden-Oosten en de Islam. Ook zou men de media waarin eerder de copromotor zo prominent aanwezig was, kunnen vragen te rectificeren. Maar daarover blijft het stil.

Al met al is het goed dat Tilburg University actie heeft ondernomen na de serieuze klachten van moskeeorganisaties, maar het advies van het CWI en de reactie van het CvB zorgen voor een onduidelijke status van het proefschrift en dat mede met een onterechte verwijzing naar antropologie. Voor het vertrouwen in de wetenschap zou het goed zijn als hier alsnog een en ander wordt rechtgezet.

Zie ook de reactie van Thijl Sunier: antropologie en ethiek. Op het Leidse antropologieblog schreef Jasmijn Rana een uitgebreide kritiek: The Negative Impact of Unethical and Fraudulent Research: The Case of Soroush.