Collectief Tegen Islamofobie en Discriminatie 15 maart: Maak werk van de aanpak tegen islamofobie
In het kader van de Internationale Dag tegen Islamofobie komt het Collectief tegen Islamofobie en Discriminatie (CTID) met de oproep om niet weg te kijken maar eindelijk te kiezen voor een daadkrachtige aanpak. De integrale verklaring hieronder.
Niets doen is islamofobie faciliteren: tijd voor een daadkrachtige aanpak
Oproep aan Nederlandse overheid en politieke partijen
15 maart 2026
Moslimdiscriminatie, islamofobie en moslimhaat zijn dagelijkse realiteit in Nederland – versterkt én gelegitimeerd door beleid, politiek en instituties. Wie nu nog wegkijkt, kiest actief de kant van ongelijkheid en vernedering.
In 2022 is door de Verenigde Naties unaniem een resolutie aangenomen waarin 15 maart is uitgeroepen tot Internationale Dag tegen Islamofobie. Deze resolutie verplicht Nederland verplicht om aanvallen op moslims en hun heilige plaatsen ondubbelzinnig te veroordelen, actief bij te dragen aan tolerantie en vrede, en om deze dag zichtbaar te markeren met concrete activiteiten op alle niveaus.
In dat kader doen wij, het Collectief tegen Islamofobie en Discriminatie, de oproep aan het kabinet, de overheid, lokale overheden en alle democratische partijen nu eindelijk werk te gaan maken van de aanpak van islamofobie.
De feiten liegen immers niet
- Het Nationaal Onderzoek Moslimdiscriminatie (Cuba et al, 2025) laat zien dat moslims structureel worden gediscrimineerd in onderwijs, werk, huisvesting, zorg en in contact met de overheid; het gaat nadrukkelijk niet om losse voorvallen maar om een patroon.
- In 2024 werd een recordaantal meldingen van moslimdiscriminatie gedaan bij antidiscriminatievoorzieningen, politie en online meldpunten; moslimdiscriminatie vormt een groeiend aandeel van alle discriminatiemeldingen in Nederland (Butter, 2025).
- Het College voor de Rechten van de Mens (2025) spreekt expliciet van een omvangrijk, structureel én institutioneel probleem: moslims worden op meerdere gronden en op vele terreinen benadeeld, wat leidt tot achterstelling en maatschappelijke achterstand.
- Onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut (2017) laat zien dat negatieve beelden over moslims breed leven en dat politieke en mediataal, samen met ervaren bedreiging, belangrijke triggerfactoren zijn voor discriminerend gedrag.
En zo zijn er nog tientallen andere factsheets en onderzoeken die duidelijk maken dat moslimdiscriminatie, islamofobie, moslimhaat en institutionele uitsluiting van moslims aan de orde van de dag zijn.
Daarom hebben we voor de verkiezingen in een manifest met klem aandacht gevraagd voor de aanpak van islamofobie. Dit manifest werd onderschreven door meer dan 450 islamitische organisaties en 170 maatschappelijke organisaties.
Politiek zwijgen en rituele dans
Ondanks dat de feiten niet liegen, doet de politiek al jaren niets. De aanpak blijft beperkt tot lippendiensten en rituele dansen: een conferentie hier, een projectsubsidie daar, maar geen enkele maatregel. Het huidige kabinet nam zelfs niet eens de moeite moslimdiscriminatie op te nemen in het regeerakkoord, maar nam wél maatregelen die op gespannen voet staan met artikel 1, zoals het zwaarder beboeten van vrouwen die een niqab dragen. De boodschap is duidelijk: jouw lichaam, jouw geloof, jouw vrijheid zijn minder waard als je moslim bent.
Het probleem wordt genegeerd, gemarginaliseerd en weggemoffeld. Moslimdiscriminatie wordt als vorm van discriminatie gediscrimineerd. Er is beleid voor “algemene discriminatie”, er zijn mooie woorden over “inclusie”, maar zodra het expliciet over moslims gaat, wordt het stil. Een meerderheid van de Tweede Kamer, inclusief de huidige coalitiepartijen, weigert het onderwerp plenair in de Kamer te behandelen. Zelfs na het landelijk onderzoek naar moslimdiscriminatie, aangevraagd door diezelfde Kamer, wordt een debat erover geblokkeerd. Dat is geen onvermogen, dat is een politieke keuze.
Normalisering van moslimhaat
Misschien niet verrassend: een grote groep uiterst rechtse partijen – met PVV voorop, gevolgd door FVD, JA21, BBB en SGP – ontzegt met haar voorstellen aan moslims elementaire rechten. Zij bouwen hun politieke winst op het demoniseren van een minderheid. Maar wat teleurstellend én gevaarlijk is: de zogenoemde middenpartijen nemen hier onvoldoende stelling tegen, schuiven op richting extreemrechts, laten hun taal overnemen en doen alsof dit “het nieuwe normaal” is. Door mee te buigen normaliseren zij moslimdiscriminatie en schuiven ze de grenzen van wat acceptabel is steeds verder op.
