Mythe twee: Islamofobie is angst voor islam

Wanneer mensen die aan het hele verschijnsel islamofobie twijfelen, de term gebruiken is dat meestal in termen van ‘angst’. Veel voorstanders van de term doen dat ook. Islamofobie zou dan een irrationele angst zijn voor islam net zoals mensen een irrationele angst kunnen hebben voor hoogte, spinnen, enzovoorts. Waar we in de vorige aflevering de mythe dat de term islamofobie bedacht was door Khomeiny of OIC om kritiek op islam te blokkeren makkelijk konden ontzenuwen, ligt het hier wat genuanceerder.

Het treinincident

Op 1 november 2005 worden twee mannen gearresteerd in een internationale trein naar Amsterdam. De andere passagiers hadden de politie gebeld, omdat de mannen (met verwijzing naar een ‘Arabisch uiterlijk’ en ‘djellaba’s) zich verdacht zouden gedragen en bijvoorbeeld met grote rugtassen samen een wc in zouden zijn gegaan. De trein werd stilgezet, alle passagiers moesten eruit en de twee mannen werden gearresteerd en gemaskerd afgevoerd. Uiteindelijk bleek het loos alarm en de mannen zijn gewoon vrij gelaten en er was helemaal geen sprake van terreurdreiging. Het incident vond plaats enkele maanden na de aanslagen in Londen, bijna een jaar na de moord op Van Gogh, ongeveer anderhalf jaar na de aanslagen in Madrid en wat meer jaren na Casablanca, Bali en 9/11.

Opvallend genoeg staat dit incident nog steeds op enkele plaatsen genoteerd als ‘terrorisme gerelateerd incident‘ terwijl het beter gerangschikt kan worden als een manifestatie van islamofobie. Is hier sprake van een irrationele angst? Jazeker, er was niks aan de hand. Maar is iemand daarmee ook islamofoob?  Het is wel een logisch idee gegeven het feit dat fobie staat voor (irrationele) angst en omdat dat idee ook is gepropageerd door de Runnymede Trust die de term islamofobie populair heeft gemaakt als begrip van afkeer van islam en moslims. En omdat angst natuurlijk wel degelijk een rol kan spelen. Maar het gaat hier niet (alleen) om een psychologische angst net zoals dat bij homofobie en xenofobie (waar dergelijke semantische discussies meestal niet over gevoerd worden) evenmin het geval is.

Het gaat hier om een sociale angst of sociale paniek waarbij en waardoor specifieke intolerante en gewelddadige handelingen van bepaalde moslims worden gezien als typisch en essentieel voor islam. Deze stereotype en stigmatiserende definitie van islam wordt daarbij van toepassing verklaard op alle moslims (en als ze daar niet aan voldoen dan zouden ze islam gewoon niet goed begrepen hebben). Nu worden moslims die terroristische acties plegen vaak afgeschilderd als haatbaarden, wordt de nadruk gelegd op uiterlijk en de taal die ze spreken en andere moslims die ook een baard dragen, een specifiek uiterlijk hebben en mogelijk Arabisch spreken raken verbonden met dat stereotype.

Islamofobie als sociaal-maatschappelijk fenomeen

Angst is daarbij slechts een deel van het fenomeen. Het gaat om angst, afkeer en vijandigheid ten opzichte van een eenzijdig en stigmatiserend beeld van islam en het idee dat die versie van islam alle ‘slechte’ handelingen en gedragingen van moslims zou verklaren omdat zij slechts zouden doen wat die stigmatiserende invulling van islam hen voorschrijft. Die stigmatiserende invulling wordt daarbij gebruikt om een onderscheid te maken tussen een ‘wij’ groep en moslims (zij, de Ander). Het gaat daarbij om het scheppen van een rooskleurig ideaalbeeld van ‘wij’ (als vrijheidslievend, nooit onschuldige burgers aanvallen, tolerant, ge-emancipeerd en niet gewelddadig) door moslims en/of islam als precies het tegenovergestelde af te schilderen. Dat maakt de moslims niet alleen anders, maar ook slechter. Of in ieder geval de islam is dan slechter en moslims die niet aan de stigmatiserende definitie van islam voldoen zijn in deze optiek slechte moslims [want doen niet wat de islam zou voorschrijven] maar goede geintegreerde [want bijna net als ‘wij’] burgers.

