De term ‘haatimam’ is een regelmatig terugkerende term in het Nederlandse islamdebat en past in het rijtje met ‘haatprediker’ en ‘haatbaard’. Het verwijst naar moslims die uit hoofde van een functie als imam of prediker of activist haatzaaiende teksten zouden uitspreken in het bijzonder over joden, ongelovigen, homo’s of vrouwen. Natuurlijk is het begrijpelijk als mensen hun afkeuring en zorgen daarover uiten, daar is ook niets mis mee. Maar het uiten van die afkeuring en zorgen kan met allerlei andere termen, dus waarom deze? Dat de term ‘haatimam’ in het islamdebat voorkomt en niet in andere debatten is niet zo verrassend gezien de verwijzing naar imam, maar tegelijkertijd moeten we ook vaststellen dat vergelijkbare termen als haatpoliticus, haatpriester of haatrabbi niet of nauwelijks voorkomen.

‘Haatimam’: een korte geschiedenis

Het is moeilijk vast te stellen hoe de term precies is ontstaan, maar waarschijnlijk is er een link met de engelse term ‘hate preacher’ (die vrijwel alleen voor moslims wordt gebruikt).Eén van de eerste keren dat de term ‘haatimam’ gebruikt wordt in het Nederlandse publieke debat is, voor zover ik totnutoe heb kunnen vaststellen, 11 november 2004 tijdens het debat over de moord op Theo van Gogh een week eerder. In zijn bijdrage stelt de heer Van As (LPF):

“Als wij het vandaag willen, kunnen haatimams als El Shershaby en El Moumni met een dubbele nationaliteit en een werkvergunning, die met haatspeeches de Nederlandse staat ondermijnen, worden aangepakt.”

En ook in zijn afsluiting stelt hij dat “haatimams” uitgezet moeten worden. De dag erop verschijnt de term ook in een persbericht van het ANP tussen aanhalingstekens. Enkele maanden later, 21 januari 2005, zien we de term terug in het kunstwerk ‘Een haatimam’ (waarbij er keutels vallen uit de mond van een afgebeelde persoon) van Rachid Ben Ali als “reactie op de haatdragende imams die de moslims gek maken met hun negatieve opvattingen. Het zijn machtswellustelingen. Ze willen alleen leven volgens hun interpretatie van de koran. We moeten die mensen aan banden leggen! Anders komen er nog veel grotere problemen in Nederland.” zo stelt hij in een interview met NRC Handelsblad. Wordt de term in media aanvankelijk ook nog wel eens tussen aanhalingstekens gebruikt, is dat gebruik na verloop van tijd compleet verdwenen.

De term haatprediker is trouwens wel ouder. De oudste verwijzing die ik heb kunnen vinden is uit de jaren ’40 in De misthoorn : onafhankelijk en onpolitiek orgaan tot wering van den joodschen invloed : officieel orgaan van het Comité tot Bestudeering van het Joodsche Vraagstuk. We vinden daar op 13 juni 1942 een artikel waarin verwezen wordt naar dominee (“preektijger”) De Boer die een “onruststoker” zou zijn omdat hij zich opstelde als bestrijder van de Nazi’s en de nieuwe orde en zich tegen het “gezag” (de bezetting) keerde. In Het Vrije Volk van 1 april 1972 wordt verwezen naar dominee Paisley als haatprediker “een verbeten anti-papist” die zich juist (tegen zijn reputatie als haatprediker in) gematigd zou opstellen. De connotaties van “onruststokers” met een boodschap die haaks staat op of zich expliciet keert tegen de (gewenste) bestaande orde zien we eveneens terug in de huidige discussies.

Links: De Misthoorn, 13-6-42; Rechts: Het Vrije Volk, 1-4-1972

Het brede spectrum aan ‘haatimams’

Opvallend is het brede spectrum aan moslims dat al eens het label heeft opgeplakt gekregen; het gaat niet alleen om zogenaamde salafisten zoals El Shershaby en oudere imams als El Moumni, maar bijvoorbeeld recent ook de Moslim Broeder Fadel Soliman (onterecht moest loco-burgemeester Eerdmans later toegeven) en een imam die als geestelijk verzorger in het Nederlandse leger ging werken tot Aboe Moesab al-Zarqawi en tot Abdullah Al Muslih die zelfmoordaanslagen zou goedkeuren, maar in zijn toespraak hier alleen ging op liefde en op het belang van samen leven tot nu in Eindhoven Al-Tabtabaie (die volgens Carel Brendel een financier is van de gewelddadige strijd in Syrië en daar ook geweest zou zijn). Eveneens doet het er in de debatten weinig toe wat de bewuste imam daadwerkelijk in zijn lezing in Nederland zegt. Een groot deel van de discussies over haatimams vindt plaats voordat de imam of prediker vanuit het buitenland hier komt prediken en slechts enkele discussies verwijzen naar hetgeen iemand hier onder andere heeft gezegd. In het geval van Fadel Soliman die recent optrad in de Rotterdamse Essalam moskee valt daarbij op dat zodra was vastgesteld dat hij geen haatimam was, de belangstelling van politici en media voor zijn daadwerkelijke optreden (gericht tegen IS en voor maatschappelijke verantwoordelijkheid van moslims om iets tegen IS te doen) miniem was.

