In een serie van zes posts zal ik vijf mythen over islamofobie bespreken. Vandaag de eerste: het wijdverbreide idee dat islamofobie een uitvinding is van Khomeiny.

Mythe 1: Islamofobie is een uitvinding van Khomeiny

historische term
Volgens sommige criticasters van het begrip islamofobie zou het begrip in de jaren zeventig van de vorige eeuw bedacht zijn door, toen, de leider van de Iraanse geestelijken, ayathollah Khomeiny. Zo zou hij ieder debat over islam hebben willen blokkeren. Zo stelde bijvoorbeeld Pascal Bruckner dat in een interview met Kleis Jager in Trouw en deed Corine Vloet dat nog eens dunnetjes over op Jalta.nl. Een variant hierop luidt dat de term islamofobie is bedacht door de Organisatie Islamitische Conferentie (OIC). Beide versies kunnen echter naar fabeltjesland verwezen worden ook al hebben de OIC en Iraanse geestelijken wel degelijk geprobeerd kritiek op islam op allerlei manieren te weren.

De term islamofobie wordt in ieder geval al gebruikt in 1910 in het boek van Alain Quellien La politique musulmane dans l’Afrique Occidentale en het artikel van Maurice Delafosse, L’état actuel de l’Islam dans l’Afrique occidentale française (Revue du monde musulman, vol. XI, n°V, 1910, p. 53). Delafosse ziet islamofobie als een vorm van bestuur (of onderdeel van bestuur) van kolonies dat berust op een onderscheid tussen religies. Hij zet het begrip tegenover islamofilie. Quellien’s bijdrage is een verkenning en analyse van dan bestaande en historische vooroordelen tegenover islam als de vijand van vooruitgang, christenen en het Westen.

Vaak wordt ook verwezen naar het boek uit 1918, Het leven van Mohammed – de Profeet van God, van Etienne Dinet en Sliman Ben Ibrahim. Zij gebruikten het in dit werk en latere werken om de vijandigheid van Europa tegenover islam te bespreken en de rol die ‘islamofoben’ aan de kaak te stellen. Dit werk is in het Engels vertaald, maar de term islamofobie is niet als zodanig in die vertaling opgenomen. In het Engels duikt de term voor het eerst in 1925 op (Stanley A.Cook, Chronicle. The history of religions, Journal of Theological Studies, n°25, 1924, p. 101-109, zonder verwijzing naar de Fransen) en later weer in 1976 (Georges C. Anawati, Dialogue with Gustave E. von Grynebaum, International Journal of Middle East Studies, vol. 7, n°1, 1976, p. 12). Het moge vanzelfsprekend zijn dat de term niet overal hetzelfde betekent en de term wordt bijvoorbeeld ook wel gebruikt om de angst van moslims tegenover islam aan te geven en dus niet alleen de angst van niet-moslims. Ook in oudere teksten wordt al aangegeven dat het argument van islamofobie soms wordt ingezet om kritiek op islam te blokkeren. Daarmee is de ontwikkeling van het begrip erg veelzijdig en niet altijd even helder net zoals dat ook het geval is met termen als homofobie en anti-semitisme.

Popularisering
De term lijkt pas echt bredere ingang te vinden (als vijandigheid van niet-moslims ten opzichte van moslims / islam) gedurende de jaren ’80 in Engeland ongeveer tegelijkertijd met de sterke groei van een anti-racisme vertoog in die tijd waarin vooral gefocused werd op zwarte burgers en racisme in Engeland. Tegelijkertijd werd ook, binnen de migrantengemeenschapen, de focus op hun etnisch-culturele achtergrond groter waarbij Pakistanen bijvoorbeeld werden gecategoriseerd als Asian en later ook als Muslim. De term islamofobie had dan ook voor moslims het voordeel zich in dat anti-racisme vertoog in te kunnen voegen en tegelijkertijd een aparte positie te kunnen claimen. Later na de Rushdie Affaire werd de focus op moslim belangrijker en won de term islamofobie verder aan populariteit, zeker toen in het 1997 gepopulariseerd werd door het rapport van de Runnymede Trust.

Het moet voor schrijvers als Bruckner en Vloet overigens niet zo moeilijk zijn geweest om dezelfde informatie op te duiken via google. Diverse Franse en Engelse sites geven dezelfde informtie, alleen de daadwerkelijke bronnen zijn iets moeilijker te achterhalen. Maar het is niet natuurlijk wel zo makkelijk om niet te zoeken of het gewoon niet te vermelden. Het idee dat het is verzonnen door Khomeiny (of all people!) is in veel stukken vaak de opmaat om te stellen dat islamofobie niet bestaat, niet zo erg is of een zoveelste voorbeeld is van moslims die lange tenen hebben en geen kritiek op islam dulden. Het is dan ook vaak het begin van een langer betoog om het hele begrip de prullenbak in te gooien. Dat is natuurlijk al per definitie onzin. Immers, aangezien ook anti-semitisme soms wordt gebruikt als afweer tegen Israël of als afweer tegen kritiek op het Jodendom, is er niemand die gaat beweren dat anti-semitisme daarom onzin is, niet bestaat of terecht is. Het is ook niet voor niets dat schrijvers die beweren dat islamofobie door de OIC of Khomeiny is uitgevonden nooit een equivalent van dat woord in het Arabisch of Farsi geven: dat bestaat namelijk niet. Er bestaan wel termen die erop lijken (meestal komen die neer op vijandigheid ten opzichte van islam), maar als Khomeiny en OIC gebruik hebben gemaakt van de term islamofobie dan hebben ze een Europees woord dat er al was gebruikt.

Er valt nog meer over te zeggen natuurlijk, maar van belang is dus dat de term geen recente term is en niet is uitgevonden om kritiek op islam onmogelijk te maken. En al helemaal niet door Khomeiny want die was als achtjarige in 1910 vast met heel andere dingen bezig.

In de volgende post komt aan bod:

Deel 2: Islamofobie angst voor islam.

Deel 3: Islamofobie is geen racisme want islam/moslims zijn geen islam

Mythe 4: Islamofobie is niet dodelijk.
 

Deel 5: Vijf mythen over islamofobie deel 5 – Islamofobie bestaat niet