Islamofobie is daarmee geen psychologische term die iemands gemoedstoestand beschrijft, maar een sociaal-wetenschappelijke term die specifieke maatschappelijke processen van in- en uitsluiting ten opzichte van moslims beschrijft. Islamofobie is dus geen pathologische angst voor islam als religie, het is geen kritiek op islam, het is geen afkeer van moslims die terroristische daden verrichten, islamisten of welke andere groep dan ook die verbonden wordt met islam. Uiteindelijk gaat het om een geheel van vooroordelen, stereotypen en discriminatie van moslims die gebaseerd is op een eenzijdig negatieve en stigmatiserende invulling van islam. Na 9/11 is het politieke debat over moslims en islam steeds meer gedomineerd door thema’s als geweld en intolerantie en er is vrijwel geen politieke partij die islam (in deze abstracte vorm los van de context) niet ziet als probleem. Binnen die context is de actie van de medepassagiers in de trein volkomen logisch (want niet wil zeggen dat het ook goed is): in een context waarin mensen voldoen aan het stereotype haatbaard zoals dat door politiek en media verspreid wordt roepen de gedragingen van de mannen exact de stereotypes op van de gevaarlijke terrorist.

Angst als legitimering

De opvatting dat islamofobie angst is voor islam wordt daarbij ook nogal eens gebruikt als legitimering voor islamofobie. Er wordt gesteld dat islamofobie niet bestaat want angst voor islam is logisch (en daarmee niet irrationeel) of er wordt gesteld dat islamofobie goed is want angst voor islam is logisch. Daarbij wordt dan verwezen naar allerlei gewelddadigheden en andere vormen van intolerantie door moslims die vervolgens worden toegeschreven aan de essentie van islam waardoor het ook andere moslims betreft. Soms wordt gesteld dat afkeer van islam ok is, maar vandalisme van moskeeën en dergelijke worden gezien als uitingen van gekkies of extremisten en zouden dan niets met de negatieve invulling van islam te maken hebben.

We zien hier dezelfde loskoppeling van islam en moslims die we ook zien in het debat over islam. Het is een eenzijdige loskoppeling aangezien bepaalde daden van moslims (bijvoorbeeld van mensen die in Syrië vechten) gebruikt worden om aan te tonen hoe slecht islam zou zijn (en moslims en islam dus wel aan elkaar gekoppeld worden), maar daden tegen moslims zouden dus niets te maken met het stigmatiserende beeld van islam (dat zich uitstrekt naar moslims)? Een dergelijk argument zou ook betekenen dat haatzaaierij over islam geen gevolgen zou hebben op gedrag van mensen ten opzichte van moslims; je vraagt je af waarom mensen dan haatzaaien of kritiek uitoefenen op islam. Of zien ze alleen de gevolgen die zij als positief waarderen als consequentie van hun haatzaaierij en niet de negatieve gevolgen?

Naar een definitie

Nu is er onder islamofobie-onderzoekers behoorlijk wat verschil van mening over hoe islamofobie dan wel gedefinieerd moet worden. In deze kringen is men al lang afgestapt van het idee dat het (alleen) gaat om een pathologische angst, maar niet iedereen kwalificeert het direct onder racisme en er wordt ook gewezen op de rol van secularisering dat de positie van religie per definitie verandert. In het algemeen komen de meeste definities neer op het volgende: islamofobie is het construeren van een negatieve, generaliserende en essentialistische definitie van islam die leidt tot het maken van een hiërarchisch onderscheid tussen niet-moslims en moslims. Dit gebeurt om de moslims als groep te problematiseren op basis van hun religie.

Deel 1: De term islamofobie is een uitvinding van Khomeiny

Deel 3: Islamofobie is geen racisme, want islam/moslims zijn geen ras.

Mythe 4: Islamofobie is niet dodelijk
Mythe 5 – Islamofobie bestaat niet