Over het algemeen geven buitenlandse predikers zeg maar zogenaamde huis-tuin-en-keuken lezingen en preken. Het gaat over goed zijn voor je medemens, wat wel en niet mag met betrekking tot bepaalde rituelen. Dit verklaart ook waarom sommigen werkelijk perplex zijn als hun geliefde prediker wordt aangemerkt als ‘haatimam’. Wel is het zo dat men soms in alleen een strikte versie van een islamitische regel geeft zonder zich af te vragen hoe mensen dat in een niet-islamitische omgeving in de praktijk moeten brengen. En een enkele keer zijn er inderdaad opruiende of geweldsverheerlijkende preken of politiek getinte speeches, maar meestal gaat het om (ultra-)conservatieve imams. Het resultaat van de discussies totnutoe is enerzijds een grotere grip van de overheid (of in ieder geval pogingen daartoe) op wie er naar Nederland komt, moskeeën die terughoudender worden met het uitnodigen van predikers die ze niet kennen en moskeeën die onder de radar proberen te blijven met hun uitnodigingsbeleid.

De haatimam als symbolisch figuur

Waar het verschil ligt voor mensen tussen een imam en haatimam is lastig aan te geven. Immers, als men de islam op zich al een een haatreligie vindt dan zal men ook de imam snel een haatimam vinden. Dat wil niet zeggen dat er nooit kwesties aan de orde zijn die wel degelijk van belang zijn, zie bijvoorbeeld de blogs van Jan-Dirk Snel en Maarten Hijmans uit 2012 over Haitham al-Haddad. Carel Brendel stelde in het geval van Fadel Soliman vast dat de term niet echt helpt bij de discussie, maar hij is er wel. Maar de term is zo specifiek voor islamitische predikers, en voor een zo’n brede waaier aan predikers terwijl tegelijkertijd radicaal-rechtse politieke predikers als Geert Wilders of Filip Dewinter (recent nog in Nederland) een dergelijk predikaat nooit opgeplakt krijgen, dat er meer aan de hand is. Het is dan ook interessanter om na te gaan wat de term precies doet.

  1. Het zorgt ervoor dat een specifieke persoon gereduceerd wordt tot iets zeer negatiefs: haat, staatsondermijnend, negatieve opvattingen, machtswellusteling, onruststoker, enzovoorts. Het construeert als het ware een kwaadaardige aard van de mensen op wie het label geplakt wordt.
  2. De term ‘haatimam’ en het recente ingrijpen van de landelijke en lokale overheden in bijvoorbeeld Eindhoven, laten mooi zien hoe het idee dat Nederland een seculiere samenleving is, niet betekent dat er een volledige scheiding van overheid en religie is. Integendeel, het gaat erom dat de overheid probeert religie zodanig om te vormen dat het volgens die overheid in overeenstemming is met een ideaalbeeld van de Nederlandse samenleving: vrij, geen opvallende aanwezigheid van godsdienst, ondergeschikt aan de staat, enzovoorts. De term past daarmee uitstekend binnen het identiteitsliberalisme van de afgelopen jaren: een liberalisme waarbij ideeën over vrijheden nauw verbonden zijn met nationalisme en dat vooral vorm krijgt in de discussie en beleid over islam en moslims.
  3. Dat betekent dat de term ‘haatimams’ een belangrijke rol speelt in het bij elkaar komen van allerlei beelden over racisme, secularisme, securitisering en islam. De recente geschiedenis van het gebruik van die term laat zien dat die bijna uitsluitend is gekoppeld aan moslims en aan islam. Media, opiniemakers en politici scheppen specifieke figuren om iets te zeggen over concrete gebeurtenissen, over islam als geheel en over moslims. Allerlei zeer verschillende opvattingen en preken worden op één hoop gegooid alsof ze allemaal hetzelfde zouden zijn en één grote gemene deler zouden bevatten: dit is de (radicale) islam. Het probleem van de haatimams staat dan voor islam die zich niet aan de seculiere mores van de Nederlandse samenleving zou houden en een bedreiging zou vormen. Dit idee van de islam als probleem en dreiging vormt tevens de legitimering die gebruikt wordt door sommige beleidsmakers, politici en opiniemakers om moslims als groep te onderscheiden (hetzij als aparte groep in het integratiebeleid hetzij in het debat) van anderen en anders te behandelen. Dit temidden van reeds bestaande islamofobe tendensen zoals een mogelijk verbod op de gezichtssluier (discriminatie van moslimvrouwen die wordt gelegitimeerd door te wijzen dat het een gezichtssluier het noodzakelijke samen leven onmogelijk maakt en een bedreiging vormt).
  4. De haatimam is één van de figuren die het opiniemakers mogelijk maken islam neer te zetten als een significante dreiging; immers de term islam is een abstracte term die van alles kan omvatten van religieuze rituelen tot doctrines en van sociaal gedrag tot al dan niet gewelddadige politieke acties en van spiritualiteit tot kunst en cultuur. De term haatimam zorgt voor een focus op intolerantie, geweld, haat en koppelt die direct aan een religieuze boodschap (haat), een concreet figuur (haatimam), een concrete organisatie (haatpaleis, megamoskee) en een concreet publiek (beïnvloedbare moslims) die vervolgens allemaal als exemplarisch voor islam worden gemaakt. Er zit nog een andere kant aan het verhaal van de haatimam. Onderzoek in Engeland bijvoorbeeld laat ook zien hoe samenkomsten van moslims bijna per definitie verdacht zijn en reden tot zorg. Niet omdat zij het slachtoffer zouden kunnen worden van aanvallen (zoals zeker in Engeland het geval is met dodelijke afloop toe), maar omdat duidelijk gemaakt moet worden wat voor moslims dit zijn. De figuur van de haatimam ‘helpt daarbij en maakt meteen de hele moskeeorganisatie en de bezoekers verdacht en indirect de gehele gemeenschap.
  5. Met andere woorden de haatimam is een centrale figuur in het opleggen van een negatief beeld van islam dat moslims bijna intrinsiek een ultieme ander maakt: een proces dat we ook wel racialisering van moslims noemen.