Zo glijden we stap voor stap naar een situatie waarin moslims mogen worden beledigd, uitgesloten en gecriminaliseerd, terwijl het politieke midden toekijkt, meepraat en hooguit mompelt dat “de toon misschien wat milder kan”.
Pappen, nathouden en koloniale reflex
Wij roepen daarom deze partijen op stelling te nemen tegen alle vormen van discriminatie en niet te discrimineren bij de aanpak van discriminatie. Wie artikel 1 zegt te verdedigen, moet dat ook doen als het om moslims gaat. De kersverse minister Van Aartsen liet onlangs in een Kamerbrief weten dat er twee keer per jaar een interdepartementaal overleg plaats zal vinden met moslimorganisaties en dat er een onderzoek komt naar “effectieve interventies” tegen moslimdiscriminatie. Dat klinkt netjes, maar het is pappen en nathouden in lijn met koloniale tradities: het zoveelste overlegje, het volgende door de overheid gesubsidieerde onderzoekje, misschien wat buurtborrels en dialoogavonden als interventiedoekje voor het bloeden – en dan verdwijnt alles weer in een la.
Het probleem zit niet alleen in onbegrip tussen mensen in de wijk of op de werkvloer. We weten al lang wat werkt tegen moslimdiscriminatie. Mensenrechtenorganisaties, moslimorganisaties, organisaties die zich inzetten tegen islamofobie en onafhankelijke onderzoekers wijzen al jaren feilloos aan waar het écht wringt: in beleid, in wetgeving, in handhaving, in een politiek discours dat moslims als tweederangsburgers behandelt.
Een overheid die niets doet, laat een miljoen Nederlandse moslims in de steek. Niets doen betekent islamofobie faciliteren. Het is tijd om verantwoordelijkheid te nemen en stappen te gaan zetten.
Van erkenning naar daad
Wat nodig is, is geen nieuw rapport en geen volgende ronde symbolische ontmoetingen, maar erkenning en actie. Dat begint met erkenning van moslimdiscriminatie en islamofobie als serieus, structureel en institutioneel probleem. Met duidelijke normstelling door bestuurders en politici die verklaren belang te hechten aan artikel 1 van de Grondwet. Voeg de daad bij het woord
- Stop de marginalisering van islamofobie
- Neem als landelijk en lokaal politicus, maar ook bijvoorbeeld als journalist ondubbelzinnig stelling tegen iedere vorm van moslimdiscriminatie en islamofobe uitingen, ongeacht van welke partij of welk “kamp” die komen. Datzelfde zou – terecht – gebeuren wanneer politici zouden voorstellen vrouwen, joden of lhbtiq+’ers elementaire rechten te ontzeggen. Er is geen enkel excuus om moslims anders te behandelen.
- Stop met het samenwerken met of normaliseren van politici die moslims elementaire rechten willen ontzeggen.
- Maak moslimhaat expliciet onderdeel van antidiscriminatiebeleid, met concrete doelen, middelen, toezicht en sanctionering.
Onze eisen
Wij eisen op landelijk en lokaal niveau een stevig, zichtbaar en toetsbaar beleid tegen moslimhaat, met een vergelijkbare ambitie en inzet als de – terechte – aanpak van antisemitisme. Geen tweederangs bescherming voor moslims, geen tweesporenbeleid in de bestrijding van haat.
De landelijke overheid moet een beleid opstellen tegen islamofobie, een nationaal coördinator tegen islamofobie en moslimdiscriminatie aanstellen en stappen gaan zetten om moslims te beschermen tegen discriminatie, haat, uitsluiting en geweld.
We roepen bestuurders en politici van democratische partijen, landelijk en lokaal, op om stelling te nemen tegen iedere vorm van discriminatie en haat jegens moslims. Neem je verantwoordelijkheid, stel normen en stop met het normaliseren van islamofobie.
Wij roepen mensenrechtenorganisaties en de NCDR op om ons te steunen en meer prioriteit te geven aan het expliciet benoemen van moslimdiscriminatie; niet verstopt onder brede labels, maar als concreet en eigenstandig probleem. Wij roepen antidiscriminatievoorzieningen en de politie op zich (nog) meer in te spannen om moslimdiscriminatie te registreren, te herkennen en door te zetten. En we roepen OM en rechters op om zaken van moslimdiscriminatie daadkrachtig op te pakken, zodat het duidelijk wordt: de rechtsstaat is óf er voor iedereen, óf ze is er in feite voor niemand.
Zolang moslims in Nederland minder veilig zijn, minder gehoord worden en minder serieus genomen worden, is het geen neutrale keuze om te zwijgen. Dan is zwijgen meewerken.
Namens het manifest tegen Islamofobie
Het Collectief tegen Islamofobie en Discriminatie