Hoe dat alles precies gebeurt hangt een beetje van het moment af en welke kant de discussie op dat moment op gaat. Zo heeft Tarik Ibn Ali inmiddels de term ‘haatimam’ opgeplakt gekregen: hij zou een inspirator zijn (onjuist) van Sharia4Belgium en zijn reputatie als haatimam straalde negatief af op de bouw van de nieuwe moskee in Gouda hoewel hij daar alleen maar geld ingezameld heeft. Recent is hij door het AD en Daily Mail volstrekt ten onrechte in verband gebracht met de plegers van de aanslagen in Parijs. Het gaat hier om de voortdurende herhaling en om het aan elkaar verbinden (zelfs als de afzonderlijke kwesties onjuist zijn) van verschillende fenomenen die zo het beeld scheppen van een enge, gewelddadige man en zijn godsdienst.

Moskeeorganisaties spelen natuurlijk een niet onbelangrijke rol in aangezien zij natuurlijk degenen zijn die de predikers hierheen halen. Het lijkt erop dat men af en toe compleet overvallen wordt door alle commotie en nauwelijks lijkt te weten wie men uitnodigt (dat geldt overigens niet voor alle moskeeën). De onduidelijkheid die er is (of was) over wat nu een haatprediker is, bemoeilijkt beleid vanuit moskeeën hierover en ook de brede range aan predikers en het bijbehorende opportunisme vanuit politiek, maakt een samenhangend beleid vanuit moskeeën lastig. In het geval van Eindhoven echter lijkt er wel voor een samenhangende aanpak gekozen te zijn vanuit de gemeente: een begrenzing van de grondrechten mede gelegitimeerd door een beroep op de openbare orde. Dat laatste is een breed begrip, maar wordt onder meer ingevuld door een verwijzing naar het dreigingsbeeld (substantieel) en naar het salafisme als voedingsbodem voor jihadisme (zie HIER en HIER).

De ‘haatimam’ als medium

De figuur van de haatimam roept dus allerlei discussies op over de plaats van islam en moslims in de samenleving door heel sterk in te zoomen op immoreel gedrag dat zou zijn gestuurd van uit islam en het versterkt het ideaalbeeld van een vrijdenkend, vreedzaam en zelfdenkend Westen tegenover een doembeeld van een ultra-conservatieve, intolerante, dogmatische islam. De figuur van de haatimam ontstaat zo in reactie op al dan niet vermeende intolerante uitspraken van predikers en de figuur wordt mede gebruikt om betekenis te geven aan bijvoorbeeld de Parijse aanslagen. Op deze manier krijgen we een relatie tussen mogelijke intolerante uitspraken op basis van islam en bijvoorbeeld terreur met daar tussenin de haatimam als medium.

De term haatimam maakt op zo’n manier datgene wat op zich vrij abstract is (de islam als bron van sociale problemen) concreet, voorstelbaar en bespreekbaar zoals dat gebeurt met de term temperatuurstijging in relatie tot klimaatverandering. De term ‘haatimam’ maakt daarbij veel woorden overboding, immers wie is er niet tegen haat? Het maakt het zelfs mogelijk voor diegenen die zich voortdurend beroepen op de vrijheid van meningsuiting om ervoor te pleiten dat dergelijke imams niet meer toegelaten worden. En aan de andere kant, voor degene die het label haatimam krijgt is het daarbij moeilijk om zich er tegen te verweren; het werkt als een vorm van smaad en laster. Voor het grote publiek is degene die belasterd wordt, degene die moet aantonen dat hij iets niet is. Dat maakt de term één van de meeste geliefde en krachtige termen in het hele debat.

Zie de documentaire van de Moslimomroep: De geliefde ‘haatimam’